Verslag van de vergadering van 27 oktober 2026 (2026/2027 nr. 06)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.01 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. De heer Talsma had het over Van Hogendorp, een staatsman van allure in 1813. Ik wil nog wat verder teruggaan in de geschiedenis. Het is altijd een prachtig debat over de staat van de rechtsstaat. Daar passen dat soort onderwerpen ook bij. Ik begin op 23 maart 1798. Toen werd door de Constituerende Vergadering, representerende het Bataafse Volk, de eerste Grondwet van Nederland geproclameerd. Die begon met drie plechtige woorden: gelijkheid, vrijheid, broederschap. De beginselen van gelijkheid en vrijheid komen in ons werk hier in de Kamer voortdurend aan de orde. Vandaag wil ik het hebben over broederschap als dragend beginsel van de rechtsstaat. Ik heb een samenhangend betoog. Ik zou mijn collega's willen vragen of zij als er vragen zijn, die tot het eind te sparen, want het is een samenhangend verhaal.
De voorzitter:
Daar gaan wij zelf over.
De heer Nicolaï (PvdD):
Over broederschap als rechtsstatelijk beginsel spreken we in dit huis eigenlijk nooit, terwijl het bij de geboorte van onze constitutie, van onze rechtsstaat, als een van de dragende beginselen werd beschouwd en zelfs — ik kom erop terug — in artikelen werd uitgewerkt. Dat is opmerkelijk. Even opmerkelijk is dat, in het licht van wat wij weten uit recente onderzoeken onder Nederlanders, de behoefte aan zingeving en zorgen over polarisatie. Het Sociaal en Cultureel Planbureau meldde in 2022 dat driekwart van de Nederlanders vond dat maatschappelijke tegenstellingen toenamen. Mensen wezen vooral op de verharde toon van het debat, het onvoldoende luisteren en het "denken in kampen". Het onderzoek van Ipsos uit 2024 laat zien dat zingeving voor 73% van de Nederlanders een rol speelt. Mensen vinden die vaak in betekenisvolle relaties, in "iets doen voor anderen" en in bijdragen aan een groter geheel.
Voorzitter. Uiteraard tonen die onderzoeken niet aan dat Nederlanders terugverlangen naar een grondwet die oproept tot broederschap. Wel laten zij zien dat verbondenheid, wederzijds vertrouwen en maatschappelijk betekenisvol handelen belangrijke onderwerpen zijn en dat de zingeving daarbij een rol kan spelen. Is aandacht voor broederschap in onze Constitutie dan niet passend?
Tegelijkertijd doemt een andere vraag op. Is het niet juist naïef om in deze tijd broederschap als constitutioneel beginsel te expliciteren? Wie om zich heen kijkt, ziet immers een politieke strijd, waarin macht, geweld, vernedering en vijanddenken een steeds nadrukkelijker rol lijken te spelen. Anderen hebben dat ook al opgemerkt. De Volkskrant van dit weekend beschrijft hoe tijdens de recente scholierenprotesten in Frankrijk extreemlinkse groepen, die gebruikmaken van zogenoemde Black Bloc-tactiek vreedzame demonstratie kapen, om gewelddadige confrontaties met de politie uit te lokken en chaos te veroorzaken. In NRC van dit weekend betoogt Bas Heijne dat extreemrechts niet uit is op sociaal-economische rechtvaardigheid, maar louter op macht en vernedering. Ik citeer: "om die reden hebben al die oproepen tot verbinding weinig zin".
Voorzitter. Wat heeft broederschap te betekenen tegenover bewegingen die zich met geweld tegen de rechtsorde keren of die juist aan vijanddenken hun aantrekkingskracht ontlenen? In de jaren tachtig gebruikten Amsterdamse krakers de leus "uw rechtsorde is de onze niet". Die uitspraak maakt zichtbaar dat niet iedereen zich met de bestaande rechtsorde identificeert. Sommige mensen willen die rechtsorde ingrijpend veranderen, anderen wijzen haar principieel af. Weer anderen hebben eenvoudigweg geen belangstelling voor politiek of maatschappelijke betrokkenheid. Dat is op zichzelf hun goed recht. De vrijheid van burgers om zich afzijdig te houden en de bestaande orde te bekritiseren of een andere maatschappelijke orde na te streven, behoort eveneens tot de vrijheden die de rechtsstaat moet beschermen. De grens ligt niet bij hun overtuigingen, maar bij hun handelen, wanneer zij rechten van anderen schenden. De rechtsstaat kan niet verlangen dat burgers zich met de rechtsorde identificeren, laat staan dat zij gevoelens van gemeenschapszin ontwikkelen.
De opstellers van de staatsregeling voor het Bataafse volk van 1798 begrepen dat goed. In de eerste artikelen, waarin zij de onvervreemdbare burgerrechten omschreven die de overheid dient te respecteren, namen zij de volgende bepaling op die over wetgeving gaat: "zij strekt zich alleen uit tot daden, nimmer tot gevoelens". Eeuwen geleden!
Voorzitter. Dat is een belangrijk uitgangspunt. De staat mag geen innerlijke overtuigingen of gevoelens voorschrijven. Als de Constitutie broederschap verlangt, kan dat dus niet betekenen dat iedereen zich met de samenleving verbonden moet voelen of de staats- en rechtsorde moet aanvaarden. De constitutionele betekenis van broederschap ligt in de erkenning dat ook degene die zich niet met ons verbonden voelt, dezelfde menselijke waardigheid en aanspraak op rechtsbescherming behoudt.
Haar morele kern kan dan in twee zingevende beginselen tot uitdrukking komen, die in feite in onze eerste Grondwet al zijn geformuleerd: de Bataafse revolutionairen vatten de Constitutie op als een maatschappelijk verdrag tussen burgers en overheid, maar ook tussen burgers onderling. Zij moest niet alleen macht ordenen, maar ook uitdrukken waarom wij samen een politieke gemeenschap vormen. Dat blijkt het duidelijkst uit artikel 6, dat de maatschappelijke plichten grondvestte. Dat werd omschreven als "heilige wet". Het is vast bekend genoeg. Ik citeer: "Doe eenen ander niet hetgeen gij niet wenscht dat aan u geschiede." En vervolgens: "Doe aan anderen, te allen tijde, zoo veel goeds, als gij in gelijke omstandigheden van hen zoudt wenschen te ontvangen." Het zijn voorschriften in een grondwet. De eerste regel is negatief: berokken aan anderen niet het kwaad dat je zelf niet zou willen ondergaan. De tweede is positief: draag ook actief bij aan het welzijn van anderen. Samen omvatten zij zowel de begrenzing van het eigen handelen als de verantwoordelijkheid om goed te doen.
De tekst van dat artikel 6 sluit aan bij de gulden regel uit oude religieuze en filosofische tradities: het jodendom, het christendom, maar ook de islam. En nog verder terug: Confucius, het boeddhisme en het hindoeïsme. Je vindt daar dezelfde regels. Er is ook een verwantschap met de categorische imperatief van Immanuel Kant: handel volgens beginselen waarvan je kunt willen dat zij voor iedereen als algemene wet gelden.
Die religieuze en filosofische benaderingen — de een uit een ver verleden en de andere onderdeel van de moderniteit — vallen niet samen. Wat hen wel verbindt, is dat het eigenbelang niet de enige maatstaf mag zijn en dat de ander eigen waardigheid bezit.
Voorzitter. De gedachte dat aan onze samenleving naast rechten en plichten ook een gemeenschapszin ten grondslag ligt en dat zij morele beginselen nodig heeft, is geen exclusief bezit van één politieke stroming. In verkiezingsprogramma's treffen we daarvoor uiteenlopende begrippen aan: solidariteit, naastenliefde, noaberschap, wederkerigheid, gemeenschapszin en verantwoordelijkheid. Kennelijk bestaat er ondanks grote politieke verschillen een herkenbare gedachte dat een samenleving meer vraagt dan alleen het respecteren van individuele rechten.
In de christelijke politieke traditie staat de naastenliefde centraal, met niet alleen het respecteren van de ander, maar ook het daadwerkelijk omzien naar een ander. Kijk naar de programma's van het CDA, de ChristenUnie en de SGP. De heer Schalk had het over de Tien Geboden. Als we die zouden naleven, zou de rechtsstaat al voldoende gefundeerd zijn. De BBB heeft in haar verkiezingsprogramma van 2023 onder haar kernwaarden zowel noaberschap opgenomen als de gulden regel waar ik het over had. Al eerder werd door de PvdA'er Frans Timmermans een pleidooi gepubliceerd met de veelzeggende titel Broederschap: pleidooi voor verbondenheid.
Voorzitter. Wie zulke kernwaarden een constitutionele basis wil geven en die waarden verbindt met het rechtsstatelijke beginsel van broederschap, moet wel een fundamentele grens in de gaten houden. De rechtsstaat kan menswaardig gedrag eisen waar het recht daartoe verplicht, maar kan niemand dwingen zijn medemensen werkelijk als broeders te beschouwen. Dat is een grens die een moderne constitutionele erkenning van broederschap zorgvuldig moet respecteren. De staat mag niet voorschrijven dat mensen gevoelens van broederschap moeten hebben.
Maar mag de overheid wel bevorderen dat in onze samenleving bepaalde fundamentele morele beginselen worden begrepen, besproken en in het handelen worden gerespecteerd? Ik denk van wel. Sterker nog, dat gebeurt tot op zekere hoogte al in het onderwijs. Scholen hebben de wettelijke opdracht om burgerschap te bevorderen. Sinds de aanscherping van die opdracht in 2021 gaat het daarbij niet alleen om kennis van democratische instellingen en de formele beginselen van de rechtsstaat. Ook vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en sociale verantwoordelijkheid behoren daartoe. De vraag is echter of wij in het burgerschapsonderwijs wel voldoende aandacht besteden aan de morele betekenis van de beginselen. Ik bedoel daarmee niet dat leraren hun leerlingen moeten vertellen wat zij behoren te voelen of welke levensbeschouwing zij moeten aanhangen. Ik bedoel dat leerlingen met elkaar en met hun leraren in gesprek zouden moeten gaan over de morele vragen die aan onze rechtsorde ten grondslag liggen.
Neem die twee onderdelen van de gulden regel. Waarom behoren wij een ander geen kwaad te doen? Waarom zou ik iemand helpen als ik daar zelf geen voordeel van heb? Heb ik een verantwoordelijkheid tegenover iemand met wie ik niets gemeen heb? Wat betekent menselijke waardigheid wanneer ik een ander volstrekt verwerpelijke opvattingen hoor verkondigen? Wat is het verschil tussen iets wat ik wettelijk mag doen en iets wat moreel juist is?
Voorzitter. Dat zijn geen vragen waarop de overheid een verplicht antwoord mag voorschrijven. Het zijn vragen waarover leerlingen moeten leren nadenken, argumenteren en met elkaar discussiëren. Daarbij kunnen ze kennismaken met de gulden regel, met de categorische imperatief van Kant, met de christelijke naastenliefde en met andere religieuze en niet-religieuze morele tradities. Juist door die verschillende benaderingen naast elkaar te leggen, leren zij zelfstandig morele oordelen vormen.
Voorzitter. Een democratische rechtsstaat heeft geen burgers nodig die allemaal hetzelfde denken. Hij heeft wel belang bij burgers die hebben leren nadenken over de rechten en belangen van anderen en over de morele gevolgen van hun eigen handelen. Misschien is juist dat de eigentijdse betekenis van het broederschapsbeginsel.
Artikel 1 van de in 1948 tot stand gekomen en door ons land onderschreven Universele Verklaring van de Rechten van de Mens — 1948 — is in die zin nog steeds actueel. Dat artikel luidt: "Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Ze zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkaar in een geest van broederschap te gedragen."
In Frankrijk staat "liberté, égalité, fraternité" nog altijd in de grondwet. In Nederland werd de formulering van dat broederschapsvoorschrift uit artikel 6 van de Bataafse Staatsregeling al heel snel historie. In 1814 werd gekozen voor een soberder grondwet — meneer Van Hogendorp — waarin algemene beginselverklaringen nauwelijks meer een plaats kregen. Maar de vraag of onze Grondwet ook inspiratie en verbondenheid moet uitdrukken, is later teruggekeerd.
De Nationale Conventie bepleitte in 2006 in het rapport Hart voor de publieke zaak, een breed debat over een preambule die de fundamentele waarde van en de betrokkenheid bij de publieke zaak zichtbaar zou maken. De Staatscommissie-Thomassen stelde in 2010 een algemene bepaling voor die onder meer "menselijke waardigheid" en "fundamentele rechtsbeginselen" noemde.
Het uiteindelijke resultaat uit 2022 — ik kwam daar al terecht tijdens een korte interruptie van de heer Dittrich — was echt heel sober. De algemene bepaling die in de Grondwet is gekomen, luidt: de Grondwet waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat. Niks inspiratie. Het is juist en betekenisvol, maar ik vind het teleurstellend sober, bijna technisch. Het vertelt vooral wat wordt gewaarborgd en nauwelijks waarvoor onze rechtsgemeenschap bestaat. Menselijke waardigheid en onderlinge verantwoordelijkheid ontbreken. Ik hoorde mevrouw Vogels beide termen in haar debat als kernwaarden benoemen. Dat had anders gekund en het zou ook nu nog uitgebreider kunnen.
En om mijn denkrichting duidelijk te maken, geef ik de mogelijke preambule voor ons hier mee, die niet als afgerond wetsvoorstel moet worden gezien. Wat zouden we kunnen opschrijven? Wij erkennen dat ieder mens vrij en gelijk in waardigheid en rechte is. Vrijheid, gelijkheid en broederschap vormen de grondslag van ons samenleven. Broederschap betekent dat wij de waardigheid en de rechten van anderen eerbiedigen en erkennen dat mensen verantwoordelijkheid voor elkaar kunnen dragen, ook wanneer zij verschillende overtuigingen hebben.
Voorzitter. Een mooie tekst verandert de werkelijkheid niet vanzelf. De zorg dat een preambule verdeeldheid kan oproepen, is ook serieus. Dat onderstreept dat een brede, onafhankelijke verkenning nodig is. Daarvoor zie ik een concreet aanknopingspunt in De gebroken belofte van de rechtsstaat, het rapport uit 2024 van de staatscommissie. De commissie vroeg aandacht voor de rechtsstatelijke cultuur, maar ze stelde ook dat overheid en burgers met elkaar een rechtsgemeenschap vormen. Precies daar ligt naar mijn mening een vraag voor vervolgonderzoek. Wat betekent het dat wij samen een rechtsgemeenschap vormen? Welke betekenis heeft onze onderlinge verantwoordelijkheid wanneer maatschappelijke tegenstellingen scherper worden? En hoe kan de overheid de voorwaarden voor een rechtvaardige en vreedzame samenleving bevorderen zonder daarbij van burgers te verlangen dat zij zich met de rechtsorde of met de publieke zaak identificeren?
Voorzitter, ik kom tot mijn slot. Gaat de rechtsstaat uitsluitend over het begrenzen van overheidsmacht en het waarborgen van individuele rechten, of heeft de rechtsstaat daarnaast ook de positieve opdracht om de voorwaarden te scheppen voor een samenleving waarin mensen ondanks hun uiteenlopende overtuiging en hun verschillende houding tegenover de overheid in vrijheid en gelijkwaardigheid kunnen samenleven? Mijn antwoord op die tweede vraag is: ja. Dat is niet zo omdat wij hetzelfde moeten denken en niet omdat iedereen zich met de publieke zaak verbonden zou moeten voelen, maar juist omdat een vrije samenleving het mogelijk moet maken dat mensen met diepgaande meningsverschillen of zelfs met een fundamenteel verschillende opvatting over de bestaande rechtsorde toch als gelijkwaardigen kunnen samenleven.
Dat brengt mij bij mijn vragen aan de minister. Vraag één. Acht de minister een duurzame rechtsstatelijke cultuur denkbaar zonder dat de voorwaarden aanwezig zijn waaronder mensen elkaars rechten en menselijke waardigheid kunnen respecteren? En welke positieve verantwoordelijkheid draagt de overheid om die voorwaarden te scheppen en te beschermen, ook wanneer burgers zich niet met de bestaande rechtsorde identificeren? Dan mijn tweede vraag. Is de regering bereid te laten onderzoeken hoe de bestaande opdracht tot burgerschapsvorming verder kan worden verdiept door leerlingen nadrukkelijker met elkaar in discussie te laten gaan over de morele beginselen van onze rechtsstaat? Ik denk daarbij in het bijzonder aan de negatieve en positieve gulden regel, de menselijke waardigheid, de verantwoordelijkheid voor anderen en het onderscheid tussen wat juridisch geoorloofd is en wat moreel juist is. Dan de derde vraag. Is de regering bereid te laten onderzoeken of beginselen als menselijke waardigheid en broederschap een uitdrukkelijkere plaats verdienen in de Grondwet, bijvoorbeeld in een preambule of een aanvulling op de algemene bepaling?
Voorzitter, ik sluit af. Ik ben mij ervan bewust dat mijn vragen ook het terrein bestrijken van de minister van BZK en de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie. Daarom vraag ik de minister of hij bereid is om binnen een maand de Kamer namens de regering een reactie op mijn vragen te zenden.
Voorzitter. Een democratische rechtsstaat maakt de politieke strijd mogelijk, maar laat die strijd niet de waardigheid en rechten van mensen verdringen. Het kan eraan bijdragen dat mensen leren nadenken over de verantwoordelijkheid die ze tegenover elkaar hebben. Het gaat er dus niet alleen om hoe we de rechtsstaat beschermen. Het gaat ook om de vraag welke verantwoordelijkheid de rechtsstaat zelf draagt om samenleven mogelijk te maken. Dat is de betekenis van broederschap die onze fractie van de Partij voor de Dieren nader onderzocht zou willen zien.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een vraag van de heer Van Rooijen.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Ik mag een vraag stellen na de tweede maidenspeech van collega Nicolaï. U noemde Kant. Ik herinner me uit mijn studiejaren nog dat ik een lezing mocht houden over de dialectiek van Hegel: het gebruikmaken van tegenstellingen om tot de waarheid te komen. Wat vindt u van die theorie? U noemde zelf Kant, wat eigenlijk de tegenpool daarvan is.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik probeer even uw vraag in het kader van mijn onderwerp te plaatsen.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
U noemde Kant en zo kwam ik op Hegel.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ah! Hegel is een totaal andere filosoof dan Kant. Kant, zo zou je kunnen zeggen, is de drager van de moderniteit. We zien dus aan de ene kant dat het beginsel van broederschap een grondslag heeft in oude religie, historie enzovoort. Maar in de moderniteit ... Ik zal maar zeggen: Kant ziet het meer als een moreel beginsel, waarbij we rationeel naar onze morele waarden zouden moeten kijken. Hegel had dat niet nodig. Hegel had een ingewikkelde filosofie, die er uiteindelijk op neerkwam dat sommigen zelfs zijn filosofie hebben kunnen gebruiken om te zeggen dat er een soort goddelijke kracht in de staat zou zitten. Dat is niet mijn visie en dat is ook niet de visie van Kant.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
En ook niet die van mij.
De voorzitter:
Fijn! Dan zijn we het daarover eens. De heer Talsma stond volgens mij als tweede op.
De heer Talsma i (ChristenUnie):
Als collega Nicolaï zijn bijdrage begint met de aankondiging "ik heb een samenhangend betoog", dan word ik toch enigszins argwanend, want het klonk als een soort nieuwswaardig feit dat de heer Nicolaï een samenhangend betoog ging houden.
De voorzitter:
Nou, nou, nou, dat vind ik een beetje beledigend.
De heer Talsma (ChristenUnie):
Nee, helemaal niet!
De voorzitter:
We hebben allemaal samenhangende betogen.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik ben hier weleens voor "verwarde oude man" uitgemaakt, dus ik dacht: ik maak het goed.
De voorzitter:
Daarom. Daar heb ik een beetje een trauma aan overgehouden. Stelt u uw vraag, meneer Talsma.
De heer Talsma (ChristenUnie):
Zeker. Ik bedoelde volstrekt niets beledigends te zeggen. Het was een reactie op de mooie entree die collega Nicolaï hier maakte over een heel mooi onderwerp: broederschap. Ik vond het prachtig hoe hij daar inderdaad een samenhangend betoog over hield. In die zin was het een volstrekt correcte aankondiging. Mijn vraag naar aanleiding van dat betoog is eigenlijk: wat betekent dat in de visie van collega Nicolaï voor de manier waarop die staatsmachten zich nu tot elkaar moeten verhouden, en heel in het bijzonder, zoals we vandaag met elkaar verkeren, voor het contact tussen kabinet en Kamer? Zou de heer Nicolaï daar nog wat meer over willen zeggen?
De heer Nicolaï (PvdD):
Die vraag zou ik nou juist weer proberen in te delen bij de wat technische vragen, die te maken hebben met de trias politica en met hoe de macht in evenwicht te houden. Het beginsel van broederschap zegt meer iets over wat het doel van onze samenleving is. Laten we daar eens over nadenken. Als we het hebben over die toenemende polarisatie en dat vijanddenken, voelen wij ons daar prettig bij of voelen wij ons daar niet prettig bij? En als wij ons daar niet prettig bij voelen, waar ligt dat dan aan? Dan komt weer die gulden regel tot uitdrukking waar ik het over had. Dan komen misschien religieuze voorschriften weer tot uitdrukking. Het is net alsof we dat allemaal vergeten zijn. Ik probeer eigenlijk om terug te gaan naar een historie die het beginpunt was: zo moeten we over elkaar denken en zo moeten we met elkaar omgaan; laten we er met z'n allen wat van maken. Maar dat "laten we er met z'n allen wat van maken", zie ik niet meer zo om me heen. Ik zie heel veel individuen die alleen voor hun eigen belangetje opkomen. Ik zie heel veel groepen die verharden en die anderen niet meer zien als medegroepen in een samenleving.
Willen we dat keren, dan komen we er niet met alleen maar dingen aan de overheid vragen. We komen er alleen maar als de mensen anders gaan voelen en anders gaan denken. Noaberschap heb ik al genoemd. Waardigheid en verantwoordelijkheid voelen: waar kan je dat het beste concentreren? Dat is in het burgerschapsonderwijs. Als ik nu naar het burgerschapsonderwijs kijk, dan word ik soms ook een beetje zenuwachtig. Want betekent dat nou dat leerkrachten kinderen kunnen gaan vertellen wat een echte rechtsstaat is en hoe je je daarnaar moet gedragen? Nee, we moeten onze kinderen zo opvoeden dat ze met elkaar in discussie gaan, dat ze vragen leren stellen, dat ze naar elkaar leren luisteren! We praten al niet eens meer over de rechtsstaat, maar eigenlijk bijna over opvoeding. Ik denk dat er best wel een lijn in zit hoe wij kinderen opvoeden en hoe de rechtsstaat vorm kan krijgen. Ik heb het gevoel dat heel veel partijen dat eigenlijk vinden, maar er komt niets tot stand. Ik dacht: laat ik het nou eens over broederschap hebben. Dan kunnen we kijken of we hier met z'n allen op dat punt, ondanks al onze verschillen, een soort broederschap kunnen voelen in deze Kamer. We kunnen dan ook aan de minister vragen of het leuk en waardevol zou zijn als we eens laten onderzoeken of we daar weer naar terug kunnen gaan, zodat er een soort inspiratie in de Grondwet komt en niet alleen maar iets technisch.
De heer Kemperman i (FVD):
Allereerst wil ik collega Nicolaï bedanken voor zijn mooie samenhangende betoog, de mooie oproep en de korte en bondige antwoorden op de interruptie van de heer Talsma. U maait een klein beetje het gras voor mijn voeten weg, want in het begin van uw betoog — ik wist overigens niet dat u gevraagd had om niet te interrumperen, vandaar dat ik even een schijnbeweging maakte — zei u dat de wetgever niet gehouden is om broederschap af te dwingen. Dat heeft u net ook herhaald. Toen moest ik denken aan het debat dat we hier hadden over de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen, waarin we het burgerschap dat u net zelf aanhaalde … Dit is overigens geen politieke interruptie, maar ik maak van de gelegenheid gebruik om een hoogleraar en een vooraanstaand jurist hier echt op te bevragen. In de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen hebben we natuurlijk wel degelijk met elkaar afgesproken dat we nagenoeg afdwingbare doelen op dat gebied, kwalitatieve doelstellingen die we nastreven voor goede burgers, in de wet vastleggen en dat we die via het onderwijs nagenoeg proberen te verplichten. Hoe kijkt u dan naar uw constatering dat dat wat betreft broederschap niet kan, maar dat we het in het onderwijs wel doen wat betreft burgerschap? Daar zit dan toch een spanning tussen?
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik dacht dat ik in mijn betoog had aangegeven wat ik bedoelde met dat de opzet van het burgerschapsonderwijs er eigenlijk op gericht is om van onderaf de rechtsstaat te laten groeien, bij wijze van spreken. Dat doe je natuurlijk niet door leerlingen te vertellen hoe ze moeten denken en waar ze op uit moeten komen. Je doet dat door ze op te voeden in denken. Dat is een hele ingewikkelde opgave. Vroeger, toen er nog kerken, verenigingen enzovoort waren, leerde je dat in die omgeving, sprak je met anderen enzovoort, enzovoort. Dat is allemaal weggevallen. In mijn optiek heeft dat ervoor gezorgd dat we een soort individualistische dwarrelmaatschappij hebben gekregen. Ik probeer dat weer terug te brengen. Zo moet u dat zien. Dat breng je niet terug door een leerkracht te instrueren wat hij die kinderen moet wijsmaken. Nee, dat breng je terug door leerkrachten mee te geven hoe ze die kinderen los kunnen maken en kunnen opvoeden in die zin dat ze met elkaar in gesprek gaan. Dat doen wij hier uiteindelijk ook.
De heer Kemperman (FVD):
Ik kan het niet meer met u eens zijn. Toch doen we met de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen en dat burgerschapsonderwijs precies dat waarvan u zegt dat we dat eigenlijk niet zouden moeten doen. Het zou een intrinsieke waarde van onderaf, of misschien wel meer van binnenuit, moeten zijn die we aan onze kinderen meegeven in plaats van dat we bij wet afdwingen dat een leraar vertelt hoe het moet. We doen dus eigenlijk precies dat waarvan u zegt — en daar ben ik het mee eens — dat we dat anders zouden moeten doen. Klopt dat?
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik weet niet of ik het op dat punt met u eens ben. Ik denk niet dat je over menselijke waardigheid moet zeggen: jij bent pas geslaagd als je vindt dat mensen waardigheid hebben. Nee, dan zeg je: je bent geslaagd als je kan uitleggen wat sommigen belangrijk vinden aan waardigheid, dat anderen daar misschien wat anders van vinden en waar jij staat.
De voorzitter:
Dank u wel. Dit is eigenlijk niet het debat over burgerschapsonderwijs.
Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):
Naar aanleiding van het betoog kwam bij mij op dat vanuit het broederschap — ik vind dat een hele mooie gedachte — de grondrechten vooral een verticale werking hebben, namelijk het beschermen van de burger tegen de overheid, maar dat juist vanuit dat broederschap en het niet willen beperken wat iemand vindt of denkt, de horizontale werking van grondrechten daarmee eigenlijk minder zou moeten zijn. Wat ik bedoel te zeggen, is eigenlijk dat de grondrechten vooral de verticale werking moeten hebben in plaats van de horizontale werking, omdat je niet wilt dat je elkaar gaat beperken.
De heer Nicolaï (PvdD):
Het vraagstuk van de verticale en horizontale werking van grondrechten is juridisch iets anders dan wat mij nu voorgelegd wordt. Maar als met horizontaal bedoeld wordt dat we iets in de Grondwet zetten wat niet alleen een aansporing is voor de overheidsinstituties die met de burgers omgaan, maar ook een aansporing voor hoe de burgers, waar die andere grondrechten betrekking op hebben, met elkaar moeten omgaan, dan is dat wat ik bedoel.
Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):
Dan ik het daarover met u eens.
De heer Hartog i (Volt):
Ik moet professor Nicolaï complimenteren met zijn mooie betoog over broederschap, maar hij heeft het eigenlijk alleen maar gehad over mensen. Dan maak je dus een onderscheid tussen mensen en dingen. Dingen hebben alleen maar rechten als die door de mensen zijn gegeven. Dat kan een gebouw zijn en ook een dier. Dat element mis ik eigenlijk. Heeft een dier ook inherente rechtsstatelijke rechten die niet gegeven zijn door de mens? Ik wil geen heel betoog. Het kan heel kort: ja of nee, en heel kort op welke manier dat kan worden meegenomen in broederschap.
De heer Nicolaï (PvdD):
U snapt wel, en iedereen snapt wel, dat dat op mijn lippen had gelegen, maar ik wilde dat juist weer niet afleiden, want ik wilde gewoon eens kijken hoe we anderen die daar misschien anders over denken, wel bij wijze van spreken in dat gemeenschappelijke van dat broederschap kunnen brengen. Laat het voor mijn eigen verhaal even buiten beschouwing, maar in mijn eigen optiek zeg ik: als je het hebt over de waardigheid van mensen, kan je ook een stap verderzetten en het hebben over de waardigheid van dieren. Er zijn mensen die zeggen dat je zelfs nog een stap verder kan zetten en het kan hebben over de waardigheid van de natuur. Dan krijg je dus mensenrechten, dierenrechten en rechten voor de natuur, heel eenvoudig uitgelegd. Maar we hadden het nu even over de mensenrechten.
De voorzitter:
Dan tot slot nog de heer Schalk.
De heer Schalk i (SGP):
Misschien mag ik in herinnering roepen dat mijn slotzin juist was dat we geen revolutie moeten hebben, maar een reformatie. Die uitdrukking "vrijheid, gelijkheid en broederschap" brengt mij natuurlijk meteen bij de Franse Revolutie. Nou hoeven we dat debat niet helemaal te gaan voeren, maar ik heb toch wel even de volgende vraag. De heer Hartog geeft eigenlijk een voorzetje, zo van dat de heer Nicolaï voor de Partij voor de Dieren in dit huis mag functioneren. Voor een deel van de Partij voor de Dieren althans, laat ik het zo formuleren. Daar kan ik het fundamenteel mee oneens zijn. Hoe eis je dan broederschap? Dan maak je het toch juist heel erg ingewikkeld? Het woord "vrijheid" geeft aan dat iedereen vrij is om te doen wat hij wil, zolang hij zich aan de wet houdt. Broederschap zegt dan: en de anderen moet zich daar ook maar bijvoegen. Dat is toch tegenstrijdig met elkaar? Daarom wordt die uitdrukking ook helemaal niet meer op deze manier gebruikt.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik heb die twee artikelen uit die hele oude Grondwet, onze eerste Grondwet, genoemd. Die zullen de heer Schalk aanspreken: "behandel anderen zoals je zelf behandeld wilt worden" en "wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook de ander niet". Ik neem toch aan dat collega Schalk en ik daarin op dezelfde lijn zitten, namelijk dat dat hele waardevolle kernwaarden zijn.
De heer Schalk (SGP):
Ja, zeker.
De heer Nicolaï (PvdD):
Die kernwaarden zijn voor mij eigenlijk de dragende onderdelen van broederschap. Zo heb ik het geprobeerd uit te leggen. Het tweede is dat broederschap betekent dat je moet kunnen samenleven, ook met mensen die jouw rechtsorde en jouw staat niet wensen te aanvaarden. Dat was het.
De voorzitter:
Dat was het inderdaad. Dat heb ik ook heel goed gehoord. Ik wil de heer Nicolaï van harte danken voor zijn samenhangende betoog. Ik geef graag het woord aan de heer Van Rooijen, voor een eveneens samenhangend betoog.