Verslag van de vergadering van 13 oktober 2026 (2026/2027 nr. 04)
Aanvang: 9.32 uur
Status: ongecorrigeerd
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Aan de orde is de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Regels met betrekking tot de terugkeer van vreemdelingen en vreemdelingenbewaring (Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) (34309);
-
-het wetsvoorstel Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en enige andere wetten met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, het verruimen van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en het verhogen van het strafmaximum van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) (35501).
De voorzitter:
Aan de orde is de eerste termijn van de gezamenlijke behandeling van twee wetsvoorstellen, met het nummer 34309, Regels met betrekking tot de terugkeer van vreemdelingen en vreemdelingenbewaring (Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) en met het nummer 35501, Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en enige andere wetten met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, het verruimen van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en het verhogen van het strafmaximum van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, kortweg de novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.
Ik heet de minister van Asiel en Migratie van harte welkom in de Eerste Kamer.
De beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik geef graag het woord aan mevrouw Thijssen. Zij spreekt namens de fractie van PRO.
Mevrouw Thijssen i (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Deze zomer beroofde een man zich van het leven in Detentiecentrum Rotterdam. Het was een jonge man, van begin 20. Hij kwam oorspronkelijk uit Hongarije. Dit gebeurde allemaal vlak voordat hij gedwongen moest vertrekken. Het is een ingrijpende gebeurtenis, in de eerste plaats voor zijn dierbaren, maar zeker ook voor het personeel dat werkzaam is in Detentiecentrum Rotterdam en voor alle andere ingeslotenen. Het Reformatorisch Dagblad berichtte erover. Enkele politici van PRO en van de ChristenUnie stelden vragen. Dat was het zo ongeveer wel.
Deze geringe aandacht staat in schril contrast met de ophef van meer dan dertien jaar geleden, toen de Russische Alexander Dolmatov vlak voor zijn geplande vertrek suïcide pleegde in dezelfde locatie. De kranten schreven erover. Er was eindeloos debat over in de Tweede Kamer. Dat debat duurde van 10.00 uur 's ochtends tot 23.00 uur 's avonds. En de verantwoordelijke staatssecretaris, staatssecretaris Teeven, overleefde een motie van wantrouwen. Ik zie mevrouw Van Toorenburg knikken; zij was erbij. Die motie van wantrouwen werd ook gesteund door het CDA, maar ook door een brede coalitie van D66, de SP en de ChristenUnie. De staatssecretaris destijds vroeg de inspectie om te onderzoeken of de Nederlandse overheid zorgvuldig heeft gehandeld bij het in bewaring stellen van deze betrokkene. Nu wil ik van de huidige minister weten hoe hij deze keer heeft gehandeld na het overlijden van de Hongaarse vluchteling in juni van dit jaar.
Vandaag spreken we hier in de Eerste Kamer over de vraag of er na de suïcide van Dolmatov daadwerkelijk iets is verbeterd in de vreemdelingendetentie. De belofte toen zoals voorgesteld in het inspectieonderzoek, maar ook zoals gezegd tijdens het debat in de Tweede Kamer destijds, was dat er een humaner vreemdelingendetentie zou moeten komen. Dat wil zeggen dat er meer vrijheden moesten worden toegekend aan mensen die zijn ingesloten in vreemdelingenbewaring. Ook heel belangrijk was dat het echt een ultimum remedium zou zijn. De vraag die wat onze fractie betreft vandaag centraal staat, is: is met dit onderhavige wetsvoorstel dit voornemen voldoende ingelost of niet? Daarbij kijkt mijn fractie naar de juridische situatie op papier, maar zeker ook naar de situatie in de dagdagelijkse praktijk.
Om tot een goed en weloverwogen oordeel te kunnen komen ben ik deze zomer drie keer op werkbezoek geweest. Ik ben in Detentiecentrum Rotterdam geweest, ik was in het complex op Schiphol en ik ben in de gezins- en jongerenlocatie in Zeist geweest. Het was heel waardevol om hiernaartoe te gaan. De betrokkenheid van de mensen die het werk doen, in heel ingewikkelde en complexe omstandigheden, verdient echt alle waardering.
Voorzitter. Hoe kijken wij aan tegen onderhavig wetsvoorstel? Ik zal zeggen, het was voor onze fractie geen gemakkelijke exercitie. We beraden ons nog steeds en het verloop van dit debat zal echt bepalend zijn voor ons eindoordeel. Die worsteling komt voort uit het feit dat we ons afvragen of vreemdelingenbewaring er in de praktijk voldoende op vooruit gaat qua ruimere vrijheden en een meer bestuursrechtelijke setting.
We zien dat de politieke context in de afgelopen dertien jaar behoorlijk is veranderd. Dat heeft ook weer impact op de inhoud van het wetsvoorstel en de novelle die we vandaag bespreken, net als alles wat daar nog aan toe is gevoegd; daar kom ik zo op terug. In plaats van meer humaniteit, zien we dat de pendule juist de andere kant op blijkt te gaan, ook in de samenleving. We zien dat empathie en solidariteit soms plaatsmaken voor verharding en voor wij-zijdenken, met als dieptepunt dat niet alleen de azc's worden bedreigd en geweld wordt aangedaan, maar ook de Nederlanders die hier wat van zeggen. De verharding zien we ook terug in het vreemdelingenbeleid.
De wet en de novelle die vandaag voorliggen, zijn een illustratie van het veranderende tijdsgewricht. Want wat hebben we zien gebeuren de afgelopen dertien jaar? We zien dat in 2015 een oorspronkelijk wetsvoorstel is ingediend dat best is veranderd. Vijf jaar na het oorspronkelijke wetsvoorstel werd er in 2020 een novelle toegevoegd, waardoor er restricties bij zijn gekomen. Weer later is de ongewenstverklaring geïntroduceerd. Dat gebeurde nadat de Asielnoodmaatregelenwet hier in dit huis sneuvelde. Ten slotte zijn er voor de zomer nog allerlei amendementen in gefietst. Die verbouwen de boel weer verder en betrekken er ook onderwerpen bij die eigenlijk helemaal niks met de oorspronkelijke wet te maken hebben. Zo'n lang, uitgerekt wetstraject, waarbij de basiswet eigenlijk vooral gebruikt wordt als een soort speldenkussen waar van alles op wordt geprikt, verdient wat onze fractie betreft absoluut geen schoonheidsprijs. Deelt de minister mijn kritiek op het verloop van dit lange wetstraject? Graag een reactie.
Dan ga ik het hebben over de inhoud. Ik start met het wetsvoorstel zoals dat in september 2015 werd ingediend bij de Tweede Kamer. Onze fractie vindt het belangrijk dat met het voorstel de beweging wordt gemaakt van het strafrechtelijke naar het bestuursrechtelijke kader. We vinden het ook belangrijk dat er naar alternatieven voor bewaring wordt gekeken, dat die ook nadrukkelijker worden verankerd en dat beter wordt geborgd dat detentie echt een laatste middel is dat kan worden ingezet. Deze beweging sluit ook aan bij het uiteindelijke doel van vreemdelingenbewaring, namelijk dat een vreemdeling beschikbaar wordt gehouden voor vertrek. Het is niks meer en ook niks minder dan dat. Vreemdelingen die hier zitten hebben niks strafrechtelijks gedaan wat niet oké is. Ze worden dus ook niet strafrechtelijk vervolgd. Daardoor is het strafrechtelijk kader dus ook niet passend. Het is voor onze fractie een principieel en daarmee ook een heel belangrijk punt dat dankzij dit wetsvoorstel juridisch een duidelijk onderscheid wordt gemaakt met de Penitentiaire beginselenwet. Een stem tegen de voorgestelde beweging zou de facto een stem zijn voor de status quo. De status quo is dat strafrechtelijke regime. Daar willen we juist vanaf.
Los van dit formele juridische aspect kijken we voor ons eindoordeel ook naar de praktijk: wat betekent de overgang naar het bestuursrecht materieel? In andere woorden: in hoeverre gaat het dagelijks leven van ingeslotenen er daadwerkelijk op vooruit onder het nieuwe gesternte? We zien dat daarop heel veel is ingeleverd in de loop van de jaren. Zo zijn er op meerdere momenten vrijheidsontnemende zaken toegevoegd. Ik denk bijvoorbeeld aan een lockdown van vier weken. Maar er zijn ook een aantal voorgestelde vrijheden weer teruggedraaid met amendementen. Dan denk ik bijvoorbeeld aan het gegeven dat je verplicht kan worden ingesloten op het moment dat je niet meedoet aan een dagprogramma. Om de vraag te beantwoorden of er onderaan de streep voldoende overblijft van de belofte om vreemdelingendetentie humaner te maken, is het zinvol om stil te staan bij de twee verschillende regimes die worden onderscheiden met deze wet, namelijk het verblijfsregime en het beheersregime.
De heer Lievense i (BBB):
Ik zat nog heel even terug te denken aan de tekst. Inderdaad, een vreemdeling is op dit moment nog niet illegaal. Dat is niet strafbaar. Dat hoorde ik u ook uitleggen. Nu is er wetgeving op gang gekomen waarmee dat eventueel wel strafbaar wordt. Dat is het nu niet, dus uw verhaal klopt. Maar als het wel strafbaar zou zijn, hoe kijkt uw fractie daar dan tegenaan?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Als er sprake is van strafbare feiten, dan hebben we daar het strafrecht voor. Dat is ook de route die dan bewandeld moet worden. Maar we vinden dat het vreemdelingenrecht niet de juiste route is voor het strafrecht.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Lievense.
De heer Lievense (BBB):
Dat is ook gelijk de laatste vraag, over de route die we nu bewandelen. Hadden we volgens uw fractie eerst de discussie moeten voeren over het strafbaar stellen en dan pas over deze wet? Is dat wat u aangeeft?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Het debat dat er een halfjaar geleden is geweest — ik verwees er al naar — ging echt over de Asielnoodmaatregelenwet en de strafbaarstelling van illegaliteit. Daar waren wij op tegen. Wij vinden namelijk dat mensen per definitie niet illegaal zijn. Wij vinden wel dat er bij mensen die hier komen een goed proces moet voorliggen dat ze doorlopen. Als aan het einde van de rit blijkt dat mensen mogen blijven, dan ontvangen we ze en zorgen we ervoor dat ze snel kunnen meedoen. Als blijkt dat ze niet mogen blijven, dan is terugkeer de oplossing. Wij weten ook dat terugkeer vooral succesvol is op het moment dat dat vrijwillig gebeurt. Dat is veel succesvoller dan gedwongen terugkeer. Daar kan veel beter op worden ingezet. Maar wij zijn tegen het strafbaar stellen van illegaliteit. Sterker nog, er zijn ook heel veel mensen die niet terug kúnnen, omdat bijvoorbeeld de landen van herkomst niet meewerken. Mensen die dan dus ook in limbo raken, zouden wij nooit strafbaar willen stellen. Dat gaat misschien ook over de ongewenstverklaringen, maar daar kom ik zo meteen op in mijn spreektekst.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Thijssen (PRO):
We zien dat vreemdelingen over de hele linie meer vrijheden krijgen in het vrijheidsregime dan binnen de huidige wet. Denk bijvoorbeeld aan verbeteringen zoals de inrichting van een familiekamer, ruimer internet- en telefoongebruik, meer luchttijd, borging van vrije beweging en verblijf in gezamenlijke ruimtes om bijvoorbeeld samen te kunnen eten en samen tv te kunnen kijken. Ook lichamelijk onderzoek wordt, in ieder geval op papier, beperkt en de toegang tot rechtsbijstand wordt geborgd. Tegelijkertijd zien we dat het beheersregime in de praktijk nog altijd heel veel weg heeft van het bestaande strafrechtelijke regime. Ook de Raad van State concludeert dat met het voorstel "vreemdelingenbewaring op sommige punten nog is geënt op de huidige praktijk, waarbij de inrichting en het regime een penitentiair karakter heeft". Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de huisvesting. Zo stelt de Raad van State: "Er wordt onvoldoende duidelijk waarom het voorstel de mogelijkheid openhoudt om een inrichting voor vreemdelingenbewaring te huisvesten in een complex of gebouw dat tevens dienst doet als penitentiaire inrichting."
Wat voor ons dus niet helpt, is dat er enkele amendementen zijn ingebracht en aangenomen die een aantal voorgestelde vrijheden weer willen inperken. Ik denk dan bijvoorbeeld aan een langere duur van de insluiting binnen het verblijfsregime, van twaalf naar vijftien uur, maar ook aan het schrappen van de beklagmogelijkheid bij een lockdown. Het moge duidelijk zijn dat dit soort amendementen afbreuk doen aan het oorspronkelijke doel van de wet, en dat plaatst onze fractie voor een dilemma.
Als we verder in het proces kijken, namelijk ook naar de novelle die is ingediend, dan wordt dat dilemma verder versterkt. Die novelle kwam er, nadat de Eerste Kamer zich hier in 2019 liet informeren tijdens een deskundigenbijeenkomst, waarbij experts heel wat kanttekeningen plaatsten bij het wetsvoorstel. Aan de ene kant werd namelijk gezegd dat het bestuursrechtelijke kader beter tot uitdrukking kon komen, de mogelijkheden voor zinvolle dagbesteding beperkt bleven, arbeid zelfs expliciet was uitgesloten en er ook simpelweg te weinig rust was en te weinig privacy. De borging van het ultimum remedium kon ook beter. De uitwerking van alternatieve vormen van bewaring kon concreter.
Aan de andere kant was er toen ook een directeur aanwezig van een detentiecentrum die pleitte voor de mogelijkheid van een lockdown. Er werd namelijk geconstateerd — en ik heb dat ook ervaren toen ik daar was — dat de sfeer vaker grimmig kan zijn, zelfs ook met agressie tegen medewerkers. Daarbij kwam het zelfs voor dat mensen gewond raakten. Maar wat mijn fractie vervolgens wonderlijk vindt, is dat de novelle vooral bedoeld was om die lockdown mogelijk te maken, terwijl er met de andere kritiekpunten van de experts — dat het bestuursrechtelijke karakter onvoldoende tot uitdrukking kwam — helemaal niets is gedaan. Daarom wil ik van de minister weten hoe hij dit verklaart. Waarom is die novelle aangegrepen om wel de lockdown te introduceren, maar niet om opnieuw scherp te kijken naar het vrijheidsregime en de vrijheden die er worden toegekend in het bestuursrechtelijke kader?
Onze fractie snapt best dat er situaties denkbaar zijn waarin een hele of een gedeeltelijke lockdown aan het einde van een escalatieladder een mogelijkheid is. Echter, de maximale duur van vier weken is buiten proportie. De Raad van State spreekt van een maximale duur van enkele dagen. Wij betreuren het zeer dat het amendement dat hierover aan de overkant is ingediend door collega Westerveld, om die lockdownmogelijkheid terug te brengen naar maximaal een week, het niet heeft gehaald.
Een grote zorg die wij hebben, is dat personeelsschaarste er in de praktijk toe kan leiden dat vaker tot een lockdown overgegaan kan worden. Ik lees in de Handelingen van het debat in de Tweede Kamer dat de minister heeft gezegd dat personeelstekorten geen wettelijke grond zijn om over te gaan tot een lockdown, dus dat is mooi. Ook lees ik dat de minister erop vertrouwt dat het in de uitvoering dan ook op een goede manier wordt toegepast. Ik heb wel een concrete vraag aan de minister hierover. Wil hij de inspectie verzoeken om, na de verplichting om tot melding over te gaan, te onderzoeken of personeelsschaarste hieraan niet toch — misschien wel indirect of impliciet — ten grondslag heeft gelegen? Ik zou hem ook willen vragen of hij het aantal lockdowns wil laten monitoren, zodat dit ook terugkomt in de verslaglegging van de inspectie.
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
Mevrouw Thijssen neemt haar rol altijd heel serieus, nu ook, met haar werkbezoek aan een instelling. Heel goed. Daar gaat ook mijn vraag over. Als je namelijk naar plekken gaat waar vreemdelingen zijn ingesloten, dan hoor je ook dat zo'n lockdown ook voor een inrichting heel onhandig is. Geen inrichting zal een lockdown langer laten duren dan strikt noodzakelijk, want dat is in de praktijk bijna niet uitvoerbaar. Dan vraag ik toch aan mevrouw Thijssen of zij ook zelf deze vraag heeft gesteld. Het is namelijk op papier misschien een angst, maar als u in een inrichting kijkt hoe men werkt, dan weet je dat een lockdown nooit langer zal duren dan echt strikt noodzakelijk.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Klopt, ik heb dat gesprek gevoerd. Dat was ook heel prettig om te voeren. Er werd aangegeven dat in een jaar tijd een aantal keren tot een lockdown wordt overgegaan, en dat dat ook het einde van een escalatieladder is. Ik zie dat daar ook met zorgvuldigheid naar wordt gekeken in de huidige praktijk. Vervolgens wordt ook snel weer gekeken hoe het weer afgebouwd kan worden. Dat heb ik allemaal gezien. Mijn punt van zorg zit 'm in de maximale termijn van vier weken. Dat kwam tot nu toe niet voor, omdat het niet nodig is. Wat heel belangrijk is — dat weet u denk ik ook — is dat de directeur, in dit geval, heel veel vrijheden krijgt om dit te kunnen toepassen. Wij zoeken naar iets meer waarborgen, zodat er bijvoorbeeld geen willekeur plaatsvindt. Er zal daar maar net een directeur met andere bedoelingen komen; dat is heel kwetsbaar. We snappen een lockdown, maar vier weken is veel te lang — één week was ook goed geweest — en we vinden het zeer kwetsbaar dat het besluit voor zo'n ingrijpende maatregel in handen ligt van één persoon.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Van Toorenburg.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik denk dat het belangrijk is om dit er even uit te lichten. We hebben een wetsvoorstel voor ons liggen waarin een mogelijkheid wordt geboden. Wij zijn als Kamer gehouden om te kijken hoe iets uitwerkt. We zien dat instellingen het nooit langer zullen laten duren dan strikt noodzakelijk is. In mijn eigen inbreng zal ik met name op de waarborgen ingaan. Ik vind het wel belangrijk om dit er even uit te lichten, omdat er soms een beeld ontstaat dat er de meest draconische dingen kunnen gebeuren, terwijl men in de uitvoering ziet dat een lockdown nooit langer duurt dan strikt noodzakelijk.
De heer Janssen i (SP):
Even een korte verhelderende vraag aan mevrouw Thijssen. Is mevrouw Thijssen op zoek naar juridische waarborgen voor zo'n lockdown, smaller dan nu verwoord is in wat nu voorligt, en anders dan dat in de praktijk blijkt dat het onhandig is, er te weinig mensen zijn, er te weinig plek is et cetera? Is mevrouw Thijssen het met mij eens dat we uit moeten gaan van een feitelijke situatie waarin er wél voldoende mensen zijn en wél voldoende capaciteit is et cetera, en dat die juridische situatie beperkt moet worden, anders dan dat er te weinig praktische mogelijkheden zijn?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Beide. De huidige praktijk bepaalt natuurlijk ook de inzet van zo'n middel. Ik denk dat het goed is om dit debat straks bij de minister te gebruiken om vragen te kunnen stellen over wat de begrenzing is van de toepassing ervan, dus onder welke omstandigheden het juridisch geoorloofd is en wanneer we vinden dat er andere zaken ingezet zouden moeten worden. Ik zou dit debat daar graag straks bij de minister voor willen gebruiken. Ik hoop de SP-collega dan aan mijn zijde te vinden.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Janssen.
De heer Janssen (SP):
Ik denk dat wij het eens zijn over het feit dat de juridische begrenzingen goed vastgelegd moeten zijn, anders dan de praktische toevallige omstandigheden van te weinig capaciteit of te weinig plek.
De heer Schalk i (SGP):
Ik ga ook nog even door op deze thematiek. Mevrouw Thijssen geeft aan dat een directeur heel veel bewegingsvrijheid heeft om zo'n lockdown in te stellen, maar heeft zij met mij geconstateerd dat er een meldingsplicht is rondom de lockdown en dat die plicht misschien wel het begrenzende element is waar ze naar op zoek is? Daardoor zal een directeur namelijk niet zomaar in het wilde weg — dat zullen ze trouwens nooit doen — lockdowns herhalen dan wel een hele lange lockdown afkondigen, omdat er via de meldingsplicht meegekeken wordt. Is dat niet een voldoende waarborg?
Mevrouw Thijssen (PRO):
We zijn er ontzettend blij mee dat die meldplicht erin is gekomen dankzij het amendement-Westerveld. Mijn vraag die ik aan de minister stelde, gaat erover dat we dan via het inspectierapport ook meer informatie krijgen over de meldingen die gedaan worden en dat vervolgens onderzocht wordt wat eraan ten grondslag heeft gelegen. Ik probeer vandaag die meldplicht ook nog iets verder in te vullen en uit te werken, om wat meer comfort te krijgen bij de werking die de heer Schalk voorstelt.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Schalk.
De heer Schalk (SGP):
Dank voor dit antwoord. Het gaat er mij niet om dat ik iets wil toevoegen; ik wil eigenlijk iets tegenwerpen. Ik had de indruk dat mevrouw Thijssen nog op zoek was naar zo'n meldingsplicht of naar een instrument om ervoor te zorgen dat zo'n lockdown niet vrijblijvend ingezet kan worden. De directeur heeft heel veel mogelijkheden, maar niet de mogelijkheid om uit zichzelf en alleen te bepalen of er een lockdown komt. Hij moet dit immers melden. Dat wil ik klip-en-klaar maken.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Daar zijn wij ons zeker van bewust. Wat we wel een kwetsbaarheid vinden in de huidige constellatie, is dat er geen beklagmogelijkheid is. De lockdown kan worden toegepast, vervolgens is er een meldplicht en dan kan daar later, als de lockdown al geweest is, naar gehandeld worden, maar dan is het kwaad eigenlijk al geschied. Wij vinden het heel spijtig dat de beklagmogelijkheid die er aanvankelijk wel was, niet meer mogelijk is voor de mensen die het betreft. Dat is dus weer een vermindering van de waarborgen.
Voorzitter. Ik constateerde net al dat na de deskundigenbijeenkomst wel werk is gemaakt van de lockdown, maar dus niet van de punten die het bestuursrechtelijke regime zouden versterken. Een van de punten die naar voren kwamen, zowel in de deskundigenbijeenkomst als in het werkbezoek waar ik was, is dat de mogelijkheden voor zinvolle dagbesteding best beperkt zijn. Dat is heel zonde, want, zo werd ons verteld, mogelijkheden voor zinvolle dagbesteding dienen eigenlijk meerdere doelen, namelijk rust in de instelling en daardoor ook meer veiligheid voor de mensen die dit ingewikkelde werk moeten doen, maar zeker ook een succesvolle terugkeer en een meewerkhouding en meewerkstand. Dus mijn vraag aan de minister is of hij de analyse deelt dat meer mogelijkheden voor zinvolle dagbesteding een win-winsituatie is en, zo ja, of hij mogelijkheden ziet om hier meer in te kunnen voorzien. De bestaande praktijk wordt namelijk als te beknellend en te weinig ervaren. Ik overweeg een motie op dit punt.
Het bleef niet bij de novelle alleen. Ik zei in het begin van mijn betoog al dat de wet ook is gebruikt als een speldenkussen waar van alles op is geprikt. Een van die punten is de ongewenstverklaring en daar heb ik een aantal vragen over. Die gaan over de doeltreffendheid, de proportionaliteit, de effectiviteit en de uitvoerbaarheid van deze maatregel. Allereerst de doeltreffendheid. Erkent de minister dat met de ongewenstverklaring een stap wordt gezet waarbij vreemdelingen sneller onder het strafrecht komen te vallen, wat dus eigenlijk ingaat tegen het doel van de wet die nu voorligt, namelijk de beweging van het strafrecht naar het bestuursrecht? Mijn tweede vraag gaat over proportionaliteit. Kan de minister onderbouwen of er ten opzichte van het inreisverbod een duidelijke meerwaarde is van deze maatregel? Wat zegt het geringe aantal personen, namelijk 800 tot 1.200, om wie dit gaat over de proportionaliteit van deze maatregel? De derde vraag gaat over effectiviteit. Klopt het dat de ongewenstverklaring niet bewezen effectief is, maar dat de maatregel rust op de veronderstelling dat die ervoor zorgt dat iemand gaat vertrekken? Kan het zelfs niet contraproductief werken, zou ik willen weten, omdat mensen juist verder buiten beeld gaan raken met deze maatregel? En dan de uitvoerbaarheid. Erkent de minister dat de introductie van de ongewenstverklaring voor verdere complexiteit zorgt binnen het toch al zo ontzettend complex gemaakte stelsel van terugkeer? Tijdens mijn werkbezoek aan Schiphol, gaven de verschillende ketenpartijen die aanwezig waren aan: laat ons nou gewoon ons werk doen met wat er ligt en kom nou niet weer met nieuwe maatregelen; het is al complex genoeg en we hebben onze handen al vol aan alles aan wat ons afkomt. Graag een reactie.
Ik kom tot mijn afronding, voorzitter. Ik wil nog heel graag stilstaan bij een amendement dat is aangenomen op de novelle, namelijk een meeliftamendement. We zijn überhaupt kritisch op het feit dat het amendement op deze novelle is geprikt, want hiermee wordt de Vreemdelingenwet 2000 gewijzigd en niet de wet waar we het eigenlijk over moeten hebben vandaag. Het gaat hier over het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen. Een dwangsom is niet bedoeld als een sanctie achteraf, maar als een middel om voortvarende besluitvorming te bevorderen. Dat zegt ook de rechtbank in Den Haag in een uitspraak van 2020. In het vastgelopen systeem worden beslistermijnen vaak niet gehaald. Dat weten we. En ja, daar wordt ook misbruik van gemaakt; dat weten we ook. Onze oproep is: pak de oorzaken aan, maar niet de symptomen. Duidelijk mag zijn dat onze fractie geen voorstander is van afschaffing van de rechterlijke dwangsom. Dit gaat namelijk ten koste van de rechtsbescherming, maar het neemt ook de druk op het systeem weg om die beslistermijnen te halen. Waar kan een vreemdeling straks nog zijn recht halen als de overheid zich niet aan de beslistermijnen houdt?
In november 2022 stelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken in strijd is met het Unierecht. De Raad van State verklaarde dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND daarom onverbindend. Denkt de minister dat dit besluit stand houdt bij de rechter in het geval dat er rechterlijke procedures worden opgestart en, zo ja, op basis waarvan? Mijn tweede vraag. Ik zou graag van de minister willen horen of hij de afwegingen van zijn collega van Sociale Zaken deelt. Hij maakt namelijk een terugtrekkende beweging op dit punt. Hij denkt eraan om af te zien van het afschaffen van dwangsommen voor het UWV. In hoeverre mogen onderdanen de dupe worden van het falen van de overheid, wil ik weten. Mijn derde vraag is: als het afschaffen van dwangsommen zich gaat beperken tot vreemdelingen, accepteren we dan dat er een ander regime geldt voor vreemdelingen? Hoe verhoudt dit zich dan tot artikel 1 van de Grondwet? Ik wil ten slotte weten of de minister wil voorzien in een evaluatie van de afschaffing van de rechterlijke dwangsommen, als deze het toch gaat halen.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Namens PRO wordt er vandaag kritisch gekeken naar het afschaffen van de dwangsommen. Dat snap ik ook wel. We hebben met elkaar volgens mij namelijk één ding voor ogen: die procedures moeten sneller. Maar die kritiek begon eigenlijk met de zin dat een bepaalde maatregel een doel moet dienen. Moeten we niet met elkaar constateren dat de dwangsom, om snelheid te krijgen in het proces, dat doel helemaal niet dient?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Het doel van de dwangsom is ook dat het een drukmiddel is zodat de overheid de beslistermijnen haalt. Eenvoudigere regels zijn nodig voor de overheid om de beslistermijnen te halen en niet iedere keer weer wetgeving op wetgeving stapelen, al helemaal niet in het tempo waarin dat nu gebeurt. Dat lezen we ook terug in het rapport van de Algemene Rekenkamer. Wat we ook in het rapport van de Algemene Rekenkamer lezen, is dat de IND onvoldoende stuurt op de mogelijkheden die er zijn om sneller tot beslissingen te komen. Er is dus heel veel mogelijk. Wij zeggen: ga dat allemaal doen, maar zorg er niet voor dat het kind met het badwater wordt weggegooid en dat het laatste drukmiddel dat er nu nog is, ook uit handen wordt genomen.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Wat ik hoor, is een beetje tegenstrijdig, want het is een drukmiddel voor de overheid om vaart te maken. Wij zien dat dat drukmiddel niet werkt. Miljoenen gaan weg uit het systeem van de IND. Die gaan naar individuen die vinden dat ze te lang hebben gewacht. Dat vinden wij verschrikkelijk; daar moet wat aan gedaan worden. Maar is het dan niet juist verkeerd om die miljoenen bij de IND weg te halen? Wij zien liever dat die miljoenen worden geïnvesteerd om ervoor te zorgen, in het belang van iedereen, van alle vreemdelingen en de samenleving, dat die termijnen wel worden gehaald. Ik vraag eigenlijk concreet het volgende. Ja, we zijn het eens over het feit dat het allemaal te lang duurt, maar is dit instrument niet juist vertragend omdat het geld kost bij de IND, waardoor minder mensen het werk kunnen doen?
Mevrouw Thijssen (PRO):
We weten dat er bij de IND sprake is van ondercapaciteit en onderfinanciering. We waren heel blij dat in dit huis … Ik kijk naar mevrouw Huizinga, want zij heeft ervoor gezorgd dat er meer geld beschikbaar zou moeten komen voor de IND om het werk te kunnen doen. Ik zou ook aan de minister willen vragen: hoe staat het met de uitvoering van die motie? Als het over geld gaat: zorg ervoor dat de IND voldoende capaciteit heeft, voldoende op sterkte is en alle werkvoorraden zou kunnen wegwerken. Als dat allemaal gebeurt, besparen we de miljoenen die nu worden uitgegeven aan de rechterlijke dwangsommen, die dan dus niet nodig zouden zijn. Dat is mijn antwoord.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van Toorenburg.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Het is geen antwoord op mijn vraag. Ik vroeg naar het verdrietige gegeven dat er heel veel extra geld bij de IND wordt weggehaald. Dat wil mevrouw Huizinga niet. Wij hebben eerder samen met D66 een motie ingediend in de Tweede Kamer om ervoor te zorgen dat de IND beter en stabieler wordt gefinancierd. Maar het weghalen van het geld bij de IND en dat naar individuen laten gaan, ondermijnt juist het systeem, is de stelling van het CDA. Als je ervoor zorgt dat al dat geld in het systeem blijft, zijn niet alleen de vreemdelingen daarbij gebaat, maar onze hele samenleving.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Mijn fractie vindt dwangsommen in de eerste plaats weggegooid geld, dat in de verkeerde handen komt. Mijn vraag is de volgende. Wij zijn voor het afschaffen van de dwangsom, maar vinden wel dat, gegeven de uitspraak van de rechter destijds dat er een effectief middel moet zijn om te zorgen dat er gebeurt wat er moet gebeuren, er gekeken moet worden hoe een rechter, als hij een besluit neemt, zeker kan weten dat er een rechtsmiddel komt in de plaats van dwangsommen om die uitspraak te laten naleven. Daarbij zal het nodig zijn — ik sluit aan bij mevrouw Van Toorenburg — dat er voldoende capaciteit is voor de IND en dat al het geld dat we nu weggooien, beter gebruikt wordt voor een betere uitvoering van de rechten die er zijn, zodat rechterlijke uitspraken ook kunnen worden nageleefd.
De voorzitter:
En de vraag aan mevrouw Thijssen is: bent u het met mij eens?
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ja.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Sowieso ben ik het niet eens met wat er gesteld wordt, namelijk dat het het weggooien van geld is. Het gaat hier ook om de rechtsbescherming van mensen. Het zijn mensen die in een kwetsbare positie zitten, die in afwachting zijn en die zelf ook gebaat zijn bij snelle procedures en eerder duidelijkheid krijgen. Op het moment dat dit niet geboden wordt, hoort de overheid daarin tegemoet te komen. We zien dat niet als weggegooid geld. Wij zien dat als bescherming in een democratische rechtsstaat.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Kijk, je kunt uitvoerig discussiëren over dwangsommen. U haalt de minister van Sociale Zaken aan, en dwangsommen in het algemeen. Die bestaan ook bij belastingen; ik weet er alles van. Maar het gaat erom hoe iets uit de hand kan lopen. Laat ik het anders zeggen. Als het nou nog beperkte dwangsommen zouden zijn met een maximum, maar er gaan tienduizenden euro's naar bepaalde individuen, zonder dat dat tot iets leidt, behalve dan dat het vaak ook in verkeerde zakken komt en ook nog kan worden gebruikt om weer rechtszaken tegen de overheid te beginnen. Dit systeem is uit de hand gelopen, is dolgedraaid. Het is heel hard nodig dat er een eind aan komt. Wij zijn wel voor rechterlijke middelen om rechterlijke uitspraken te laten naleven. Als de dwangsommen verdwijnen, moeten we daar aandacht aan geven. Ik kom daar straks in het debat uitvoerig op terug. Maar bent u het daar niet mee eens? Ik zal die vraag even duidelijk stellen.
De voorzitter:
Ja, dat is een heel heldere vraag.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ik denk dat wij het niet helemaal eens zijn. Ik ben ook benieuwd waar u dan straks mee gaat komen, wat er dan tegenover wordt geplaatst als dit gaat verdwijnen. Wij zien ook dat er ook misbruik van gemaakt kan worden. Dat heb ik ook net gezegd in mijn inbreng. Daar zijn wij ook tegen. Maar het is niet zo dat het principe van de dwangsom alleen maar misbruik is. Dus alle verdachtmakingen daaromtrent werpen wij van ons af. Wij geloven erin dat ze een functie hebben en dat het doel overeind moet blijven. Als het problemen geeft, zoals nu het geval is — daar lopen wij ook niet voor weg — moeten die problemen worden opgelost. Maar dat is niet het wegnemen van een symptoom. Dat is het hele systeem weer laten functioneren. En daar schort het nu aan.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Van Rooijen.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ik heb zelf het woord "misbruik" ook niet genoemd. Dat even voor alle duidelijkheid. Maar erkent u dat het middel van de dwangsommen niet geschikt is voor het doel dat we willen bereiken? Mevrouw Van Toorenburg gaf dat ook al aan. Ik stel even duidelijk die vraag.
De voorzitter:
Tot slot op dit punt, mevrouw Thijssen. Ik nodig u uit om compact te reageren.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ik doe mijn best. Er zijn twee doelen, één, rechtsbescherming en twee, een drukmiddel. In de manier waarop de dwangsom in principe is vormgegeven, voldoet die aan beide doelen. Daarom willen wij er niet vanaf. Als het nu niet werkt, omdat de hele asielketen vastloopt en de procedures worden overschreden, dan moet je daar wat aan doen.
De heer Schalk (SGP):
Omdat ik door wil op de dwangsommen, mag ik van de heer Nicolaï voor. U vindt het ook goed, voorzitter, dus dat is bijzonder. Ik heb nog een vraag over de dwangsommen. We weten dat er in 2024 36,8 miljoen aan besteed werd. In 2025 was dat 79 miljoen. Dit jaar is er 377 miljoen voor gereserveerd. Dat zijn astronomische bedragen. Ik begrijp dat mevrouw Thijssen er zorgen over heeft en denkt: moet het wel afgeschaft worden? Maar de formulering en de bewoordingen doen er echt toe. Ik heb haar een paar keer horen zeggen dat de rechtsbescherming wordt aangetast door het wegnemen van de dwangsommen. Maar dat zie ik niet. De dwangsommen zijn een prikkel voor de overheid, of in dit geval voor de IND, maar de rechtsbescherming van degene die klaagt, wordt niet aangetast door het wegnemen van de dwangsommen. Is mevrouw Thijssen dat met mij eens?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Nee, daar ben ik het niet mee eens, omdat dit een van de weinige middelen is die een vreemdeling heeft om in verweer te kunnen komen. Dus één, daar ben ik het niet mee eens. Twee, een ander punt dat ik maakte, een principiëler punt, is dat we straks misschien in een situatie terecht gaan komen waarin bepaalde mensen in Nederland, onderdanen in Nederland, dit rechtsmiddel wel hebben, en anderen, namelijk vreemdelingen die onderdaan zijn van Nederland, dat niet meer hebben. Dan is er ook sprake van rechtsongelijkheid en daarom zou ik straks ook graag van de minister willen weten of hij wil bezien hoe dit amendement zich verhoudt tot artikel 1 van de Grondwet. Daarom ben ik ook heel benieuwd hoe dit voorstel gezien moet worden na de uitspraak van de Raad van State, die had gezegd dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen bij de IND onverbindend werd verklaard.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Schalk.
De heer Schalk (SGP):
Nog preciezer: mevrouw Thijssen zegt nu dat de dwangsom een rechtsmiddel is, maar dat is natuurlijk niet aan de orde. Het rechtsmiddel is dat iemand die het niet eens is met de beslissing, zich kan wenden tot de rechter en tot alle instanties die keurig netjes in onze wet zijn geregeld, maar dat we bijvoorbeeld de IND hebben gedwongen om sneller te handelen, terwijl die dwangsom uiteindelijk leidde tot langzamer handelen. Het komt dus niet tot z'n doel, maar de rechtsbescherming wordt niet aangetast, want de persoon in kwestie krijgt er dan weliswaar geen geld meer voor, maar heeft nog alle middelen ter beschikking. Is mevrouw Thijssen het daarmee eens?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ik wil vooral even ingaan op het punt over dat langzamer handelen, want ik vind dat we precies moeten zijn in de analyse. De reden waarom er langzaam gehandeld wordt, is niet zozeer die dwangsom. Dat kan iets van een factor zijn, maar de redenen waarom die beslistermijnen niet worden gehaald, zijn veel complexer en ingewikkelder. Dat zegt de Algemene Rekenkamer ook. Ik wil dus al niet meegaan in het beeld dat er bestaat dat het allemaal vastloopt vanwege die rechterlijke dwangsommen, want dat is niet zo.
De voorzitter:
Tot slot de heer Schalk.
De heer Schalk (SGP):
Nee, dat ben ik natuurlijk weer eens met mevrouw Thijssen, want die rechterlijke dwangsommen zijn niet het probleem. Die zijn er bijgevoegd om de instanties sneller te gaan laten werken. Maar dat doet niets af aan de rechtsbescherming van de persoon die zich kan beroepen op van alles en nog wat. Daar heeft mevrouw Thijssen nog niet op geantwoord. Er wordt niets afgepakt van de rechtsbescherming van de persoon in kwestie. Het enige is dat z'n zakken niet gevuld worden.
De voorzitter:
Mevrouw Thijssen, wilt u op dat laatste punt nog ingaan?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ja. Wij zien dat dus anders. Dat heb ik net uitgelegd. En ik ben het wel eens met de heer Schalk dat dit in het systeem dat nu dus niet werkt, ook niet de uitwerking heeft die wij wensen. Daarom zeg ik ook: pak nou het systeem aan, in plaats van dit middel. Zorg ervoor dat het probleem wordt opgelost, in plaats van het symptoom weg te nemen.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Ik was niet van plan om over de dwangsommen te beginnen, maar wat de heer Schalk net zei, daagt mij toch uit om daarop in te gaan. Ik had ook nog een andere vraag aan mevrouw Thijssen. Wat alle voorgaande sprekers niet zien en niet bespreken, is dat er wel degelijk een rechtsmiddel verdwijnt. De heer Schalk zegt: nee, die vreemdeling kan gewoon naar de rechter en kan alles nog aanvoeren en kan voor z'n rechten opkomen. Maar het gaat om de bescherming niet van die vreemdeling, maar om de bescherming van het récht. Het gaat eigenlijk om de bescherming van de rechtér. Wat doet de rechter? Die luistert, die bespreekt in de zitting de mogelijkheden die de IND ziet voor beslissingen, termijnen enzovoort. En die bepaalt op een gegeven moment een termijn waarbinnen de overheid moet beslissen. Maar, en zo staat het ook in de uitspraak van de Raad van State en zo vloeit het ook voort uit artikel 47 van het EU-Handvest: als de rechter geen middelen heeft om zijn uitspraak te laten uitvoeren, dan wordt het recht verkracht, zeg ik tegen de heer Schalk en al die anderen. Dat is de essentie van waar het vandaag over gaat. Dat is één. Twee. Deze vreemdelingen wordt een recht ontzegd dat alle anderen in Nederland blijft toekomen. Daar hoor ik de voorgaande sprekers ook niet over. Ten derde.
De voorzitter:
Meneer Nicolaï, gaat u wel komen tot een vraag aan mevrouw Thijssen? Anders begint uw eerste termijn.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ja. Ik ga afsluiten met de beroemde vraag van de heer Van Rooijen: bent u het daarmee eens?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Daar kan ik heel kort over zijn: hier ben ik het zeker mee eens! Dank u wel, meneer Nicolaï.
De heer Nicolaï (PvdD):
Laat ik anders zeggen: als mevrouw Thijssen op deze punten even zou willen ingaan.
De voorzitter:
Dat gaan we vragen aan mevrouw Thijssen. Dan komt daarna heel even meneer Schalk voor een hele korte vraag; anders gaan we een hele wonderlijke interruptiecyclus in. Mevrouw Thijssen, wilt u ingaan op de minstens drieënhalve opmerking van collega Nicolaï?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ik vind het een mooi betoog; ik deel dat. Ik heb die verschillende punten in mijn inbreng net ook aangereikt en aangestipt. Ik denk dat wij de handen kunnen schudden.
De heer Nicolaï (PvdD):
Dan had ik nog een korte vraag die ik aanvankelijk alleen wilde stellen. Ik hoorde mevrouw Thijssen …
De voorzitter:
Meneer Nicolaï, één moment. Dit gaat over een ander onderwerp. Ik geef heel kort even meneer Schalk het woord, want hij werd persoonlijk aangesproken. Hij mag even reageren. Daarna gaan we door.
De heer Schalk (SGP):
Voorzitter, dank daarvoor. Het gaat er nu niet over om een discussie met meneer Nicolaï te starten maar wel om even recht te zetten wat ik heb bedoeld te zeggen. Natuurlijk kun je dwangsommen zien als een rechtsmiddel, maar waar het wat mij betreft om ging, is dat de rechtsbescherming niet aangetast wordt, dus de rechterlijke mogelijkheden die iemand heeft om zijn beklag te doen of wat dan ook. Wat mij betreft is op dit moment daarmee voldoende gereageerd op de opmerking van meneer Nicolaï richting mij.
De voorzitter:
Dat idee heb ik ook. Dan gaan we nog even naar de laatste vraag van de heer Nicolaï.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Voorzitter.
De voorzitter:
Is het op dit punt, meneer Van Rooijen?
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ja, voorzitter, net als collega Schalk.
De voorzitter:
Oké. Kort graag.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ik maak bezwaar tegen de opmerking van collega Nicolaï dat degenen die over de dwangsom een mening hebben, daarmee de rechten verkrachten. Ik maak daar bezwaar tegen. Ik heb daarnet aangegeven, en ik kom daar straks nog op terug, dat dat middel van die dwangsom, dat geld, straks weg is. In Europa is het ook niet verplicht om een dwangsom te regelen. Ons punt is: als die dwangsommen verdwijnen, dan moeten we kijken welk ander middel er komt om zeker te stellen dat de rechterlijke uitspraak ook wordt nageleefd. Daar kom ik straks op terug.
De voorzitter:
Daar gaan we straks allemaal op terugkomen. De heer Nicolaï gaat daar nu ook niet op reageren, maar stelt zijn laatste vraag.
De heer Nicolaï (PvdD):
Excuses aan de heer Van Rooijen. Hij had gezegd: het recht wordt niet verkracht als er een ander middel is. Alleen, in mijn optiek is dat andere middel er op dit moment niet. De heer Schalk ziet allerlei middelen die ik niet zie.
Ik had een vraag aan mevrouw Thijssen. Zij is uitgebreid ingegaan op de kwestie van het regime, de rechtsstatelijkheid enzovoort. Ik kwam iets tegen en ik ben benieuwd wat mevrouw Thijssen daarover naar voren zou willen brengen, wellicht in de tweede termijn. In artikel 22, tweede lid, wordt een bevoegdheid gegeven om een ministeriële regeling vast te stellen, waarbij de minister — let wel — voor twee maanden een aparte regeling kan treffen waarbij afwijking plaatsvindt van de bewegingsvrijheid, het recht op bezoek, de toegang tot dagbesteding en de duur van de insluiting. Hij kan die tweemaandentermijn iedere keer weer verlengen. Hoe rechtsstatelijk vinden we dat? Hoe vindt PRO dat daarop gereageerd moet worden?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ik ben heel blij met deze vraag, want ik heb dat inderdaad niet aan mijn spreektekst toegevoegd. Dit is wel een punt waar onze fractie over struikelt bij het eindoordeel over deze wet. De vrijheden die de heer Nicolaï noemt, zorgen er juist voor dat de bewegingsvrijheid, ook materieel, dus het feit dat je je kunt bewegen en niet zo lang ingesloten hoeft te zitten et cetera, wordt ingewilligd en dat het meer een bestuursrechtelijk karakter heeft. In de huidige wet die nu voorligt, wordt door drie artikelen, in drie plekken in de wet — ik weet ze niet uit mijn hoofd — een mogelijkheid gecreëerd om die vrijheden weer uit te zonderen. Dat kan met een ministeriële regeling geëffectueerd worden. Daar zijn we heel kritisch op, dus daarom maak ik ook van mijn beantwoording graag gebruik om me even tot de minister te wenden. Wat zijn wat de minister betreft goede waarborgen om dit te kunnen toepassen? Dus welke redenen zijn er, welke omstandigheden moeten er zijn, om gebruik te maken van deze bevoegdheid via die ministeriële regeling? Dat is één. En twee: ik ben ook heel erg benieuwd wat dit nou eigenlijk toevoegt, deze uitzonderingsbepaling — laat ik het even zo noemen — van twee maanden die ook continu verlengd kan worden, ten opzichte van de lockdown die we al hebben. Ik zie de relevantie van deze drie artikelen niet zo goed.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Nicolaï.
De heer Nicolaï (PvdD):
Het gebeurt bij niet bij AMvB, dus de Raad van State wordt er niet over geraadpleegd, de Kamers worden er niet over geraadpleegd. Mijn vraag is dan hoe PRO daartegenover staat.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ik ben heel blij. Ik kreeg de artikelen voor mij geschoven. Het gaat om de artikelen 22, 36 en 43; dat dat duidelijk is. Wij vinden dat een te grote bevoegdheid om via een ministeriële regeling te doen, waar dus ook weinig checks-and-balances op zijn. Veel liever zouden wij willen dat dat bijvoorbeeld met een voorhang naar de Kamers wordt gestuurd voordat daartoe over wordt gegaan of dat er aan andere dingen wordt gedacht dan dat dit met een pennenstreek geregeld kan worden.
De voorzitter:
Mevrouw Van Bijsterveld, hebt u een interruptie op dit punt? Anders vraag ik mevrouw Thijssen om haar bijdrage af te ronden, want ik heb het woord "afronden" al gehoord uit haar mond.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Dat klopt inderdaad. Ik heb nog een aantal afrondende zinnen. Onze fractie wacht de beantwoording van de minister af en ook echt met grote belangstelling. Duidelijk mag zijn dat wij vanwege alle spelden die op dat kussen zijn geprikt zeer kritisch zijn op de novelle. Ik kan ook al zeggen dat we hier waarschijnlijk niet voor zullen stemmen. De stap die naar het bestuursrechtelijke regime wordt gemaakt, vinden wij echt een stap vooruit, maar van het idee hierachter, namelijk meer vrijheden bieden, vragen wij ons af of dat in de praktijk eigenlijk wel voldoende overeind is gebleven. Daarom beraden wij ons op ons eindoordeel.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer, mevrouw Thijssen. Er is een interruptie van mevrouw Van Bijsterveld.
Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):
Ik wil allereerst nog even terugkomen op dat speldenkussen. U bent zich er ook van bewust dat deze wetgeving natuurlijk deels al in de Asielnoodmaatregelenwet geïncorporeerd was, maar dat die door allerlei omstandigheden niet door deze Kamer kwam. Wat ik toch interessant vind, is dat GroenLinks-PvdA in de Tweede Kamer — althans, zo staat het in de stemmingslijst; ik kan ook PRO zeggen, maar er staat "GroenLinks-PvdA" — voor deze wetgeving heeft gestemd. Dus wat maakt nu dat u op deze wijze uw bijdrage levert, die eigenlijk een beetje diametraal staat ten opzichte van het standpunt in de Tweede Kamer?
Mevrouw Thijssen (PRO):
Op de eerste plaats maken wij onze eigen afweging hier, in dit huis. Op de tweede plaats is het heel belangrijk om naar de stemverklaring te luisteren van het Tweede Kamerlid Lisa Westerveld, die het woord voerde. Zij heeft heel duidelijk gezegd: de ongewenstverklaring en zeker het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen, daar is PRO tegen. Daar zijn we altijd tegen geweest. Dat is een harde tegenstem geweest. Tegelijkertijd zegt zij dat zij de beweging die wordt gemaakt — ik refereerde daar al een paar keer aan — van het strafrechtelijke regime naar het bestuursrechtelijke steunen. Ze hebben dus het totaalpakket in overweging genomen bij hun eindoordeel.
De voorzitter:
Mevrouw Bijsterveld, nog een korte vervolgvraag.
Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):
U begrijpt dat ik dat ik dat een heel verstandige afweging vond.
De voorzitter:
Van die opmerking nemen we kennis. De heer Van Hattem met een interruptie.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik hoor mevrouw Thijssen van PRO zeggen: we gaan tegen de novelle stemmen. Dan vraag ik me af, GroenLinks … Ik moet PRO zeggen tegenwoordig. Daar hebben ze hier een hele discussie over gehad. PRO heeft nu het voornemen geuit hiertegen te stemmen. Ondertussen wordt er wel aan alle kanten vanuit deze partij gedeald met het kabinet-Jetten om allerlei zaken voor elkaar te krijgen en dan laat ze op dit moment wel duidelijk merken dat er op het gebied van asiel en migratie blijkbaar geen ruimte wordt gegeven. Dan vraag ik me af hoe groot de vriendschap, de bromance, zoals het hier geloof ik vorige week genoemd, tussen PRO en het kabinet nou daadwerkelijk is.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Eerlijk gezegd vind ik het een beetje buiten de orde van dit debat, maar de voorzitter heeft niet ingegrepen.
De voorzitter:
Nou, daagt u mij niet uit, mevrouw Thijssen. Als u nou heel kort reageert.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ja, een heel korte reactie. Wat daar gebeurt, weet ik niet. Daar gaan wij in de Eerste Kamer ook helemaal niet over. Wij kijken wat er op ons afkomt. Daar vormen wij ons een eigen oordeel over, en ons oordeel hangt nog een beetje boven de markt als het gaat over deze wet.
De voorzitter:
Meneer Van Hattem, heeft u een vervolgvraag over het punt dat op de agenda staat?
De heer Van Hattem (PVV):
Ik heb de fractie van PRO natuurlijk vorige week ook van alles horen zeggen en dan speelt de Eerste Kamer juist wel een belangrijke rol in de vraag in hoeverre er steun wordt gegeven aan dit kabinetsbeleid. Maar als het dan op het onderdeel asiel en migratie aankomt, blijft die steun dus schijnbaar toch achterwege en telt in één keer niet meer hoe de verhoudingen liggen. Dan vraag ik me af hoe CDA, VVD en D66 als makke lammetjes dit nu laten gebeuren. Ik vraag me dan toch af of PRO dan consequent is en bij ieder wetsvoorstel gaat zeggen "we gaan als Eerste Kamer een eigenstandig oordeel vragen" of dat er toch bondgenootschappen worden gesloten met dit kabinet.
De voorzitter:
De vraag aan mevrouw Thijssen is of PRO consequent is. Volgens mij kunt u met ja of nee antwoorden en dan gaan door naar de volgende spreker.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Er is een reden waarom de Eerste Kamer is opgericht, namelijk is om te kijken of wetgeving klopt en of het goede kwaliteit van wetgeving is. Dat doen wij met de drie toetsstenen. Langs die lat zullen wij ieder voorstel dat hier gaat komen beoordelen, of het nou over asiel gaat of over box 3, om maar iets te noemen.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage, mevrouw Thijssen. De volgende spreker in deze termijn van de Kamer is de heer Dittrich. Hij spreekt namens de fractie van D66.
De heer Dittrich i (D66):
Dank, voorzitter. Begin jaren negentig, eind jaren tachtig overigens ook, was ik rechter in Alkmaar en voorzitter van de Vreemdelingenkamer. Jarenlang heb ik in de gevangenis Schutterswei zaken van mensen behandeld die Nederland moesten verlaten, meestal omdat ze door de politie waren opgepakt na het plegen van een misdrijf, maar het ging ook over asielzoekers die het land moesten verlaten en toch gebleven waren. Ze zaten in vreemdelingenbewaring ter fine van uitzetting. Schutterswei was een oude gevangenis en zo zag het er ook uit, met lange gangen met cellen en tralies en bewakers met rammelende sleutelbossen. De vreemdelingen die je dan sprak, hadden ook echt het gevoel dat ze gevangenen waren en niet dat ze vanwege een bestuursrechtelijke maatregel van hun vrijheid waren beroofd.
Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, maakt een duidelijk onderscheid qua regime tussen vreemdelingenbewaring en het opsluiten wegens een strafrechtelijke veroordeling. Dat is ook belangrijk, want vreemdelingenbewaring is helemaal niet een vergelding voor een gepleegd misdrijf. Het regime hoort ervan uit te gaan dat er zo veel mogelijk vrijheid voor betrokkenen is binnen het kader van vrijheidsbeneming. Alleen beperkingen die noodzakelijk zijn voor het doel van de bewaring, te weten de terugkeer, mogen worden opgelegd. Binnen dat kader mogen er ook regels worden gesteld voor de beheersbaarheid en de veiligheid van de mensen zelf, maar ook van de inrichting en degenen die daar werken.
Mijn fractie, die van D66, vindt het dan ook goed dat vreemdelingenbewaring via dit wetsvoorstel een eigen wettelijke grondslag krijgt en niet meer wordt gestoeld op de Penitentiaire beginselenwet, maar er is natuurlijk altijd wel een maar. Ik zou graag aan de minister willen vragen of hij nou nog eens duidelijk de verschillen tussen strafrechtelijke opsluiting en vreemdelingenbewaring zou kunnen schetsen. Hoeveel meer vrijheden hebben mensen in vreemdelingenbewaring als je naar de tekst van de wet kijkt, maar ook naar de praktijk? En dan is meteen daar de vraag weer bij: is er voldoende personeel, zijn er voldoende geschikte gebouwen om het nieuwe wettelijke regime zoals dat in de wettekst staat tot uitdrukking te brengen? Ik kom daar aan het eind van mijn betoog nog op terug.
Voorzitter, ik wou naar een nieuw punt gaan. Dus ik denk dat dit een goed moment is voor een interruptie.
De voorzitter:
Dan is dit het moment voor de interruptie van mevrouw Thijssen.
Mevrouw Thijssen i (PRO):
Dank u wel. Ik dacht al, komt er een ander punt? Ja? Dan sta ik op het juiste moment op. U stelt twee vragen aan de minister en dat waren precies de twee vragen die ik aan u zou willen stellen, namelijk in hoeverre dit naar uw oordeel echt een verbetering is en in hoeverre we nu spreken van een bestuursrechtelijk regime met verruimde mogelijkheden. Dus hoe beoordeelt u nou eigenlijk de basiswet die voorligt na alle amendementen en alles wat nog is toegevoegd?
De heer Dittrich (D66):
Een heel begrijpelijke vraag, waar ik verderop in mijn betoog op wil terugkomen. Dan krijgt u denk ik vanzelf een antwoord. Maar ik moet daar wel de winstwaarschuwing bij geven dat ik ook een aantal vragen aan de minister heb. Ik hoor ook graag van de regering hoe in de praktijk met de wettelijke bevoegdheden en de ingediende amendementen wordt omgegaan.
Maar ik wou overgaan naar de lockdown, meneer de voorzitter. Daar is ook in interrupties al het een en ander over gezegd. Op zichzelf zijn wij het ermee eens dat er in vreemdelingenbewaring een lockdown kan worden toegepast. Wij zien namelijk dat er ook waarborgen zijn in het wetsvoorstel. Denk bijvoorbeeld aan de meldplicht. Daar zou ik iets aan toe willen voegen wat tot nu toe in de discussie nog niet zo naar voren is gekomen, namelijk dat wij in andere debatten ook zeggen dat we vertrouwen moeten hebben in de mensen die door de overheid worden aangesteld om bepaald werk te verrichten, in dit geval de directeur van de vreemdelingenbewaring, althans van de inrichting waarin die plaatsvindt.
Als dat vertrouwen beschaamd wordt, dan moet er uiteraard worden ingegrepen en dan is er dus een soort toezichthoudende rol. Daar wil ik het over hebben, maar voordat ik het daarover heb, wil ik toch aan de minister vragen of hij wil ingaan op de kritiek van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing. Die hebben namelijk gezegd: het is eigenlijk ongepast dat in de Nederlandse vreemdelingenbewaring isolatie als strafmaatregel wordt toegepast, en dat het huidige gebruik van isolatie als ordemaatregel sterk moet worden teruggedrongen.
Ik vraag dat, omdat we weten dat isolatie in detentie ziekmakend kan zijn en kan leiden tot automutilatie, tot suïcidepogingen en zelfs tot zelfdoding. Mevrouw Thijssen heeft daar al twee voorbeelden van genoemd. Ik ben zelf de zaak van Aleksandr Dolmatov nog eens helemaal nagegaan. Daar moet echt heel voorzichtig mee omgegaan worden. Mijn vraag aan de minister is hoe hij dat ziet. De minister heeft op onze vragen in de schriftelijke stukken gezegd: ja, er is onafhankelijk extern toezicht op de gang van zaken in vreemdelingendetentie. De minister stelt dan dat de Inspectie Justitie en Veiligheid toezicht houdt.
Wat ik nu ga zeggen is niet sympathiek, maar in het verleden hebben klokkenluiders van de Inspectie Justitie en Veiligheid, en overigens ook het WODC, naar buiten gebracht dat ambtenaren van het ministerie van Justitie en Veiligheid soms druk uitoefenden op conclusies in rapporten, waarna die conclusies toch een beetje werden aangepast. Daar zijn in het verleden allerlei Kamerdebatten over geweest. Ik ga er meteen van uit dat die situatie zich niet meer voordoet, maar ik wil wel van de minister horen, en een toezegging krijgen, dat er echt, echt onafhankelijk extern toezicht zal zijn op de gang van zaken in de inrichtingen.
Voorzitter. Dan wil ik het hebben over de duur van de vreemdelingenbewaring. Daar heb ik ook nog niet zo heel veel over gehoord in het debat tot nu toe. Ik moet zeggen dat het mij een beetje duizelt als ik ga kijken hoelang een vreemdeling in vreemdelingenbewaring kan zitten. Ik heb geprobeerd dat op een rijtje te krijgen, maar dat is mij niet gelukt. In mijn tijd als voorzitter van de Vreemdelingenkamer konden we iemand maximaal zes maanden in vreemdelingenbewaring houden ter fine van uitzetting. Het gerechtshof zei dat je daar nog drie maanden aan vast mag plakken, als er bijna uitgezet kan worden, dus maximaal negen maanden.
Maar dat was in een tijd waarin wij werkten met faxmachines en vingerafdrukken. Die werden dan gestuurd, vaak naar Marokko, en dan moesten rechercheurs hier gaan bellen met rechercheurs in Marokko. Daar kwam een tolkentelefoon bij kijken en allemaal gedoe om voldoende informatie te verkrijgen. Nu kun je met het internet met één druk op de knop informatie overbrengen en terugkrijgen, en toch zie ik dat die termijn van zes maanden plus drie maanden enorm is opgerekt. Als je naar de Terugkeerrichtlijn kijkt, kan iemand tot 18 maanden worden vastgehouden, en bewaring kan nog tot 24 maanden, dus twee jaar, worden opgerekt vanwege die Terugkeerverordening. Daar komen nog eens zes maanden extra bij in uitzonderlijke situaties. Als je kijkt naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie, naar het Aroja-arrest — dat is niet zo lang geleden verschenen — dan zie je dat het Hof daarin zegt: maximaal 18 maanden vreemdelingenbewaring. Dat is inclusief alle eerdere inbewaringstellingen. 18 maanden is toch wel wat anders dan 24 plus 6 maanden. Daarbij komt ook nog het volgende. Ik ga de minister citeren. Op pagina 32 en 50 van de nota naar aanleiding van het verslag zegt de minister op vragen van ons: "Verder zal er voor vertrekplichtige vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid geen maximale duur voor de vreemdelingenbewaring gaan gelden." Dat is op twee plekken naar voren gebracht. Laat dat tot je doordringen. Betekent dat dat sommige mensen, namelijk de mensen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, onbeperkt, dus bij wijze van spreken levenslang, in vreemdelingenbewaring kunnen worden gehouden? Ik heb geprobeerd in de wettekst terug te vinden wanneer een vreemdeling zich tot de rechter kan wenden om te zeggen: dit is absurd. Volgens mij is er ook niet van rechtswege een rechterlijke toets voor de rechtmatigheid van die hele lange inbewaringstelling. Hoe zit dat, is mijn vraag aan de minister. Wij kwamen er niet helemaal uit.
Dat brengt me op de terugkeer van vreemdelingen die niet meewerken aan hun terugkeer. We zijn daar streng voor. Er is eigenlijk geen definitie opgenomen in de wet van wanneer je weigerachtig bent. De vraag is: wanneer werk je niet mee? Het is belangrijk om daar een goed antwoord op te hebben, ook voor de wetsgeschiedenis, denk ik. De consequenties zijn immers wel degelijk aanwezig, namelijk een strafbaarstelling van maximaal drie maanden. Ik nodig de minister graag uit om daarop in te gaan.
Dat brengt mij weer tot een wetsvoorstel dat wij nu nog niet behandelen, maar waar het debat ook vaak over gaat, namelijk over terugkeerfrustreerders. Ik begrijp dat dat wetsvoorstel nu in consultatie is gegaan. Als het door de Tweede Kamer komt, dan krijgen wij het ook in behandeling. Mijn vraag is: wat is nou het verschil tussen een terugkeerfrustreerder volgens het nieuwe wetsvoorstel, en iemand die moedwillig zijn terugkeer tegenwerkt in het kader van dit wetsvoorstel? Je zou ook nog de vraag kunnen stellen: waarom hebben we eigenlijk dat nieuwe wetsvoorstel nodig?
Dan blijft toch nog de vraag, die al eerder aan de orde kwam: wat gebeurt er nou als iemand niet terug wil keren en als uitzetting niet lukt? We hebben natuurlijk een dienst die dat probeert. Hoelang kun je nou uiteindelijk iemand van zijn vrijheid beroven? Als je strafbaar stelt dat iemand weigert mee te werken aan zijn eigen terugkeer, dan geef je een gevangenisstraf. We weten allemaal dat op een gegeven moment die gevangenisstraf afloopt. Ik snap best dat tijdens de gevangenschap er nog steeds geprobeerd wordt om terugkeer te regelen, maar wat gebeurt er als dat niet lukt? Gaat dan de gevangenisdeur open, krijgt iemand zijn kleren mee en de groeten, of wordt hij dan weer in de vreemdelingenbewaring opgenomen? Als hij dan niet meewerkt, wordt hij dan weer strafbaar gesteld? Dan krijg je een soort carrousel, een draaideurmogelijkheid. Dat lijkt ons geen goede zaak. Dus graag een reactie van de minister op die punten.
Dan het punt van de dwangsom. Dat is voor mijn fractie echt een belangrijk punt. Nu kan de rechter nog, als de IND niet tijdig heeft beslist, de IND een termijn stellen waarbinnen moet worden beslist. De rechter kan dan een rechterlijke dwangsom opleggen als ook die termijn weer wordt overschreden. Dit wetsvoorstel schaft via een amendement de rechterlijke dwangsom af. Het is wel opvallend dat in de Kamerstukken helemaal niet zo veel gesproken is over het afschaffen van die dwangsom in het kader van dit wetsvoorstel. De reden voor de afschaffing is dat de IND bij lange na het werk niet aankan, omdat de IND over onvoldoende capaciteit beschikt om de achterstanden weg te werken.
Dan nog iets wat nog niet aan de orde is geweest, maar wat voor mijn fractie belangrijk is. De ambtenaren van de IND moeten allerlei dwangsomzaken gaan behandelen, waardoor de achterstanden bij de gewone asielaanvragen nog groter worden. Dus het kost heel veel tijd om die procedures te doen en uiteraard ook — dat is al eerder aan de orde geweest — ontzettend veel geld, meer dan 100 miljoen in de eerste zeven maanden. Dat vinden wij niet proportioneel. Dus uiteindelijk snappen wij de afweging om af te zien van dit middel, van die dwangsommen, maar daar hebben we nog wel enkele vragen over. Misschien is het goed als ik die toch nog even benoem, want dan hebben we het totale plaatje.
De voorzitter:
Dat is prima. Dan wachten we de vragen even af en dan krijgt daarna de heer Nicolaï het woord voor zijn interruptie.
De heer Dittrich (D66):
Het COA kan volgens de uitspraak van de Raad van State van 14 januari van dit jaar beslag leggen op uitkeringen die de IND uitkeert aan asielzoekers wanneer die asielzoeker de vermogensgrens met dat geld overschrijdt, want de dwangsom is een financiële prikkel voor de overheid en niet een immateriële schadevergoeding, zegt ook de Raad van State. Wij hebben nagegaan hoe vaak het nou voorkomt dat het COA daar beslag op legt. Nou, eigenlijk heel weinig. Mijn vraag aan de minister is dus hoe hij ervoor gaat zorgen dat dat bij al die dwangsommen, meer dan 100 miljoen — ik hoorde de heer Nicolaï al zeggen dat het 300-zoveel miljoen is — op een goede manier gaat.
Dan mijn laatste vraag op dit punt. Stel dat die dwangsommen worden afgeschaft. Dan blijven we natuurlijk wel met de situatie zitten dat de IND tijdig moet beslissen. Dan is de financiële prikkel weggehaald, maar wij willen natuurlijk wel dat asielzoekers — die zitten soms jarenlang te wachten op een beslissing en dat is heel pijnlijk voor mensen — een tijdige beslissing tegemoet kunnen zien. Dus de vraag aan de minister is wat voor prikkel, wat voor mechanisme hij dan in werking stelt om er wel voor te zorgen dat er tijdig wordt beslist en mensen op een tijdige manier hun beslissing kunnen krijgen.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Ik hoorde de heer Dittrich naar voren brengen: de IND moet zich bezighouden met al die dwangsomzaken en dat kost allemaal dossiers, enzovoort, enzovoort. Daar hebben we het al eens eerder in dit huis over gehad. Het afschaffen van de dwangsombevoegdheid levert daarvoor toch niks op? De heer Schalk heeft terecht gezegd: de vreemdeling kan gewoon naar de bestuursrechter gaan en voorleggen dat hij van de bestuursrechter verlangt dat deze een termijn stelt. Sterker nog, in het wetsontwerp staat dat dan zelfs een termijn moet worden gegeven. Dus de hele zaak komt bij de rechter voor en die ambtenaren moeten die zaak voorbereiden, die moeten daar dossiers van bijhouden, enzovoort. Dus al dat werk dat al eens eerder hier aan de orde is geweest, dat zo belastend is, blijft gewoon bestaan. Hoe ziet de heer Dittrich dat dan?
De heer Dittrich (D66):
De heer Dittrich ziet dat anders dan de heer Nicolaï. Uit contacten met IND-ambtenaren blijkt dat ze, als er dwangsomzaken komen, naar de zitting moeten om te vertellen aan de rechter waarom er toch nog steeds geen beslissing is genomen. Dus ze moeten in die zaak duiken en dan voor de dwangsomzaak naar de rechtbank gaan. Als je dit afschaft, kunnen ze zich weer concentreren op de zaken die er liggen. Dus het scheelt wel degelijk enorm veel werk. Ik nodig u uit om daar met de IND contact over op te nemen. Het scheelt echt heel veel tijd, die de IND dan kan besteden aan het wegwerken van de achterstanden. We weten dat er een stapel is van 50.000 zaken, mensen die zitten te wachten, soms met gezinsleden, op een beslissing en daar moet echt een eind aan komen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Nicolaï.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik denk dat de heer Dittrich het met mij eens zal zijn. Als hij zich in de Awb verdiept, zal hij namelijk zien dat hij moet bekennen dat datgene wat hij zojuist zei, niet juist is. Er is een beroepsmogelijkheid tegen het niet tijdig beslissen. Of er nou een dwangsom wordt gevraagd of niet, is niet relevant. Die beroepsmogelijkheid blijft bestaan. Dat is het rechtsmiddel waar de heer Schalk het over had. Als er beroep wordt ingesteld, waarbij de rechter de bevoegdheid en zelfs de verplichting heeft — een dwangsom kan niet meer — om een termijn te stellen, zal de IND naar die zitting toe moeten gaan. Die zal moeten zeggen en vertellen binnen welke termijn het misschien mogelijk is en de rechter proberen te overtuigen enzovoorts. Dat werk blijft gewoon bestaan. Als de bevoegdheid van de rechter alleen maar is om te kiezen welke termijn hij stelt, dan is dat een keuze. Dan wordt erover gesproken op de zitting. Dat moet voorbereid worden. Dat staat los van de vraag of een rechter ook een dwangsom kan opleggen. Graag een reflectie van de heer Dittrich.
De heer Dittrich (D66):
Mijn reflectie, meneer Nicolaï, is dat u langs mijn punt heen gaat, namelijk dat er in de eerste zeven maanden, geloof ik, van 2026 al meer dan 100 miljoen — 100 miljoen! — is uitgekeerd. Dat geld kan de IND beter inzetten voor het behandelen van allerlei zaken. Gelukkig hebt u voor de motie van D66, het CDA en andere gestemd, waarin stond dat er stabiele financiering moet komen, zowel voor het COA als voor de IND. De regering heeft dat overgenomen. Dat gaat dus gerepareerd worden. Dat wordt gerepareerd. Maar dit is buitenproportioneel. Ik heb zelf in een eerdere zitting van de Eerste Kamer tegen het afschaffen gestemd, maar met een stemverklaring dat het wel proportioneel moet zijn. Als je ziet dat er meer dan 100 miljoen wordt uitgekeerd zonder dat dat een prikkel is tot sneller werken, omdat de IND het werk niet aankan, dan ben ik ervoor dat we eerst de bron aanpakken, zoals mevrouw Thijssen dat zo mooi noemde, de IND uitbreiden, financiering geven en ervoor zorgen dat mensen snel een goede beslissing kunnen krijgen.
De voorzitter:
Tot slot op dit punt, meneer Nicolaï.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik constateer dat het geen antwoord op mijn vraag was, maar een heel ander argument. Ik wil de heer Dittrich tot slot het volgende voorhouden. Ik ken de heer Dittrich als een scherp jurist. De heer Van Rooijen heeft er al op gewezen dat er, hoe je het ook wendt of keert, wel een ander effectief middel moet zijn als je die dwangsom afschaft. Dat staat gewoon in artikel 47 van het Handvest. Welk effectief middel is er dan volgens D66 beschikbaar? Ik lees in de brieven die we krijgen van VluchtelingenWerk enzovoort dat dat er niet is. Welk effectief middel is er dan beschikbaar? Als dat niet beschikbaar is, is de heer Dittrich het dan met mij eens dat dit wetsontwerp, als het wet wordt, onderuitgaat bij de rechter?
De heer Dittrich (D66):
Het is een heel goede vraag, overigens ook een goede vraag van de heer Van Rooijen. Dat is nou juist de vraag die ik net aan de minister stelde, want als we die dwangsom weg hebben, moet er wel een prikkel zijn voor de IND om tijdig het werk te kunnen doen. Wat wij kunnen doen als Eerste Kamerleden is zorgen dat er voldoende financiering is, dat er mensen aangenomen kunnen worden bij de IND, dat die tijdig een opleiding krijgen en dat er minder asielzoekers binnenkomen. Hierdoor kan het werk wat gemakkelijker worden gemaakt. Maar zoals het nu gaat met de dwangsommen, is voor mijn fractie echt een brug te ver.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ik heb eigenlijk twee vragen. De eerste gaat over de bron. Ik was heel blij met wat u zei: kijk nou naar de bron. Tegelijkertijd denk ik dan: welke conclusie wordt daar dan aan verbonden? Is het niet beter om de problemen weg te nemen — daar zijn we het dus over eens — en om die rechterlijke dwangsommen dus nog niet af te schaffen? Want daarmee wordt het kind met het badwater weggegooid. Zou de heer Dittrich op die stelling kunnen reageren?
De heer Dittrich (D66):
Heel graag. Ik hoorde mevrouw Thijssen dat in haar eerste termijn zeggen. Ik dacht toen ik dat hoorde: je kan en-en doen. Je kan de bron aanpakken, dus ervoor zorgen dat de IND en het COA op orde komen. Zij zijn natuurlijk in de vorige periode met minister Faber enorm onder druk gezet. We zijn dat aan het herstellen; dat is goed. Je kunt ook zien dat het doel waarvoor de prikkel er was, namelijk om sneller te werken, bij lange na niet gehaald kan worden. Dan kun je ook zeggen: "Het doel van die prikkel bestaat niet meer, dus we doen het gelijktijdig: én we versterken de bron én we schaffen die prikkel af."
Mevrouw Thijssen (PRO):
Het verbaast me ergens, omdat ik de heer Dittrich ken als een rechtsstatelijk geweten, misschien ook wel van dit huis. Als dit gebeurt, dan zijn er bepaalde onderdanen in Nederland die dit middel nog wel in handen hebben en waarop het systeem wel van toepassing is, en anderen bij wie dat niet zo is. Hoe verhoudt dat zich tot het hele beginsel van rechtsgelijkheid?
De heer Dittrich (D66):
Volgens mij haalt mevrouw Thijssen nu artikel 1 aan: je moet in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Nu krijgen we een hele discussie over de vraag of dit gelijke gevallen zijn, dus of je de vreemdelingenbewaring gelijk kan stellen aan wat er bijvoorbeeld bij Sociale Zaken gebeurt. Dat is een hele interessante discussie waar juristen over van mening verschillen. Ik zou hier niet meteen willen stellen dat datgene wat door de regering wordt voorgesteld, in strijd is met artikel 1 van de Grondwet.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Thijssen.
Mevrouw Thijssen (PRO):
De heer Dittrich is natuurlijk jurist. Daarom ben ik ook benieuwd naar zijn persoonlijke oordeel hierover. Als bij iemand die een uitkering zou mogen ontvangen de beslistermijnen niet worden gehaald, dan blijft de rechterlijke dwangsom wel in stand. Maar als bij een vreemdeling of asielzoeker die hier op een procedure wacht, de beslistermijn niet wordt gehaald, dan is dit niet meer het geval. Ik ben benieuwd naar het persoonlijke oordeel van de heer Dittrich als jurist over wat dit betekent voor de ene persoon versus de andere persoon.
De heer Dittrich (D66):
Mevrouw Thijssen vraagt mij om een persoonlijk oordeel. Ik sta hier namens mijn fractie het fractiestandpunt te verdedigen. Ik heb net gezegd dat je goed naar artikel 1 moet kijken en dat je ook moet bekijken of de gevallen die mevrouw Thijssen schetst, gelijk zijn. Ik zou deze vraag dus door willen geleiden naar de minister. Laat de minister maar op die ingewikkelde vraag antwoord geven. Dan gaan we in de tweede termijn eens kijken hoe dat uitpakt.
De voorzitter:
Een potentieel ingewikkelde vraag van mevrouw Perin. Ga uw gang.
Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):
Collega Dittrich heeft een enorme staat van dienst. Collega Thijssen gaf dat ook al aan. Zeker gezien zijn ervaringen als advocaat, rechter, jurist, senator en Kamerlid ben ik benieuwd naar wat hij vindt van een overheid die een uitspraak van de rechter niet naleeft.
De heer Dittrich (D66):
Dat is een heel algemene vraag; dank u daarvoor. We leven in een rechtsstaat. Als een rechter in hoger beroep iets heeft geoordeeld — laten we zeggen dat het een definitieve uitspraak is — dan vind ik dat die uitspraak moet worden nageleefd, niet alleen door de overheid maar natuurlijk ook door bedrijven en individuen. Dat staat niet in de weg aan het feit dat als de overheid ontevreden is met zo'n uitspraak, de wet kan worden aangepast, zodat de rechter daar dan weer opnieuw een bepaalde invulling aan kan geven.
De voorzitter:
Mevrouw Perin, een vervolgvraag.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ja, een vervolgvraag. Dank voor deze heldere uiteenzetting. Het gaat de hele tijd over die dwangsom. Het gaat mij niet zozeer om dat geld, over de vraag of we wel of niet een dwangsom opleggen. Het gaat mij erom dat de rechter de uitspraak heeft gedaan dat de overheid binnen een bepaalde termijn een oordeel moet vellen. We zien nu dat dat, ondanks die dwangsom, niet gebeurt. Wat ziet D66 in het wetsvoorstel waarover we het hebben als oplossing om ervoor te zorgen dat de overheid de uitspraak van de rechter wel gaat naleven en tijdig tot een beslissing komt?
De heer Dittrich (D66):
Ook dat is een heel goede vraag, want ik heb ook aan de minister voorgehouden: als die dwangsommen eraf zijn, willen wij wel dat de IND tijdig op een goede, zorgvuldige manier beslist. We hebben het hier namelijk over mensen die soms jarenlang zitten te wachten op een beslissing. Als die prikkel eraf is, kunnen we er dan op vertrouwen dat de IND in de nabije toekomst, het liefst morgen al, de zaken op orde heeft? Het zou het einde van mijn pleidooi zijn geweest, maar ik kan het ook nu voren brengen: als we het hebben over de uitvoering, zijn er grote zorgen bij mijn fractie hoe dit in de praktijk gaat uitpakken. Kan de minister ons op een vertrouwenwekkende manier aangeven dat er op korte termijn voldoende detentiecapaciteit beschikbaar komt, maar ook voldoende personeel en dat de partnerorganisaties die betrokken zijn bij de uitvoering, dit nieuwe wetsvoorstel ook daadwerkelijk kunnen uitvoeren? Dat van de minister te horen is voor mijn fractie van belang.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Perin.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ja, tot slot. Wat ik zo jammer vind, is dat wanneer een burger of iemand die in dit land leeft, zich niet aan de wet houdt, er altijd heel snel consequenties op volgen, en dat zeker de uitspraak van de rechter dan gehandhaafd wordt. Terwijl juist in dit geval er enorm veel ruimte is voor de Staat om zich niet te houden aan de uitspraak van de rechter, en er nu allerlei argumenten verzonnen of opgeworpen worden, waarom de Staat zich niet houdt aan die uitspraak van de rechter. Ik vind het heel erg ondermijnend voor de rechtsstaat waar wij voor staan, als er tegenover burgers, inwoners of mensen die hier in dit land zijn, soepeler wordt omgegaan met een uitspraak van de rechter als het de overheid betreft dan andersom. Die ongelijkheid en dat die heel makkelijk wordt weggewuifd op basis van kosten vind ik wel heel zorgelijk. We dienen ons immers allemaal aan de uitspraak van de rechter te houden.
De heer Dittrich (D66):
Op zichzelf ben ik het wel met mevrouw Perin-Gopie eens, maar als het gaat om individuen, dan hebben we ook vaak een hardheidsclausule in wetgeving opgebouwd. Als het resultaat te onrechtvaardig is, dan kan in een concrete situatie de hardheidsclausule worden toegepast. Je zou dit kunnen zien als een soort hardheidsclausule voor de overheid van: het systeem zit helemaal vast, we moeten er wat aan doen, uiteraard bij de bron, maar dan ook met dit middel.
De voorzitter:
Meneer Dittrich, u had uw spreektekst al afgerond?
De heer Dittrich (D66):
Misschien mag ik nog één zin zeggen?
De voorzitter:
Eén zin en dan hebben we daarna één vraag van de heer Nicolaï.
De heer Dittrich (D66):
Het gaat over de detentiecapaciteit waarvan de minister in de nota naar aanleiding van het verslag heeft gezegd: die is er nog helemaal niet. Zijn we dan nu, is mijn vraag aan de minister, met een wetsvoorstel bezig dat eigenlijk nog helemaal geen handen en voeten kan krijgen, want er is onvoldoende detentiecapaciteit? Dat heeft de minister zelf gezegd. Als je dan kijkt ... Ik begon over de Schutterswei, die gevangenis. Daar zitten ook weer een heleboel vreemdelingen, alleen zijn dat vreemdelingen die wel gewenst zijn in Nederland, want dat zijn toeristen. Schutterswei is namelijk verbouwd tot een hotel.
De voorzitter:
Dank u zeer. Ik geef de heer Nicolaï gelegenheid tot het stellen van één vraag.
De heer Nicolaï (PvdD):
Dat is even een vraag onder juristen. Kan de heer Dittrich bevestigen dat als de rechter geen dwangsom, maar een termijn oplegt en die termijn niet wordt gehaald, dat een onrechtmatige daad is, dat dat onrechtmatig is en dat daarmee in principe de weg naar de civiele rechter openstaat? Het is namelijk vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat, als er onrechtmatig is gehandeld, de rechter altijd bevoegd is om dat geschil tot zich te nemen, tenzij er een andere bestuursrechtelijke voorziening is. Als de bestuursrechtelijke voorziening van de dwangsom er niet is, kan je naar de civiele rechter en kan je in kort geding bij de civiele rechter een dwangsom vragen.
De heer Dittrich (D66):
In z'n algemeenheid zou ik willen zeggen: als een rechter een termijn heeft gesteld en die niet wordt gehaald, er uitleg nodig is waarom die termijn niet gehaald is. In zijn algemeenheid zou het zo kunnen zijn dat iemand zich dan tot de kortgedingrechter wendt en zegt: in mijn situatie is dit aan de hand. Dan is het uiteraard aan de kortgedingrechter om te kijken hoe die daarmee omgaat. Die kan zich laten overtuigen door de redelijkheid van de argumenten waarom de termijn niet is gehaald, maar in theorie zou dat ook weer kunnen leiden tot een dwangsomoplegging. Daar heeft de heer Nicolaï gelijk in.
Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):
De heer Dittrich heeft, als ik het even kort samenvat, gezegd: wij zien dat de zaak vastloopt, we begrijpen dat de dwangsom op dit moment niet meer effectief is. Tegelijkertijd heeft hij ook aangegeven dat het wel belangrijk is dat er een middel is waarmee de rechter de instanties tot spoed kan manen. Wanneer nu inderdaad de IND de zaak weer op orde heeft, is de heer Dittrich dan met onze fractie van mening dat het belangrijk zou zijn om te heroverwegen om die dwangsom weer in te voeren?
De heer Dittrich (D66):
U zult verbaasd zijn van de kortheid van mijn antwoord. Het antwoord daarop is: ja.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer. Mevrouw Thijssen, ik geef u ook de gelegenheid om één laatste vraag te stellen.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ja, over het eerdere punt dat ik maakte: de weging van de basiswet die vandaag voorligt. Is hoeverre is de belofte ingewilligd dat er nu een bestuursrechtelijk regime is met meer vrijheden voor vreemdelingen? Ik stelde die aan het begin van uw betoog. Toen dacht ik: o, dus ik ben dus te vroeg. U zei: daar kom ik nog op terug. Ik heb dat niet gehoord. Ik heb wel gehoord dat u bijvoorbeeld heel kritisch bent op een lockdown. Dus mijn vraag staat nog steeds overeind.
De heer Dittrich (D66):
Ik weet niet of ik het al gezegd heb, maar in onze afweging speelt ook mee dat wij degenen die dit werk doen, directeuren van inrichtingen, het vertrouwen willen geven dat zij — dat was eigenlijk ook al wat mevrouw Van Toorenburg in een interruptie naar voren bracht — heel beperkt mogelijk maken dat er bijvoorbeeld een lange lockdown is. Wij hebben bij eerdere debatten gezegd dat we graag vertrouwen aan burgers willen geven, maar ook aan ambtenaren en niet hier alles in de Eerste Kamer afdichten en weer allerlei risicomodellen in wetgeving gaan brengen. We willen allemaal minder regels en dat het allemaal wat soepeler gaat. Daar hoort vertrouwen in overheidsdienaren bij en dan hangt het weer af van wat de toezichtmechanismes zijn, hoe er dan ingegrepen kan worden. Wat mijn fractie betreft, heb ik al gezegd, zijn die aanwezig in het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Dittrich. Dan is het woord vervolgens aan de heer Lievense. Hij spreekt namens de fractie van de BBB.
De heer Lievense i (BBB):
Voorzitter, dank u wel. Elf jaar geleden, op 30 september 2015, werd dit wetsvoorstel ingediend. Een kind dat toen werd geboren, zit nu in groep 7. Dat kind heeft inmiddels leren lopen en fietsen en kan ook al zwemmen. Deze wet heeft vooral geleerd om te wachten.
Voorzitter. Laat ik beginnen met waar het ooit om ging. Mevrouw Thijssen van PRO haalde dat ook al aan. In 2013 benam Aleksandr Dolmatov, een Russische asielzoeker, in vreemdelingendetentie zich het leven. Daarna vond de Tweede Kamer, terecht, dat mensen die niets hebben misdaan maar wachten op hun vertrek niet onder de regels van de gevangenis horen te vallen. Daar staan wij als fractie van de BBB ook achter. Achter deze wet zit een tragedie en dat mogen we met elkaar ook zeker niet vergeten. Het is terecht dat iedereen dat aanhaalt. Tenminste, tot nu toe aanhaalt.
Op 19 juni 2018 nam de Tweede Kamer de wet aan. In 2019 volgde een deskundigenbijenkomst in deze Kamer en kondigde de staatssecretaris een novelle aan. Die kwam in juni 2020 en werd in februari 2021 controversieel verklaard. Daarna vroegen opeenvolgende bewindspersonen deze Kamer drie keer om te wachten op een aangepaste versie: in 2022, 2023 en 2024. Pas in september 2025 kwam de grote wijziging en op 4 juni van dit jaar nam de Tweede Kamer de novelle aan.
Nu ligt het gewijzigde pakket bij deze Kamer. Wij beoordelen het op inhoud, juridische houdbaarheid en vooral uitvoerbaarheid. Tijdens de behandeling van de asielwetten in april zei de minister in deze Kamer dat de politiek tot nu toe bar weinig heeft bereikt. De fractie van de BBB vond dat de spijker op z'n kop. Weinig illustreert het beter dan deze wet. Wat vindt de fractie van de BBB daarvan? Drie dingen.
Ten eerste. Zelf zit ik hier sinds februari 2024 en mijn fractie sinds 2023. Ik ga dus niet doen alsof we er al elf jaar bij waren. Voorzitter, het is, zoals u mij inmiddels kent, te makkelijk om naar één partij of één Kamer te wijzen. Juridische onzorgvuldigheid, politieke stilstand en regeringen die zelf om uitstel vroegen, hebben alle drie hun deel gehad. Dat is geen verwijt, hoor; dat is een constatering. Zorgvuldigheid is geen schande, maar het is iets anders dan stilstand.
Ten tweede. De wet is een kapstok geworden. Ik hoorde ook al "speldenkussen". Ik noem het een kapstok. Ik zei in mei tijdens de behandeling van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact dat Nederland een indrukwekkende traditie heeft als het gaat om het ingewikkelder maken van uitvoeringsprocessen. Deze wet is daar een mooi voorbeeld van. Een regime voor vreemdelingenbewaring, overlastmaatregelen, het Migratiepact, de ongewenstverklaring, de dwangsommen en het strafmaximum van artikel 197: alles aan dezelfde haak, met een novelle, twee nota's van wijziging en een stapel amendementen verder. Als Eerste Kamer kunnen wij niet amenderen. We kunnen alleen ja of nee zeggen tegen dit hele pakket. De fractie van de BBB vindt daarom dat dit de laatste kapstok zou moeten zijn. Onderwerpen horen wat ons betreft los te worden behandeld, in aparte wetten, al vallen er tientallen per jaar hier in onze brievenbus.
Ten derde. Wachten kost iets. Ondertussen worden mensen in bewaring nog steeds vastgehouden onder het regime voor gevangenen. De minister zei in de Tweede Kamer dat we geen dag meer kunnen wachten, omdat de rechter anders kan oordelen dat de huidige praktijk niet standhoudt. Het recente arrest in de zaak Aroja onderstreept dat de juridische houdbaarheid van de huidige praktijk niet als vanzelfsprekend kan worden beschouwd. Dat arrest gaat over het optellen van perioden van vreemdelingenbewaring op basis van hetzelfde terugkeerbesluit en over rechterlijke toetsing bij verlenging. Het gaat niet over de vraag of vijftien insluitingsuren te veel op strafdetentie lijkt. Dat zijn verschillende juridische kwesties. Daarom vraag ik de minister hoe hij het arrest betrekt bij de juridische onderbouwing van het voorgestelde regime en bij de toepassing van de bewaringstermijnen.
Voorzitter. Een boer die elf jaar op een vergunning wacht, krijgt van de overheid ook niet te horen dat de zorgvuldigheid voorgaat. Ik zei het al in april bij de behandeling van de asielwetten en in mei bij de behandeling van het Migratiepact: stilstaan is geen optie meer. Maar wachten is dat ook niet.
Voorzitter. Gezien vanuit de regio. Tijdens de behandeling van de asielwetten zei ik het al: de fractie van de BBB ziet een verschil in ervaring tussen inwoners van de Randstad en inwoners van het platteland. Daar kom ik nu op terug, want ook deze wet gaat daarover. Ik kom, zoals u weet, van het eiland Schouwen-Duiveland, het plaatsje Zierikzee. Het heeft 12.000 inwoners. Bij ons noemen we dat overigens een stad. Het heeft formeel ook stadsrechten, dus zeg nooit dorp. We hebben nog een stadje, Brouwershaven, met 1.600 inwoners. Gaat u daar vooral eens langs, want ook Jacob Cats is daar geboren, dus u moet dat als Eerste Kamerlid natuurlijk weleens bekeken hebben. Een klein zijspoortje, voorzitter. Ik heb ook weleens gezegd: je bent eigenlijk pas premier van dit land als je in Brouwershaven bent geweest. We moeten dus nog eens vragen aan de huidige premier of dat zo is. Bij ons noemen we dat een stad, zoals ik zei. Daar zitten 250 asielzoekers in de noodopvang. Dat is meer dan 2% van de bevolking in één keer, gaf ik aan. Tijdens de behandeling van de asielwetten vertelde ik u dat er opnieuw was gevraagd om daarbovenop nog eens 250 asielzoekers op te vangen. Ik zei toen ook al: alleen de vraag al. Dat is geen waardeoordeel over stad of platteland; het is een kwestie van schaal. In Amsterdam is een overlastgever een van velen. In een dorp weet de bakker de volgende ochtend wie het was en wat die gedaan heeft. Overlast is in een kleine gemeenschap niet anoniem, en de gevolgen dus ook niet.
Voorzitter. In de titel van deze wet gaat het over overlastgevende vreemdelingen. In Den Haag is dat een juridische categorie. Bij ons op het platteland is het de winkelier die zijn personeel wil beschermen en de fietsenstalling bij het station waar je 's avonds liever niet langsloopt. Maar laten we niet vergeten dat het ook de kwetsbare medebewoners in het azc zelf zijn. De homoseksuele vluchteling, de vrouw alleen, het gezin met kinderen en christenen worden bedreigd door een kleine groep die de boel verziekt.
Voorzitter. De BBB zegt het al jaren: wie in een azc anderen bedreigt, intimideert of mishandelt, hoort daar niet meer te zijn. Dat is geen ongevoeligheid; dat is goed bestuur waarmee heel veel problemen in de toekomst worden voorkomen. Daarom steunen wij het voortbestaan van de handhaving- en toezichtlocaties en daarom zijn we blij met het amendement van collega Van der Plas in de Tweede Kamer. Bij plaatsing in het beheersregime weegt de veiligheid van personeel en medebewoners in elk geval mee. De novelle biedt bovendien een kader om bij ernstige orde- en veiligheidsproblemen op te treden, terwijl kwetsbare bewoners en mensen die zich normaal gedragen, moeten worden ontzien.
Noaberschap betekent ook rekening houden met de draagkracht van een gemeenschap. In april zei ik dat de regio geen afvoerputje mag worden van landelijk beleid. Draagvlak laat zich niet afdwingen met een verdeelsleutel. Het verdwijnt als mensen zien dat het geven van overlast zonder gevolgen blijft. We gaan onze samenleving dan, met een mooie term, "vervreemden" van andere samenlevingen. Het blijft "onder de radar", zoals dat dan een beetje verhullend en tot weinig actie oproepend heet. Een wet als deze is dus ook draagvlakbeleid. Dat de Spreidingswet nog steeds niet is ingetrokken betreur ik, maar daar gaat deze wet niet over, dus ik hou het hierbij.
Voorzitter. Dan de uitvoering. Een ongewenstverklaring is mooi op papier, maar iemand moet die verklaring opleggen, iemand moet het controleren en iemand moet ingrijpen als die persoon weer in het dorp opduikt. Op een eiland als het mijne is ook voor dit soort incidenten de aanrijtijd van de politie geen abstract begrip. De situatie in Ceuta laat zien waarom uitvoerbaarheid en terugkeer niet los van elkaar kunnen worden gezien. Na de massale grensoverschrijding in juli, wat door sommigen als een invasie werd gezien, bleven ook na de eerste terugkeerbewegingen mensen achter, onder wie minderjarigen en mensen waarvan de procedure nog steeds moet worden beoordeeld. Dat waren er vele duizenden. De Spaanse autoriteiten konden niet volstaan met het zonder individuele procedure terugsturen van iedereen. Voor aankomst over zee moest een formele procedure worden gevolgd. Dit voorbeeld onderstreept drie dingen: terugkeer vraagt om samenwerking met landen van herkomst, om voldoende capaciteit om de procedure zorgvuldig en tijdig uit te voeren, en om naast routes over land ook routes over water onmogelijk te maken. Een wet op papier lost dat niet op. Ook zei ik in mei over de Europese afspraken, en dat geldt voor nationale wetten net zo goed: afspraken op papier zijn nog geen werkelijkheid. Het moet landen bij de marechaussee, bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, bij de politie, bij het COA en, niet te vergeten, bij de gemeenten. Wij zien hen als onze buren. Vergeet hen niet.
Dan de rekening. Die komt ook in de regio terecht. Ondernemers en inwoners van Ter Apel en Budel die schade en overlast ondervinden moeten niet van het kastje naar de muur worden gestuurd. We lazen pas in een rapport dat het erg lastig gaat worden om de waardedaling van woningen als schade weg te leggen. Ook daar ondervinden ze dus overlast van. BBB zou daar graag één loket voor zien.
Voorzitter. Dan de wet zelf. Tijdens de behandeling van de asielwetten en het Migratiepact heb ik namens de fractie van de BBB steeds één vraag gesteld: leidt dit tot meer grip, niet op papier maar merkbaar voor uitvoeringsinstanties, gemeenten, ondernemers en inwoners? "Grip" is trouwens een mooi woord voor iets wat concreter is: minder instroom, meer uitstroom, en dat wie mag blijven, zich houdt aan onze wetten. Die vragen leg ik ook langs deze wet. Ik loop de onderdelen langs.
Het regime en de uitvoerbaarheid. Vreemdelingenbewaring is een bestuursrechtelijke maatregel en geen straf. Daar twijfelt mijn fractie niet aan, maar de doelgroep is wel veranderd. Dat horen we van medewerkers in Rotterdam en op Schiphol. Daarom is de fractie van de BBB blij met de aangenomen amendementen: geen mobiele telefoons in bewaring en geen verdere uitbreiding van de beklagmogelijkheid. Wie weet hoe snel we in Nederland extra toetsingsmomenten optuigen, begrijpt dat laatste.
Voorzitter. Eén punt wil ik benadrukken: de insluitingsuren. De Tweede Kamer heeft het maximum in het verblijfsregime van twaalf naar vijftien uur per etmaal gebracht. De bedoeling blijft twaalf, maar de Dienst Justitiële Inrichtingen krijgt ruimte als de bezetting of de veiligheid daarom vraagt. Daar heb ik namens mijn fractie begrip voor. Perfectie bestaat niet, zei de minister in april. Maar hij waarschuwde in de Tweede Kamer er ook voor dat de insluitingsuren een belangrijk onderscheid vormen tussen bewaring en strafdetentie. Mijn fractie wil geen juridisch risico laten liggen. Welke juridische onderbouwing heeft de minister voor het maximum van vijftien uur? Welke risico's ziet hij bij toetsing door de rechter? Als dat maximum niet houdbaar blijkt, wat betekent dat dan concreet voor de rechtsgelijkheid van de bewaring en voor de uitvoering door de Dienst Justitiële Inrichtingen?
Voorzitter. De capaciteit van de Dienst Justitiële Inrichtingen hangt hier nauw mee samen. Volgens de beslisnota heeft de invoering ten minste een jaar nodig. Ook wordt een scenario genoemd waarbij door personeelstekort ongeveer 40% minder cellen beschikbaar zijn. Ik wil van de minister weten op welke berekening dit percentage berust en om hoeveel cellen het in absolute aantallen gaat. Tijdens de behandeling van de asielwetten in april gaf ik de minister al mee om bij de Najaarsnota de bedragen voor uitvoering en handhaving op te hogen. Het valt of staat natuurlijk met de uitvoering.
Voorzitter. Dan mijn vragen. Wanneer treedt welk onderdeel in werking? Welke capaciteit is bij de start beschikbaar en wat gebeurt er als het personeel na de ingroeiperiode nog steeds ontbreekt? Gaat de minister ook beginnen met het commercieel inhuren van extra personeel? En breder: kan de minister de Kamer inzicht geven in de capaciteit en de financiering van de organisaties die voor de uitvoering van dit beleid nodig zijn? Ik heb het dan niet alleen over de Dienst Justitiële Inrichtingen, maar ook over het COA, de IND, de Dienst Terugkeer en Vertrek, de Vreemdelingenpolitie en de Koninklijke Marechaussee? Ik vraag niet om een algemeen overzicht van de hele migratieketen, maar om een concreet beeld van de tekorten die de uitvoering van deze wet kunnen belemmeren en van de maatregelen en de middelen die nodig zijn om de tekorten weg te werken.
Dan de lockdown en uitzonderlijke omstandigheden. De directeur kan voor maximaal vier weken afwijken van de rechten op bewegingsvrijheid en dagbesteding als dat strikt noodzakelijk is voor de orde en de veiligheid. Eén uur luchten blijft gegarandeerd en elke lockdown moet onverwijld worden gemeld aan de minister en inspectie. De fractie van de BBB begrijpt dit instrument. Als medewerkers bij georganiseerd geweld in levensgevaar komen, moet een directeur kunnen optreden, maar de Raad van State adviseerde enkele dagen in plaats van weken en het treft ook mensen die niets hebben gedaan. Het Meldpunt Vreemdelingendetentie zegt dat lockdowns soms plaatsvinden vanwege personeelstekorten. De minister zei in de Tweede Kamer dat een tekort nooit een zelfstandige reden mag zijn. Hoe borgt hij dat in de praktijk? Wat ons betreft neemt de aangenomen invoeringstoets na twee jaar ook de frequentie, de duur en de opgegeven redenen voor lockdowns mee. Kan de minister toezeggen dat deze gegevens afzonderlijk worden geregistreerd en aan beide Kamers worden gerapporteerd? Bij uitzonderlijke omstandigheden, zoals een pandemie, kan bij ministeriële regeling twee maanden worden afgeweken; dit is telkens vergelijkbaar. Tijdelijke maatregelen hebben de neiging om vaak lang te blijven. Er is niks zo vast als tijdelijk. Wat ons betreft worden beide Kamers daarom onverwijld geïnformeerd bij vaststelling en bij verlenging. Kan de minister ook dat toezeggen?
Tijdens de behandeling van het Migratiepact in mei zei ik dat de waarborgen rond de inbewaringstelling van gezinnen met minderjarigen voor de fractie van de BBB voldoende waren, mits het zo min en zo kort mogelijk gebeurt. Dat blijft ook ons uitgangspunt. Ik zei toen ook dat ik nog nooit in Zeist was geweest en dat de minister er ook nog niet was geweest. Mijn vraag is: is de minister inmiddels in Zeist geweest en geldt de lockdownbevoegdheid ook in het gezinsverblijf?
Zakgeld, internet en termijnen. Het amendement van collega Van der Plas is aangenomen. Zakgeld mag worden gebruikt om schade te verhalen die de vreemdeling zelf heeft veroorzaakt. Trap je de deur van de buurman in, dan betaal je. Dat is geen boete; dat is fatsoen. Over internet is het standpunt van de fractie van de BBB helder: de toegang moet kunnen worden beperkt, behalve voor rechtsbijstand en procedurele informatie. Dan de bewaringstermijn: zes maanden in bepaalde gevallen, met twaalf maanden te verlengen. Het voelt onrechtvaardig als iemand die zijn uitzetting lang genoeg traineert uiteindelijk vrijkomt. Dan wordt tegenwerking namelijk beloond. Maar de termijnen moeten uiteraard ook juridisch houdbaar worden toegepast. Wat mijn fractie betreft worden nog langere bewaartermijnen in de wet vastgelegd. Wil de minister toezeggen daar een voorstel voor te doen?
Voorzitter. Het Aroja-arrest maakt duidelijk dat perioden van bewaring die dienen ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar moeten worden opgeteld, ook als er tussen die perioden vrijheidsperioden liggen. Ook moet een verlengingsbeslissing aan rechterlijke toetsing worden onderworpen. Vloeien de termijnen in het wetsvoorstel dwingend voort uit Europese regels of is dit een Nederlandse keuze? Hoe zorgt de minister ervoor dat de uitvoering voorkomt dat perioden van bewaring rond hetzelfde terugkeerbesluit ten onrechte als nieuwe termijn worden behandeld? Tijdens de behandeling van het Migratiepact vroeg ik waar Nederland nog minder streng is dan België en Denemarken. Het standpunt van de BBB is dat we bij de bewaringstermijnen en de ongewenstverklaringen niet milder moeten zijn dan onze buren, binnen de grenzen van wat juridisch kan en uitvoerbaar is. Breder bezien wil ik de minister vragen of hij de Kamer een analyse van de verschillen in asiel- en migratiewetten en -regelgeving tussen Nederland en zijn buurlanden en het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Frankrijk zou willen toesturen om de vraag te beantwoorden op welke punten zij strenger zijn dan wij. Wil de minister hierover een toezegging doen?
De ongewenstverklaring. De drempel gaat van drie naar twee jaar gevangenisstraf. Daarmee kunnen ook onderdanen van derde landen worden bereikt die elders een status hebben. Het strafmaximum van artikel 197 gaat van zes maanden naar een jaar. BBB wil dit al lang. Een ongewenstverklaring is alleen iets waard als zij wordt uitgevoerd. De Dienst Justitiële Inrichtingen is er nog niet op voorbereid. We verwachten dat de lagere regelgeving er ligt voordat de wet in werking treedt. Rechtmatig verblijf blijft bestaan zolang een aanvraag mag worden afgewacht.
De dwangsommen. De Tweede Kamer heeft de rechterlijke dwangsom in vreemdelingenzaken afgeschaft. Bij een te late beslissing vordert de rechter voortaan een redelijke termijn. BBB wil al langer van de dwangsommen af. Vorig jaar ging er bijna 80 miljoen euro naar de dwangsommen toe, terwijl geen asielzoeker er eerder door werd geholpen. De IND vroeg er zelf om. Wel eerlijk: dat geld ging niet naar vertragers, maar naar mensen die wachten op een trage overheid. Gemiddeld duurt een beslissing zeventien maanden, terwijl zes maanden de norm is. In 2022 vond de Raad van State bij een eerdere poging dat een passend alternatief ontbrak en voor zover ik kan overzien, is dit onderdeel niet vooraf aan de Raad van State voorgelegd. Mijn vraag is welk effectief rechtsmiddel resteert wanneer de IND ook de door de rechter gestelde termijn overschrijdt. Een termijn op papier is immers geen oplossing als de overheid die termijn vervolgens opnieuw niet haalt. De fractie van de BBB wil voorkomen dat dezelfde prikkel elders terugkomt zonder dat de onderliggende uitvoeringsproblemen worden opgelost. Volgens mij vinden we dat allemaal. Het bespaarde geld moet wat ons betreft naar snellere beslissingen gaan en niet in de algemene middelen verdwijnen. Anders is het een bezuiniging en dat was volgens mij nou net niet de bedoeling. Ik vraag de minister toe te zeggen dat hij de Kamer periodiek informeert over de beslistermijnen, de achterstanden, de rechterlijke termijnen en de inzet van het vrijgekomen budget.
De situatie in Ceuta laat zien hoe snel een grenssituatie kan omslaan in een langdurig vraagstuk van opvang, identificatie, procedure en terugkeer. De eerste snelle terugkeer van grote aantallen mensen betekende niet dat iedereen kon worden teruggestuurd. Onder meer voor minderjarigen en mensen die bescherming vroegen, waren beoordeling en opvang nodig. Ook bleek de terugkeer afhankelijk van samenwerking met Marokko. Dat is precies waarom terugkeerbeleid niet kan blijven steken in het aanscherpen van bevoegdheden. De overheid moet ook kunnen vaststellen wie iemand is, tijdig beslissen, zorgen voor voldoende capaciteit en daadwerkelijk afspraken maken met landen van herkomst.
Voorzitter. Deze wet is niet alles waar de BBB voor staat. Hij regelt meer wat er gebeurt als terugkeer mislukt dan hoe terugkeer wel gaat lukken, maar hij geeft de vreemdelingenbewaring een eigen karakter, geeft directeuren gereedschap bij geweld, maakt de ongewenstverklaringen ruimer en haalt de dwangsom die niet werkt weg. De fractie van de BBB wil meetbare instrumenten voor de resultaten van terugkeer en de gevolgen van het afschaffen van de dwangsommen. Daarnaast vragen wij om inzicht in de capaciteit van de betrokken uitvoeringsorganisaties, de manier waarop achterstanden en termijnen worden gemonitord en de wijze waarop de overheid zicht houdt op mensen zonder rechtmatig verblijf. Deze minister is wat mijn fractie betreft wel goed bezig, maar sommige van zijn collega's niet. Wij willen dat hij vooral snel en steeds verder op zijn huidige koers doorgaat, met steeds weer extra wetsvoorstellen.
Voor nu wacht ik de beantwoording af. Ik kom er in de tweede termijn op terug. Een wet die elf jaar alleen op papier heeft gestaan, mag in de uitvoering geen elf jaar op zich laten wachten.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u zeer
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik hoor de heer Lievense van BBB zeggen "deze minister is goed bezig". Deelt hij ook de mening dat de minister goed bezig is ten aanzien van het aanwijzen van gemeentes om daar de Spreidingswet af te dwingen en azc's te plaatsen? Vindt hij dat de minister daar vooral mee door moet gaan, of dat die daar misschien toch beter mee kan stoppen?
De heer Lievense (BBB):
Het is net als elke cd. Elke cd heeft wel een slecht nummer en dit is wat ons betreft het slechte nummer van die cd. Ik gaf het ook even zijdelings aan: wij zijn nog steeds voor het afschaffen van de Spreidingswet, maar goed, daar is geen politieke meerderheid voor en dat gaat dus voorlopig niet gebeuren. Dat is het slechte nummer van de cd.
De heer Van Hattem (PVV):
Ik hoop dat dat alsnog gaat gebeuren.
De heer Lievense (BBB):
Laten we er een goed nummer van maken.
De heer Van Hattem (PVV):
Het punt dat ik eigenlijk ook nog wilde maken, is dit. Ik hoor de heer Lievense van BBB zeggen: we hadden liever gezien of we zouden eigenlijk moeten zien dat er aparte wetten moeten worden ingediend. Ik hoor hem ook zeggen: ik ga mijn oordeel in tweede termijn geven. Nu was de fractie van de BBB afwezig bij de stemming over de novelle. Kan de heer Lievense aangeven hoe hij of hoe BBB staat tegenover de novelle?
De heer Lievense (BBB):
Mijn fractie was inderdaad afwezig bij de stemmingen in de Tweede Kamer. Als ze aanwezig waren geweest, hadden ze daar voorgestemd.
De heer Van Hattem (PVV):
Duidelijk.
De voorzitter:
Dank u zeer. Meneer Lievense, nogmaals dank voor uw bijdrage. De volgende spreker is mevrouw Kaljouw. Zij spreekt namens de fractie van de VVD.
Mevrouw Kaljouw i (VVD):
Voorzitter. Vandaag behandelen we de novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring. Hiermee komt er een passend regime voor noodsituaties ten aanzien van overlast gevende vreemdelingen, waarbij de groep kwetsbare vreemdelingen en vreemdelingen die zich normaal gedragen, worden ontzien. Deze wet heeft een lange weg afgelegd. Al in 2018 is de wet in de Tweede Kamer in behandeling genomen en aangenomen. Het is dus belangrijk dat wij vandaag een punt zetten achter dit veel te lang durende proces.
Met deze wetswijziging krijgt de directeur van een inrichting voor vreemdelingenbewaring de bevoegdheid om bij ernstige orde- en veiligheidsproblemen een lockdown in te stellen. Ook wordt het mogelijk om de in 2020 opgerichte handhavings- en toezichtlocatie te handhaven. Dit gaat over asielzoekers die in het COA ernstige overlast veroorzaken, waarvan de impact op de inwoners en de medewerkers zo ernstig is dat plaatsing in een aparte opvang noodzakelijk is.
Voorzitter. Deze aanpassing in de wet is belangrijk. Recentelijk verscheen het rapport Incidenten en misdrijven onder bewoners van COA- en gemeentelijke opvanglocaties 2019-2025. In totaal registreerde het COA in 2025 17.750 incidenten van fysieke, verbale, non-verbale agressie en geweld, verbale suïcidedreiging of zelfdestructieve acties. Dat is een toename van 6% ten opzichte van een jaar eerder. Het grootste deel van de in 2025 geregistreerde incidenten betrof verbale (44%) en fysieke (35%) agressie- en geweldsdelicten. Net als vorig jaar valt op dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen relatief vaak betrokken zijn bij zo'n incident.
In absolute aantallen is de meest voorkomende nationaliteit onder betrokkenen bij agressie- en geweldsdelicten Syrisch. Nationaliteiten waar onderzoekers bovengemiddeld veel registraties van betrokkenen bij agressie- en geweldsdelicten waarnemen, zijn onder andere Marokkaans (36%) en Algerijns (33%). Deze cijfers etaleren in de ogen van mijn fractie het probleem. Het gaat hier voornamelijk over relatief-veiligelanders, die asiel aanvragen en vervolgens onze maatschappij ontwrichten. Daarom is het noodzakelijk om deze groep zo snel mogelijk terug te sturen naar het land van herkomst en bij agressie- en geweldsdelicten hard in te grijpen.
Ook verruimt de wet de mogelijkheden tot ongewenstverklaring, die oorspronkelijk was opgenomen in de Asielnoodmaatregelenwet. Ook dit is belangrijk om terugkeer naar het land van herkomst te bevorderen en te verbeteren.
De heer Van Hattem i (PVV):
Volgens mij hoorde ik mevrouw Kaljouw van de VVD zeggen dat de Syriërs boven aan de lijstjes staan en ze zegt: die moeten teruggestuurd worden. Is mevrouw Kaljouw het met mij eens dat de Syriërs dus ook allemaal terug moeten worden gestuurd naar Syrië?
Mevrouw Kaljouw (VVD):
Ik weet niet of we hier nou precies over alle Syriërs moeten spreken. Het gaat er in ieder geval wel om dat ze daar waar Syrië veilig is, teruggestuurd kunnen worden. Hier gaat het natuurlijk over geweldsdelicten en dat is een heel ander hoofdstuk.
De heer Van Hattem (PVV):
In ieder geval delen van Syrië zijn veilig genoeg. Er worden nu al vliegreizen gemaakt vanaf Schiphol. De Syrische luchtvaartmaatschappij heeft gewoon al vluchten naar Damascus en andere steden in Syrië. Ze kunnen daar gewoon vliegtickets boeken en op vakantie gaan. Dan lijkt me toch wel dat Syrië veilig genoeg is om hen te laten terugkeren.
Mevrouw Kaljouw (VVD):
Ik heb de vraag al eerder beantwoord. Als het gaat om veilige delen van Syrië, kunnen mensen inderdaad terug.
De voorzitter:
U mag uw betoog vervolgen.
Mevrouw Kaljouw (VVD):
Het gaat vooral over de introductie van een bestuursrechtelijk kader voor vreemdelingenbewaring. Nu vallen veel vreemdelingen nog onder het kader van de Penitentiaire beginselenwet.
Dan het gewijzigde amendement-Diederik van Dijk c.s., de dwangsomregels. Deze zijn bedoeld om te bewerkstelligen dat een uitvoeringsorgaan zich aan de wettelijke termijnen houdt. De recente praktijk laat zien dat deze regels voor vreemdelingenzaken niet langer effectief zijn en zelfs contraproductief werken, aangezien zij een ontwrichtend effect hebben op de IND. Het lukt de IND simpelweg niet meer om de prioritering aan de hand van rechterlijke uitspraken op te volgen, zeker nu inmiddels in het overgrote deel van de zaken een beroep niet tijdig beslissen is ingediend. Dit werkt ontwrichting in de planning in de hand en belemmert ook een rechtvaardige afhandeling van aanvragen op volgorde van binnenkomst. Het afhandelen van deze claims gaat bovendien ten koste van de beperkt beschikbare behandelcapaciteit. Voor mijn fractie is het belangrijk dat de gerechtelijke dwangsom wordt afgeschaft. Wij zijn hier een groot voorstander van. In 2025 keerde de IND 79 miljoen euro uit aan dwangsommen en dat is ruim een verdubbeling ten opzichte van het jaar daarvoor. Dit zal bij ongewijzigd beleid alleen maar toenemen. Wat de exacte bedragen zijn, is onduidelijk. Als sommige asielzoekers tienduizenden euro's aan dwangsommen krijgen omdat termijnen zijn overschreden, zoals uit de media blijkt, zijn we toch echt de weg kwijt. Voor zo'n bedrag moet een groot deel van Nederland een jaar of twee jaar werken.
Voorzitter. Mijn fractie zal de stemming over de asielwetgeving niet snel vergeten. Het prangende punt was de strafbaarstelling van illegaliteit. In dit proces was de politiek weer eens de hoofdrolspeler en hierdoor zijn enkele kostbare maanden verloren gegaan. We zien een toename van het verzet tegen azc's. De sfeer wordt grimmiger en agressie, dit keer door Nederlanders, overschrijdt grenzen. Het is dus van het grootste belang dat de Europese wetgeving gaat werken en dat wij in Nederland orde op zaken gaan stellen. Door de wijzigingen in de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring wordt dit, in de ogen van mijn fractie, beter. Mijn fractie heeft maar één vraag aan deze minister. In de begroting van 2027 heeft de IND opnieuw miljoenen gereserveerd voor het uitkeren van gerechtelijke dwangsommen. Dat is niet langer uit te leggen aan de Nederlandse bevolking. Kan de minister deze dwangsomregeling met onmiddellijke ingang stoppen?
Tot slot wensen wij deze minister succes met de uitvoering van de opdracht en de lat waar hij voor staat.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer, mevrouw Kaljouw.
De heer Nicolaï i (PvdD):
De VVD is, hoor ik, voor het afschaffen van die dwangsombevoegdheid van de rechter. Nou zijn er deskundigen die hebben gezegd: pas op, als er niet een ander middel beschikbaar komt dat de rechter kan hanteren om ervoor te zorgen dat zijn uitspraak wordt nageleefd, dan bent u in strijd met artikel 47 van het EU-Handvest. Dat afzonderlijke middel is er nog niet. Daar is ook al door diverse mensen naar gevraagd. Hoe staat de VVD daarin? Als nou blijkt dat dat er niet is, gaat dan toch het wetsontwerp door of zegt u dan: nee, wij vinden staatsrechtelijk — de Eerste Kamer doet die toetsing — dat wij moeten kijken of dat kan; het is niet in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dus wij kunnen niet een groen vinkje bij dit wetsontwerp zetten?
Mevrouw Kaljouw (VVD):
Ik ben het met de heer Nicolaï eens dat er natuurlijk wel een staatsrechtelijke prikkel moet worden ingebouwd. Die vraag is inderdaad al een keer of zes gesteld, dus wij zijn benieuwd naar het antwoord van de minister. Het zal niet zo zijn dat, zoals de fractie van D66 zei, we daarna dan weer die dwangsom in het leven roepen. Dat zullen we niet doen.
De voorzitter:
Meneer Nicolaï, nog een vervolgvraag.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik begrijp niet helemaal wat de minister moet antwoorden, want we kunnen toch allemaal de wet lezen? In de wet staat geen ander middel. Als dat andere middel niet in de wet wordt gegeven, staat op dit moment het volgende vast, denk ik, tenzij de minister nog komt met andere mogelijkheden, maar die heb ik nog niet gehoord en die staan ook niet in de memorie van toelichting. Dan staat toch vast dat dit in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest?
Mevrouw Kaljouw (VVD):
Ik blijf bij hetzelfde antwoord. Die vraag is al een aantal keren gesteld. Ik ben heel benieuwd hoe de minister hierop gaat reflecteren. Ik weet dat het er nu niet in staat, maar we gaan kijken wat er gaat gebeuren.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Nicolaï.
De heer Nicolaï (PvdD):
De laatste vraag. Stel nou dat het doorgaat zoals het nu gaat. In mijn optiek is voorzienbaar dat die zaak heel snel bij de bestuursrechter aanhangig wordt gemaakt tot aan de Raad van State, met spoed enzovoort. Als de Raad van State vindt dat artikel 47 van het EU-Handvest niet is nageleefd, zal deze bepaling in deze wet buiten toepassing moeten worden gelaten. Dat is, denk ik, toch een beetje een blamage voor de rechtsstaat en voor het beleid van het kabinet waar de VVD in zit?
Mevrouw Kaljouw (VVD):
Dat zullen we afwachten.
Mevrouw Thijssen i (PRO):
Ik word wel geprikkeld door mijn gedachten over de vraag of er alternatieven zouden kunnen zijn. Een suggestie is bijvoorbeeld om de beslistermijnen te verlengen. Hoe kijkt de VVD-fractie daartegen aan als alternatief?
Mevrouw Kaljouw (VVD):
Ik denk niet dat de fractie van de VVD gaat over het verlengen van termijnen. Ik denk wel dat het bij de minister thuishoort om de vraag te beantwoorden of termijnen eventueel zouden kunnen worden verlengd. Dat wachten we dan af.
De voorzitter:
Dank u zeer. U had uw bijdrage afgerond, waarvoor dank. De volgende spreker is de heer Van Hattem, die ik graag het woord geef. Hij spreekt namens de fractie van de PVV.
De heer Van Hattem i (PVV):
Dank, voorzitter. Voor zover van deze wetsvoorstellen al iets mag worden verwacht, is het hooguit een druppel op een gloeiende plaat, maar wel een plaat die steeds gloeiender wordt. De sluizen van de asieltsunami blijven wagenwijd openstaan onder dit kabinet-Jetten. Elke week komen er zeker 900 nieuwe gelukszoekers bij in Ter Apel; het blijft dweilen met de kraan open. Daarom moeten we heel snel naar een totale asielstop, de Spreidingswet intrekken, illegaliteit strafbaar stellen en keihard inzetten op remigratie van iedere vreemdeling die hier niks te zoeken heeft of zich misdraagt. Het vertrek van vreemdelingen moet een topprioriteit zijn, want Nederland is vol, onhoudbaar vol.
Terugkeer, waar het voorliggende wetsvoorstel ook voor bedoeld is, is hoogstnoodzakelijk. Het Economisch Instituut voor de Bouw, het EIB, becijfert dat het grootste deel van onze nieuwbouwwoningen bestemd is voor asielmigranten, terwijl Nederlanders hierdoor steeds langer op wachtlijsten staan of zelfs in hun auto moeten wonen. Gisteren stond er een verhaal in De Gelderlander over de 53-jarig Raymond, die een broze gezondheid heeft en al maandenlang in zijn auto bivakkeert voor het stadhuis van Tiel nadat zijn huur was opgezegd vanwege de verkoop van een huurpand. Deze mensen hebben geen dak boven hun hoofd, maar dit kabinet maakt zich alleen maar druk over asieleisers in Ter Apel die in het gras zouden moeten slapen. De komende jaren zouden er volgens de berekeningen van het EIB 340.000 nieuwe woningen voor asielzoekers beschikbaar moeten komen. Dat is onacceptabel en onhaalbaar. Laat daarom alle Syrische asielzoekers terugkeren naar Syrië en laat ze daar hun eigen land opbouwen, zodat er hier weer ruimte is voor onze eigen mensen.
Ondertussen worden onze steden geterroriseerd door groepen Syrische jongeren. Ik citeer: "Uitgeprocedeerde Syriërs vechten, steken en stelen erop los. Sporen van ellende in Nederlandse steden." Dat kopte De Telegraaf deze week. Ze reizen van stad naar stad om onze straten onveilig te maken en om ruzies tussen groepen uit te vechten: een complete bendeoorlog. Wat doet dit tuig hier nog? Wat doet deze minister om ze het land uit te jagen? Afgelopen zondag zat hij bij WNL op Zondag en gaf hij met betrekking tot deze Syrische jongeren aan: "Ik sta komende week in de Eerste Kamer een wet te verdedigen. Als die wordt aangenomen, hebben we meer ruimte om mensen in vreemdelingenbewaring op te nemen. We kunnen meer en sneller werken om mensen ongewenst te verklaren." Kan de minister concreet aangeven wat het precies gaat betekenen als vandaag deze wetten worden aanvaard? Wat gaat hij met deze wet met deze Syrische jongeren doen zodra deze wet gepubliceerd wordt in het Staatsblad? Gaan ze direct de vreemdelingenbewaring in? Is dat mogelijk met vreemdelingenbewaring als laatste redmiddel? Hoeveel gaat hij er uitzetten en hoe snel? Of blijft het weer bij loze woorden? Als ze al in vreemdelingenbewaring worden gezet, krijgen ze middels deze wet ook nog een extra comfortabele behandeling: van sportcoaches tot extra bezoek en internetfaciliteiten. Ze worden van alle gemakken voorzien.
En als de linkse partijen gaan klagen over kinderen in vreemdelingenbewaring … Eerder hebben we een bezoek gebracht aan het centrum in Zeist: keurig netjes, van alle gemakken voorzien, met eigen wooneenheden, zeer comfortabel. Het is mooi lommerrijk gelegen in de bossen, waardoor je je bijna in een park van Center Parcs waant. Veel Nederlandse kinderen treffen het slechter.
Ook het vertrekcentrum in Rotterdam hebben we toen bezocht, waar medewerkers door agressieve vreemdelingen werden mishandeld. Ze werden letterlijk met bakken stront besmeurd. Daar moet keihard tegen worden opgetreden. Kan de minister aangeven of deze wet nu voldoende soelaas biedt met de lockdown? Of is de directeur nog steeds te veel met handen gebonden om adequaat in te kunnen grijpen? Daarbij alle respect voor de medewerkers van het detentiecentrum, die deze klappen letterlijk opvangen.
Dan over de aantallen illegale vreemdelingen. Volgens het WODC zou het gaan om naar schatting zo'n 20.000. Hulpverleners gaven echter dit voorjaar in Trouw aan dat dit een grove onderschatting lijkt te zijn. Zo schat het WODC het aantal illegalen in Amsterdam op zo'n 3.400, terwijl het volgens hulpverleners zou gaan om zo'n 30.000, alleen al in Amsterdam. Op tv gaf de straatarts van Stichting Kruispost aan dat zij tien keer zo veel illegalen ziet als wat het WODC schat, en dan ook voor heel Nederland. Hiermee komen we uit op zo'n 200.000 illegalen landelijk, wat ook overeenkomt met het geschatte aantal illegalen in België. De cijfers van het WODC zijn veel lager dan die van de andere Europese landen en lijken dus van een systematische ondertelling uit te gaan. Daarbij gaat het WODC uit van een dalende trend, terwijl de straatarts juist een jaarlijkse stijging ziet van zo'n 10% tot 15%. Kan de minister hier duidelijkheid over geven? Worden de aantallen illegalen structureel onderschat en wat betekent dit voor de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel?
Eerder dit jaar gaf de minister in deze Kamer aan dat de door hem voorziene aanpak van strafbaarstelling van illegaliteit beperkt zou blijven tot een aantal van 100 tot 300 illegalen per jaar, een totale farce bij een aantal illegalen dat oploopt tot 200.000. Kan de minister aangeven hoeveel illegalen hij met het voorliggende wetsvoorstel per jaar in vreemdelingenbewaring wil nemen en uitzetten, en hoeveel bij zijn aangekondigde wetsvoorstel over terugkeerfrustreerders? Graag een reactie.
Voor de uitvoerbaarheid van terugkeer en vreemdelingenbewaring is ook relevant wat er nu gebeurt rond asielopvang en de status van 140.000 Oekraïners. Zij zouden nu alsnog in de asielprocedure moeten worden opgenomen. Dat legt een groot beslag op de IND. Wat betekent dat voor de terugkeer en de capaciteit van vreemdelingenbewaring? Kan de minister ook aangeven wat dit betekent voor de Spreidingswet? Telt de opvang van deze Oekraïners nu ook mee voor de gemeenten?
Een ander probleem is de verwevenheid tussen vreemdelingenrechters en de asiellobby. Deze week verscheen een journalistiek onderzoek naar de netwerken tussen rechters en de asiellobby, onder andere via VluchtelingenWerk en de Stichting Migratierecht Nederland. Herkent de minister de in dit artikel geschetste verwevenheid? Ziet hij in dat dit onderdeel is van het probleem bij het tot stand brengen van een effectief terugkeerbeleid in ons land? Graag een reactie.
Een soortgelijk probleem is te zien bij het nieuwe EU Handbook on European law relating to asylum, borders and immigration. Dit gaat sterk uit van het voorkomen van het uitzetten van gevaarlijke criminele vreemdelingen en terroristen, zet in op restricties voor collectieve uitzettingen en rolt de rode loper uit voor herhaaldelijk beroep, complexe procedures en daarmee voor uitstel van terugkeer. Ziet de minister in dat door zulke handboeken, die worden uitgegeven door de European Union Agency for Fundamental Rights, het EHRM en de Raad van Europa, de inspanningen voor een strenger asiel- en uitzettingsbeleid juist worden ondermijnd en dat die dus niet als uitgangspunt gehanteerd moeten worden door onze uitvoeringsorganisaties? Oftewel: gaan die handboeken daar van tafel? Graag een reactie.
Voorzitter, tot slot. Belangrijk is nu wel dat de dwangsommen worden afgeschaft die massaal aan asielzoekers worden uitbetaald. 7 miljoen per week! Ruim 300 miljoen wordt daarvoor gereserveerd. Het is compleet krankzinnig. Er moet onmiddellijk een hele dikke streep doorheen.
Voorzitter, tot zover in eerste termijn.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Van Hattem. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Huizinga. Zij spreekt namens de fractie van de ChristenUnie.
Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Het is een goed gebruik in deze Kamer om transparant te zijn over onze nevenfuncties. Daarom meld ik voorafgaand aan mijn bijdrage dat ik sinds juli voorzitter ben van de raad van toezicht van VluchtelingenWerk. Daarom zal ik mij niet uitspreken over zaken waar een direct belang van de stichting VluchtelingenWerk mee gemoeid is.
Voorzitter. Het kabinet zit er nog geen acht maanden, en toch staat deze minister alweer voor de vierde keer in deze Kamer om een wetsvoorstel te verdedigen. Dat zegt iets over de energie waarmee deze minister aan de slag is gegaan. Met diezelfde energie neemt hij de uitvoering van de Spreidingswet ter hand. Dat waardeert mijn fractie. Daarnaast is mijn fractie verheugd over het feit dat deze minister de twee moties uitvoert die wij vorig jaar bij de behandeling van de begroting van Asiel en Migratie hebben ingediend. Het COA en de IND krijgen daardoor meer zekerheid over hun financiële toekomst.
Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, past daarom zo op het oog veel minder goed bij deze minister. De behandeling ervan kan immers met geen mogelijkheid voortvarend worden genoemd. Het oorspronkelijke voorstel ligt al sinds 2018 in deze Kamer, terwijl de novelle in zijn oorspronkelijke vorm al in 2020 bij de Kamer werd ingediend. Hoe het ook zij, mijn fractie kan zich vinden in het doel van dit wetsvoorstel. Vreemdelingenbewaring wordt met de wet en de novelle juridisch beter onderscheiden van gevangenisstraf. Dat doet meer recht aan het feit dat vreemdelingenbewaring geen straf is. Dat vinden wij een goede ontwikkeling.
Mijn fractie heeft nog wel vragen bij de verregaande bevoegdheden die de directeur van de instelling krijgt in het kader van de orde en veiligheid. Hoe voorkomt de minister dat deze bevoegdheden in de praktijk leiden tot een vorm van bewaring die veel overeenkomsten heeft met een gevangenisstraf? Kan hij daarbij in het bijzonder ingaan op de zogenaamde lockdown en het beheersregime? Mijn fractie sluit zich aan bij de vragen die mevrouw Thijssen en de heer Dittrich op dit terrein hebben gesteld.
Voorzitter. Naast een inhoudelijke aanvulling op het wetsvoorstel bevat de novelle een onderdeel dat met terugkeer of vreemdelingenbewaring niets te maken heeft. Het amendement-Diederik van Dijk c.s. is bedoeld om de rechterlijke dwangsom in vreemdelingenzaken af te schaffen. Bij deze voorgenomen afschaffing heeft mijn fractie een aantal vragen en opmerkingen. Die hebben te maken met de functie die dwangsommen hebben in ons rechtsbestel, de situatie van de mensen die voor 12 juni een asielaanvraag hebben gedaan en de juridische houdbaarheid van de afschaffing.
Voorzitter. Het is waar dat de dwangsommen hun doel niet meer bereiken. De achterstanden bij de IND lopen immers ondanks de dwangsommen op. In dat licht is er iets voor te zeggen om de rechterlijke dwangsommen dan maar af te schaffen, al was het maar tijdelijk. Dwangsommen kosten de IND immers veel geld. Toch heeft mijn fractie zorgen over het feit dat de afschaffing van de dwangsom vandaag op tafel ligt. Met de afschaffing van de dwangsom is het echte probleem, de lange tijd die de IND nodig heeft om een beslissing te nemen, natuurlijk niet opgelost. Een brand kun je niet blussen door de rookmelder uit te zetten. Dwangsommen zijn bedoeld om burgers via de rechter te beschermen tegen een overheid die haar taken niet uitvoert of die daarmee onvoldoende vaart maakt. Het is bij de uitvoering van overheidsbeleid inmiddels — ik zeg het met een aarzeling, maar ik zeg het toch — zo'n chaos geworden, dat ook dwangsommen hun werking hebben verloren. Het gaat daarbij niet alleen om de dwangsommen die de rechter de IND oplegt. De Raad van State drukte eerder dit jaar de pauzeknop in wat betreft de dwangsommen die de Dienst Toeslagen moest betalen. De afhandeling door de Dienst Toeslagen loopt zodanig vast, dat ook dwangsommen geen effect meer hebben.
Kan de minister reageren op de zorgen van mijn fractie? Is hij met ons van mening dat deze voorgestelde afschaffing een symptoom is van een falende overheid? Wat vindt hij ervan dat overheidsorganisaties samen optrekken om de dwangsommen van tafel te krijgen, zoals Trouw vorige maand schreef? In aansluiting daarop vraag ik: hoe kijkt de minister zelf naar het fenomeen dwangsom? Kan de minister inzichtelijk maken welk deel van het totaal aan uitgekeerde dwangsommen uiteindelijk met een omweg bij het COA terechtkomt?
Voorzitter. Inmiddels beoordeelt de IND asielaanvragen volgens de regels van het Europees Asiel- en migratiepact. Zolang de IND nieuwe aanvragen voldoende voortvarend behandelt, zal er van dwangsommen bij deze nieuwe aanvragen niet of nauwelijks sprake kunnen zijn. Mijn fractie maakt zich echter grote zorgen over de 54.000 mensen die vóór 12 juni een asielaanvraag hebben gedaan. Zij zullen naar verwachting nog lang moeten wachten voordat de IND een beslissing neemt. De minister heeft weliswaar aangegeven dat de IND deze achterstand binnen drie jaar hoopt in te lopen, maar dat stelt mijn fractie nog niet helemaal gerust. Bedoelt de minister dat de IND ernaar streeft om de procedures van deze groep binnen drie jaar volledig af te ronden, of betekent deze termijn dat aanvragers na drie jaar alleen een eerste beslissing van de IND hebben ontvangen en dat daarna dus nog beroep mogelijk is? Kan de minister met deze Kamer delen hoelang mensen uit deze groep op dit moment al wachten? Kan de minister ten slotte toezeggen om over drie jaar — de minister verwacht dat de situatie bij de IND dan gestabiliseerd is — te evalueren of de herinvoering van de rechterlijke dwangsom op dat moment wel weer het beoogde effect zou sorteren?
De heer Schalk i (SGP):
Mevrouw Huizinga vraagt of een eventuele herintroductie van dwangsommen mogelijk is. Is ze het eens met het feit dat de dwangsommen op dit moment alleen maar contraproductief werken en dat dat misschien wel de reden kan zijn om op dit moment in ieder geval te zeggen dat we daar echt mee moeten stoppen?
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Als de heer Schalk naar mijn bijdrage heeft geluisterd, dan heeft hij gehoord dat mijn opening is geweest dat we op dit moment inderdaad zouden kunnen overwegen om de dwangsommen af te schaffen. Tegelijkertijd is het natuurlijk wel van belang om te kijken naar de oorzaak van het vastlopen. De oorzaak is, zoals ik heb betoogd, een falende overheid. Daar kunnen wij toch geen genoegen mee nemen?
De heer Schalk (SGP):
Dat vind ik inderdaad een hele goede constatering. Het faalt.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Ik vind het geen goede constatering, maar goed.
De heer Schalk (SGP):
De constatering is in ieder geval juist. Het klopt dat het systeem faalt. Of de overheid daarbij faalt, kun je nog betwisten. Maar goed, het systeem faalt. Het in stand houden van de dwangsommen op dit moment zou de falende systemen alleen maar verder kunnen opschorten. Ik snap een groot deel van de vragen van mevrouw Huizinga, maar wat is nou het oordeel op dit moment over de dwangsommen? Dat is mij eerlijk gezegd uit het betoog nog niet helemaal duidelijk.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Ik was ook nog niet aan het einde van mijn bijdrage gekomen. Daarbij is het altijd een goed gebruik om eerst naar de minister te luisteren voordat je een uiteindelijk oordeel velt.
Daar komt nog bij dat de minister vorige week werd geconfronteerd met een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof oordeelde dat Nederland de asielaanvragen van Oekraïners toch weer in behandeling moet nemen. Mijn fractie hoort graag van de minister wat dit in de praktijk gaat betekenen, ook voor asielaanvragen van niet-Oekraïners die dateren van vóór 12 juni.
Voorzitter. Mijn fractie heeft vragen bij de juridische houdbaarheid van de afschaffing van de rechterlijke dwangsom. Een eerdere poging om deze dwangsom af te schaffen, strandde immers bij de rechter. Toen stuitte de regering bij de Raad van State op artikel 47 van het EU-Handvest. In interrupties is daar ook al over gesproken. Dat vereist dat een vreemdeling toegang heeft tot een doeltreffende voorziening in rechte, ook als er geen dwangsom meer is. De indieners van het amendement zijn van mening dat de bezwaren die de Afdeling bestuursrechtspraak had tegen de eerdere afschaffing van de rechterlijke dwangsom, niet meer van toepassing zijn in verband met een latere uitspraak van het Hof van Justitie. Mijn fractie hoort heel graag het oordeel van de minister hierover.
Daar wou ik het bij laten. Dank u.
De voorzitter:
Dank u zeer, mevrouw Huizinga. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Perin. Zij spreekt als altijd namens de fractie van Volt, maar vandaag ook namens de Fractie-Visseren-Hamakers.
Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag hebben we een debat over een wet waarbij wij als Kamer worden getoetst op onze rolvastheid, en ook op de vraag of we een goed geheugen hebben. Nog niet zo lang geleden behandelden we in deze Kamer de Asielnoodmaatregelenwet, een wet die het uiteindelijk niet heeft gehaald. Vandaag liggen een aantal onderdelen uit die wet weer voor, maar dan als onderdeel van de novelle bij de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring. De verpakking is dan misschien iets veranderd, maar de inhoud is op belangrijke onderdelen hetzelfde gebleven. Daarmee is ook onze verantwoordelijkheid als Eerste Kamer niet veranderd. Onze rol is om wetgeving te toetsen op rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, om te beoordelen of wetten in overeenstemming zijn met de Grondwet, met internationale verdragen en met het Europees recht.
Voorzitter. De Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring is een bestuursrechtelijke maatregel en dus hoort daar ook een ander regime bij dan bij het strafrecht. Het ooit beoogde doel van deze wet was om vreemdelingenbewaring humaner te maken. Maar met de geamendeerde novelle worden bevoegdheden uitgebreid, rechtswaarborgen gewijzigd en onderdelen van eerder verworpen wetgeving opnieuw geïntroduceerd. Er valt heel veel te zeggen over de wet en de novelle die vandaag voorliggen, maar ik beperk mij in onze inbreng op twee zaken: de afschaffing van de gerechtelijke dwangsom en kinderrechten.
Voorzitter. Ik begin bij de afschaffing van de rechterlijke dwangsom. De afschaffing die vandaag voorligt, is inhoudelijk identiek aan de regeling die eerder via de Asielnoodmaatregelenwet werd voorgesteld. Tijdens de behandeling van die wet zijn uitgebreide juridische vragen gesteld over de verenigbaarheid met het Europees recht. De regering heeft destijds aangegeven dat het uiteindelijk aan de rechter is om te bepalen of de afschaffing van de dwangsom verenigbaar is met artikel 47 van het EU-Handvest.
Voorzitter. Dat is een opmerkelijk antwoord, want wij moeten wetgeving maken die duidelijk en juridisch houdbaar is. Wij kunnen hier geen wetten aannemen waarvan de regering zelf niet zeker is of die juridisch wel houdbaar is. Bovendien heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 november 2022 zich al over deze kwestie uitgesproken. De afdeling oordeelde toen dat het uitsluiten van een rechterlijke dwangsom in asielzaken zonder een alternatief dwangmiddel, in strijd was met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Dat beginsel is vastgelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De kern van die uitspraak is eenvoudig. Het is niet voldoende dat iemand naar de rechter kan stappen en daar gelijk krijgt; de overheid moet vervolgens ook daadwerkelijk gevolg geven aan die gerechtelijke uitspraak. De minister heeft in de schriftelijke beantwoording uitgelegd waarom de huidige dwangsomregeling volgens de regering contraproductief werkt. We weten allemaal dat de IND kampt met achterstanden, hoge werkvoorraden en onvoldoende capaciteit. De bedragen die aan dwangsommen worden uitgekeerd, zijn enorm. Volgens mij vinden wij die allemaal veel te hoog. Die bedragen zou niemand moeten willen uitgeven aan het overschrijven van wettelijke beslistermijnen.
Voorzitter. Dwangsommen zijn niet de oorzaak van de termijnoverschrijding. Zij zijn het gevolg ervan. Een uitvoeringsprobleem bij de overheid kan niet zonder meer worden opgelost door een rechtsbeschermingsinstrument van mensen weg te nemen. De regering heeft bovendien tijdens de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet erkend dat het opnieuw vaststellen van de bevoegdheid van de rechter om een beslistermijn te stellen, in de praktijk niets toevoegt aan de bestaande situatie. Daarmee blijft de fundamentele vraag onbeantwoord: wat gebeurt er wanneer de overheid ook de nieuwe rechterlijke termijnen niet naleeft?
Voorzitter. Het Europese Asiel- en migratiepact is inmiddels van toepassing. De nieuwe Asielprocedureverordening bevat in artikel 35 concrete beslistermijnen. Het Europees recht schrijft niet voor dat Nederland daarvoor rechterlijke dwangsommen moet gebruiken, maar stelt wel eisen aan effectieve rechtsbescherming. Daarom vragen onze fracties de minister hoe het juridisch bezwaar uit de uitspraak van de Raad van State van 30 november 2022 is weggenomen. Dus is er nu effectieve rechtsbescherming geregeld? En waarom acht de regering het verantwoord om opnieuw een wet aan te nemen, waarvan zij eerder zelf heeft aangegeven dat de verenigbaarheid met het Europees recht uiteindelijk door een rechter moet worden vastgesteld? Kan de minister bovendien concreet aangeven welk alternatief dwangmiddel de rechter straks nog heeft om naleving van zijn uitspraak af te dwingen?
Voorzitter. Een rechtsstaat waarin de burger zich aan de wet moet houden, maar de overheid rechterlijke uitspraken zonder effectieve consequenties naast zich neer kan leggen, is geen rechtsstaat waarin de overheid en de burger op gelijke wijze aan het recht gebonden zijn.
Voorzitter. Dan kom ik bij de rechten van kinderen. In de schriftelijke ronde heeft mijn fractie uitgebreid vragen gesteld over de gevolgen van deze wet voor minderjarigen. Uit de beantwoording blijkt dat in 2025 ongeveer 140 kinderen met hun gezin in vreemdelingenbewaring verbleven. Dat zijn 140 kinderen die hun vrijheid zijn kwijtgeraakt, terwijl zij niet zijn veroordeeld voor een strafbaar feit. Binnen het afzonderlijke regime kunnen kinderen onder bepaalde omstandigheden nog steeds maximaal twaalf uur per dag worden ingesloten, gedurende maximaal twee weken.
Voorzitter. Dat is een heel ingrijpende maatregel voor een kind. Daarom hebben wij de regering gevraagd of bij de wet en bij de novelle een kinderrechtentoets is uitgevoerd. Het antwoord van de minister heeft mij zeer verbaasd. Hij schrijft namelijk dat bij ieder wetsvoorstel standaard gekeken wordt naar internationale mensenrechtenverdragen, waaronder het Kinderrechtenverdrag. Daarmee wordt materieel al voldaan aan hetgeen de kinderrechtentoets beoogt, aldus de regering.
Voorzitter. Dat vinden onze fracties wel heel gemakkelijk. Een kinderrechtentoets is meer dan het vaststellen of een wetsvoorstel niet evident in strijd is met kinderrechten. Het gaat om het daadwerkelijk onderzoeken van de gevolgen van wetgeving voor kinderen. Welke belangen zijn afgewogen? Welke risico's zijn onderzocht? Welke alternatieven zijn overwogen? En welke keuzes zijn anders uitgevallen omdat het belang van het kind voorop is gesteld? Graag zouden wij hier nog antwoord op krijgen van de minister.
Bovendien heeft de Kinderombudsman eerder ernstige zorgen geuit over de gevolgen van asielwetgeving voor kinderen en gewaarschuwd dat eerdere voorstellen niet door de kinderrechtentoets zouden komen. Zelfs de Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft onlangs nog de noodklok geluid over kinderen in de asielopvang. Dat oordeel ging niet specifiek over deze wet of novelle, maar juist omdat hierin onderdelen van eerdere asielwetgeving opnieuw voorliggen, vinden wij het belangrijk dat de gevolgen voor kinderen expliciet en inzichtelijk worden getoetst. Het liefst zouden wij dat dus ook aan de voorkant van een wetstraject zien. Daarnaast willen wij de minister vragen of hij bij de evaluatie van de wet een kinderrechtentoets wil uitvoeren.
Ik kijk uit naar de reactie van de minister. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer, mevrouw Perin, voor uw bijdrage. De volgende spreker in deze termijn is de heer Janssen, en hij spreekt namens de fractie van de SP.
De heer Janssen i (SP):
Voorzitter, dank u wel. Er zijn al veel gedetailleerde vragen gesteld door de collega's, dus die zal ik niet herhalen. Laat ik beginnen met een vraag aan de minister over de actualiteit. Kan de minister aangeven hoe hij de uitspraak van het Europees Hof van Justitie over de door Nederland verplichte asielaanvraag voor Oekraïense ontheemden gaat uitvoeren en wat dit gaat betekenen voor de doorlooptijden bij de IND? Acht de minister zijn eigen oplossing — niets doen en achteraan in de rij plaatsen — juridisch houdbaar?
Voorzitter. Of het de kwaliteit van wetgeving ten goede komt om een wetsvoorstel waar de Tweede Kamer in 2018 over heeft gestemd en dat vervolgens via een novelle, die sinds 2020 tot tweemaal toe is gewijzigd en dan ook nog geamendeerd, nu zo te behandelen, waag ik te betwijfelen. Vindt de minister zelf dat deze wet nog voldoet aan de eisen van duidelijkheid, eenvoud en bestendigheid? De minister zal deze eisen herkennen als voortkomend uit de Aanwijzingen voor de regelgeving. Graag een reactie van de minister.
Met name vraag ik hem hoe dit straks samengestelde wetsvoorstel voldoet aan de eisen van duidelijkheid en eenvoud voor de betreffende doelgroep, een andere eis uit die aanwijzing. Mijn vragen stel ik ook in de wetenschap dat de minister nog komt met een wetsvoorstel, waarvoor hij de term "terugkeerfrustreerders" heeft gemunt. Hoe raken deze wetsvoorstellen elkaar en zal dit leiden tot conflicterende artikelen of onduidelijkheid in de uitvoering, vraag ik de minister.
Voorzitter. Ik hoor dat iedereen haast wil maken met dit wetsvoorstel en de novelle vanwege het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen in asielprocedures. Had dat niet apart geregeld kunnen en moeten worden, vraag ik de minister. Als het al te regelen ís, zeg ik daar nadrukkelijk bij, temeer omdat een eerdere aparte regeling voor het tijdelijk afschaffen van rechterlijke dwangsommen juridisch is gesneuveld bij de Raad van State. En als de minister het afschaffen van rechterlijke dwangsommen zo'n goed idee vond, waarom heeft de minister het dan niet zelf geregeld, in plaats van te wachten op een amendement? Dan had de minister namelijk meteen vooraf het oordeel van de Raad van State gehoord over het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen, in plaats van te wachten op een rechterlijke uitspraak.
Mijn volgende vraag aan de minister is daarom of hij het verschil kan uitleggen tussen het door de Raad van State onverbindend verklaren van het tijdelijk afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken, als in strijd met het beginsel van effectieve rechtsbescherming en het Unierecht, en het permanent afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken, zoals vandaag voorligt. Waarom zou een tijdelijk afschaffen van de rechterlijke dwangsommen onverbindend worden verklaard en het permanent afschaffen wel door de Raad van State in stand worden gelaten?
Voorzitter. In de Tweede Kamer is verwezen naar uitspraken van de Raad van State en andere uitspraken die het opleggen van een bindende termijn in plaats van een dwangsom toe zouden staan. Maar hoe kan een bindende termijn een effectief middel zijn als die termijnen nu ook al bij lange na niet worden gehaald? Wat de minister dan doet, dus als die zaken voorrang gaan krijgen na een rechterlijke uitspraak, is de rechter onderdeel maken van de uitvoering van zijn beleid, via de trechter van de rechter. En dat is toch iets wat we te allen tijde moeten voorkomen. De rechter toetst en is geen deel van de uitvoering. Het ging om uitspraken waarbij de Raad van State een dwangsom eventueel achterwege zou kúnnen laten, maar dat is een rechterlijke afweging. De rechterlijke afweging wordt gemaakt, maar die wordt met deze novelle onmogelijk gemaakt. Dat is toch een totaal andere dimensie? Zo maak je van de uitzondering de regel. Graag een uitleg van de minister.
Voorzitter. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsommen bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsommen te komen. Bij deze vaststelling wordt rekening gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. Die aanbeveling bepaalt dat de minister een dwangsom van €50 per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van €15.000. Een maximum van €15.000 en een dagbedrag van €50.
We zien dat die aanbeveling nu in alle recente asieluitspraken bij rechtbanken terugkomt. Ik neem aan dat de minister dat ook ziet. Graag zijn reactie daarop. Hoe verhouden deze aanbeveling en de uitspraken nu zich tot de eerdere financiële praktijk? Wat zijn de financiële gevolgen? Wat is het verschil tussen de eerdere praktijk en deze aanbeveling, die nu volop wordt gevolgd?
Voorzitter. Dan over wat voorheen het amendement was en nu onderdeel is van de novelle over het afschaffen van de rechterlijke dwangsom, en met name over het handelen van de minister daarin in de Tweede Kamer. Voor zover mij bekend is, heeft de minister geen spoedadvies over dit amendement gevraagd bij de Raad van State. Klopt dit? En zo ja, waarom heeft de minister dit niet gedaan om vooraf die duidelijkheid te krijgen, in plaats van een uitspraak van de Raad van State op dit punt af te wachten? Blijkbaar betekent dit dat de minister volledig is overtuigd van de juridische houdbaarheid van dit amendement en daar geen twijfel bij kent. Of is de minister niet volledig overtuigd van de juridische houdbaarheid en heeft de minister een politieke afweging gemaakt bij zijn oordeel over dit amendement? Want ik lees vooral dat de regering dit ook wil om de IND te ontlasten, maar daarmee wordt het een politieke afweging en niet een juridische. Daarmee zou de ministeriële verantwoordelijkheid van deze minister voor de rechtmatigheid van wetgeving in het geding zijn. De minister mag immers niet meewerken aan wetgeving als vooraf duidelijk is dat die onrechtmatig is of zou kunnen zijn. Dat zou hij moeten betrekken bij zijn oordeel over zo'n amendement. Ik hoor dan ook graag de juridische onderbouwing van de minister: waarom acht hij het permanent volledig afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken rechtmatig en boven iedere juridische twijfel verheven? Waarom is zijn oordeel boven zo veel twijfel verheven dat hij een spoedadvies over een amendement bij de Raad van State overbodig achtte? Stond zijn politieke wens dit in de weg, is mijn directe vraag aan de minister.
Meer in het algemeen wil ik de minister vragen hoeveel zaken er onder het overgangsrecht gaan vallen, zoals dat in het amendement over de afschaffing van de rechterlijke dwangsom is voorzien. In hoeveel zaken is er nog wel een rechterlijke dwangsom mogelijk? Om welke bedragen gaat het dan, nu en in de toekomst? Graag een concreet antwoord van de minister.
Voorzitter. Dan een meer algemene vraag uit de eigen, eerdere, praktijk. De IND is een uitvoeringsorganisatie, een agentschap, die valt onder de Rijksoverheid. Nu is het zo dat door Rijksoverheidsorganen geïnde dwangsommen direct vallen onder de algemene middelen, ongeoormerkt. Mijn vraag aan de minister is: waarom worden de dwangsommen die door de IND betaald moeten worden dan op de begroting van de IND opgevoerd? Zouden die ook niet gewoon uit de algemene financiële middelen betaald moeten worden, waar ook de geïnde dwangsommen immers terechtkomen? Dat zou toch een veel betere oplossing zijn? Maar dat is een politieke keuze. Graag hoor ik hoe de minister hierover denkt.
Voorzitter. Over vreemdelingenbewaring, alles wat daarover gevraagd is en alles wat daarmee samenhangt, en over de nieuwe, nog van de minister te ontvangen wet heb ik een tweetal meer algemene vragen, naast alle gedetailleerde vragen die al gesteld zijn. De eerste vraag gaat over capaciteit. Dat is een heel logische vraag: hoeveel capaciteit, zowel in mensen als in gebouwen, gaan deze wetsvoorstellen vragen als de vreemdelingenbewaring op deze manier wordt uitgebreid? Ik neem aan dat daarover is nagedacht, dat dit in kaart is gebracht en dat de minister daar een helder inzicht in heeft en ons dat ook kan melden.
Voorzitter. Dan de tweede vraag. De samenleving gaat gebukt onder het grote probleem van overlast door verwarde personen, in zijn algemeenheid. Psychische problematiek speelt daarbij een grote rol. Bij asielzoekers komt dit ook voor, bijvoorbeeld wanneer mensen PTSS hebben en eigenlijk in de positie zijn dat zij niet meer voor hun eigen doen in kunnen staan. Mijn tweede vraag aan de minister is daarom op welke wijze er bij de voorziene toepassing van vreemdelingenbewaring geborgd is dat deze problematiek wordt herkend en er ook naar gehandeld wordt. In de wet wordt geregeld dat personen die tot deze groep behoren op een aparte locatie zullen worden geplaatst. Maar mijn vraag aan de minister is: hoeveel plekken zijn daarvoor dan beschikbaar? Want in de reguliere gezondheidszorg zijn die plekken er niet. Waarom zouden die er voor asielzoekers dan wel zijn? Hoe voorkomen we dat deze mensen of op een verkeerde manier in vreemdelingenbewaring verblijven of op straat belanden, met alle gevolgen van dien? Dus graag een antwoord van de minister over het aantal beschikbare plekken. Op welke wijze wordt er in het door de minister voorgestelde nieuwe bewaringsregime voor asielzoekers met deze groep omgegaan? Hoe wordt erop toegezien?
Voorzitter. Over de politieke wenselijkheid is veel gesproken, ook van het afschaffen van die dwangsommen. Maar ik heb geprobeerd mij vandaag toch vooral te richten op het handelen van de minister ten aanzien van de juridische houdbaarheid. Daarom kijkt de SP uit naar de beantwoording door de minister.
De voorzitter:
Meneer Janssen, dank voor uw bijdrage. De volgende spreker in deze termijn is mevrouw Van Bijsterveld. Zij spreekt namens de fractie van JA21.
Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag behandelen wij de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en de bijbehorende novelle. Deze wetgeving ziet op drie onderwerpen: het terugkeerproces, de vreemdelingenbewaring zelf en de verruiming van de ongewenstverklaring. Het is goed om te constateren dat deze wetgeving op groot draagvlak steunt, zoals blijkt uit de stemming van de Tweede Kamer. Ook in de Eerste Kamer was er al breed draagvlak voor de wetgeving die nu in de novelle is opgenomen, die helaas sneuvelde in dit huis vanwege onder meer de tegenstem van de PVV bij de vorige novelle. Daarmee sneuvelde de Asielnoodmaatregelenwet.
De voorzitter:
Dat grenst aan uitlokking. De heer Van Hattem.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik moet toch steeds de Handelingen aanpassen, want wij hebben gewoon voor de door minister Faber ingediende wetten gestemd. Daar ligt het dus niet aan. Het probleem was dat de grootste regeringspartij, D66, het nodig vond om tegen te stemmen. Dat wil ik toch even rechtgezet hebben.
De voorzitter:
Mevrouw Van Bijsterveld kan vervolgen.
Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):
Het wetgevingsproces heeft erg lang geduurd, waardoor de wet de afgelopen jaren alweer moest worden aangepast aan de huidige praktijk. Dat heeft het wetgevingsproces er niet overzichtelijker en makkelijker op gemaakt. Dat zegt ook iets over de traagheid van het Nederlandse asielbeleid. JA21 gaat ervan uit dat de pasgeleden in de EU aangenomen Terugkeerverordening ook impact zal hebben op deze wetgeving. Verzwakt of versterkt deze juist het doel dat het kabinet met deze wetgeving wil bereiken? Dat brengt mij ook gelijk bij de eerste vraag aan de minister: kan hij hierop reflecteren?
Voorzitter. Een van de allergrootste prioriteiten van JA21 is het maken van een einde aan de asielopvang op Nederlandse bodem. Het huidige systeem is failliet en tot op heden leidt het ook nog niet tot significant lagere instroomcijfers in ons land. Het vertrouwen in de politiek is nog nooit zo laag geweest en er is gewoon geen maatschappelijk draagvlak meer als de problemen op het gebied van asiel en migratie niet structureel worden aangepakt. Afwijzing en terugkeer vormen daarbij een onlosmakelijk onderdeel van het asielbeleid, maar zijn al jarenlang een ondergeschoven kindje. Mijn collega in de Tweede Kamer memoreerde al dat ons beleid er in de praktijk op neerkomt dat wie mag blijven, blijft, maar dat wie niet mag blijven, ook blijft, met alle negatieve gevolgen van dien voor onze samenleving. Voor asielzoekers, al dan niet uitgeprocedeerd, die zich schuldig maken aan het veroorzaken van overlast en criminaliteit in dit land, mag er gewoon geen plaats zijn. Peilingen wijzen uit dat zo goed als de gehele bevolking, van links tot rechts, dit vindt en in de tweede plaats dat asielzoekers die na een lange en uitgebreide asielprocedure te horen hebben gekregen dat ze geen verblijfsvergunning krijgen, ook daadwerkelijk moeten terugkeren.
Voorzitter. Dat brengt mij dan toch weer terug bij het volgende. Zoals ik in mijn bijdrage al benoemd heb, heeft de Europese Raad op 1 oktober jongstleden definitief ingestemd met de Europese Terugkeerverordening, in het verlengde van het EU-Migratiepact. Kan de minister bevestigen dat Nederland voor wat betreft de implementatie van de Terugkeerverordening op alle onderdelen de strengst mogelijke invulling zal gaan hanteren? Returnhubs hebben daarbij voor JA21 topprioriteit. Die zijn veel effectiever dan het aanbrengen van wijzigingen in de marge van de wetgeving die vandaag voorligt. Het zijn kleine positieve stappen, maar het is nog geen oplossing voor het probleem dat we tot te weinig uitzettingen komen. Is de minister dit met mij eens? Kan de minister de meest recente stand van zaken geven rondom de ontwikkelingen op dit vlak?
Voorzitter. Het is goed dat met dit wetsvoorstel de zaken die overboord dreigden te gaan door het sneuvelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden gerepareerd. Het gaat dan om de ongewenstverklaring en het afschaffen van de dwangsommen. Dit laatste is mede mogelijk gemaakt door het amendement van SGP, JA21, VVD en ChristenUnie. Ook de mogelijkheid om elektronisch toezicht in te zetten, door het amendement van JA21, is een wenselijke uitbreiding van de gereedschapskist bij het nemen van maatregelen.
Dan het dwangsomcircus. Dit moet zo snel als mogelijk definitief stoppen. De IND houdt voor dit jaar rekening met een raming van 380 miljoen euro aan mogelijk uit te keren dwangsommen. Dat is een exorbitant bedrag en een gevolg van een pervers systeem. Mijn partij vindt het onacceptabel dat asielzoekers tienduizenden euro's en soms tonnen aan dwangsommen ontvangen. Dat gebeurt niet alleen omdat de overheid de gestelde beslistermijnen niet haalt; het is ook een direct gevolg van de enorme instroom, die maar niet wordt ingedamd. Dat brengt mij tot de vraag aan de minister wat nou het hoogste bedrag is dat ooit door de IND aan een asielzoeker is uitgekeerd. Ik hoor het graag van de minister.
Ik benijd deze minister niet, want hier komen de problemen van de ruim 140.000 asielaanvragen van Oekraïners nog bij. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat Nederland aanvragen niet automatisch mag opschorten zolang iemand tijdelijke bescherming geniet. Het is gekmakend als je bedenkt dat we dit probleem in Nederland zelf gecreëerd hebben, door in 2022 het beleid in te stellen dat Oekraïners, hoewel zij al een beschermde status genoten, ook een asielaanvraag moesten indienen. Dit beleid, dat onder uw voorganger Van der Burg is geïmplementeerd, maakt dat de IND de komende jaren dus nog verder vastloopt. Kan de minister bevestigen dat dit inderdaad vooral een Nederlands probleem is en dat andere EU-landen dit probleem niet hebben omdat zij deze keuze niet hebben gemaakt, aangezien dit niet nodig was vanwege de EU-beschermde status van deze specifieke groep?
Verder is de asiellobby al bezig om voor te sorteren op een generaal pardon, namelijk een collectieve verblijfsregeling voor de oude gevallen. Dat gaat nu niet alleen om die ongeveer 54.000 oude aanvragen, maar daar komen dus ook nog eens 140.000 aanvragen bij. Daarom is het goed om de minister te herinneren aan de toezegging die hij eerder dit jaar aan mij heeft gedaan. De minister heeft mij toegezegd dat er geen pardonregeling komt bij de afhandeling van de nog te beoordelen aanvragen. De achterstallige aanvragen moeten worden weggewerkt door zorgvuldige beslissingen. Dat brengt mij bij de volgende vraag. Kan de minister bevestigen wat dit betekent voor de afhandeling van deze aanvragen? Ook zou ik graag opheldering krijgen over het effect op het alsnog kunnen verkrijgen van dwangsommen voor deze specifieke groep Oekraïners. Als deze wet wordt aangenomen, kan dan dit risico op dwangsommen voor deze groep gemitigeerd worden?
Voorzitter, tot slot. Voor JA21 is deze wetgeving het minimum aan maatregelen. Wie onze gastvrijheid beantwoordt met wangedrag of criminaliteit, gaat wat JA21 betreft de procedure uit en wordt vastgezet en teruggestuurd naar het land van herkomst. De Vreemdelingenwet biedt daartoe op het terrein van het beschermen van de openbare orde en de nationale veiligheid wat ons betreft meer handvatten dan er op dit moment worden aangegrepen. Onlangs werd uit onderzoek van Nieuwsuur bekend dat er in de afgelopen 10 jaar 70 personen door de IND zijn bestempeld als "gevaar voor de nationale veiligheid", onder wie terroristen en Syriëgangers. Het zicht op een groot deel van hen is compleet verdwenen. We zijn in dit land dus niet eens in staat om zo'n selecte groep vast te zetten en uit te zetten, of op z'n minst in beeld te houden. JA21 heeft hiervoor al aandacht gevraagd in het vragenuur in de Tweede Kamer, en ik vraag de minister om hierop toch ook in deze Kamer te reageren. Hoe denkt de minister dat dit wetsvoorstel in de praktijk effectief zal werken terwijl we er niet eens in slagen om de meest gevaarlijke vreemdelingen van onze straten te houden? Welke wettelijke en praktische belemmeringen spelen hier concreet en wat kan het kabinet dan wel doen om hier grip op te krijgen? Alle maatregelen ten spijt, het is gewoon niet toereikend als we mensen in de praktijk niet uitgezet krijgen. Graag een heldere uiteenzetting en een reflectie van de minister op dit punt.
Voorzitter, dank u wel. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.
De voorzitter:
Dank u zeer, mevrouw Van Bijsterveld. Hoewel de minister al een eerste aanzetje gaf voor een beantwoording, zijn we echt nog bij de eerste termijn van de kant van de Kamer. De volgende spreker in die termijn is de heer Schalk. Hij spreekt namens de SGP. Ik zeg voor de collega's maar even dat ik vermoed dat we na de bijdrage van de heer Schalk zullen schorsen voor de lunchpauze. Als die heel veel sneller zou gaan, kijken we verder. Voorlopig lijkt het hierop. De heer Schalk heeft het woord.
De heer Schalk i (SGP):
Aan mij zal het niet liggen, voorzitter. Sinds 2015 mag ik dienen in deze Eerste Kamer en in datzelfde jaar werd de nu voorliggende Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring door de toenmalige regering ingediend. Voorwaar, deze Kamer doet haar naam eer aan: chambre de réflexion. Nu wordt het dan ook hoog tijd om de afhandeling voortvarend ter hand te nemen. De regering stelt ons daartoe in staat om met een novelle te komen, die nog geactualiseerd is in 2026. Bij die actualiteit van 2026 hoort ook het feit dat de Asielnoodmaatregelenwet werd weggestemd nadat de novelle die de medemenselijkheid moest borgen om allerlei opportunistische redenen door een aantal partijen werd verworpen. Daarom is het goed dat deze novelle nu voorligt, juist om zaken goed af te hechten.
Voorzitter. Het mag bekend zijn dat de fractie van de SGP echt vindt dat er maatregelen nodig zijn om adequater te acteren op de asieldossiers. Bij het debat over de Asielnoodmaatregelenwet heb ik uitvoerig betoogd dat ons asielsysteem rechtvaardig en barmhartig moet zijn. Want natuurlijk, er moet altijd plek blijven voor mensen die nergens anders terechtkunnen en die bijvoorbeeld de dood in gejaagd zouden worden als ze geen asiel krijgen. Maar te veel mensen komen binnen zonder die strikte noodzaak. Te veel asielzoekers zorgen voor problemen die helemaal niet nodig zijn. Daarom moeten de maatregelen aangescherpt worden, ook ten aanzien van de terugkeer. Dat is nodig, ook om die overlastgevende vreemdelingen aan te pakken. Dat is niet voor niets. Keer op keer worden we geconfronteerd met ernstige misdragingen van asielzoekers en daarbij gaat het om ernstige misdrijven, zoals het bedreigen en aanvallen van christelijke asielzoekers of andere groepen of van medewerkers van de IND en COA. We horen zelfs van verkrachtingen en mensenhandel. Natuurlijk, het is voor veel asielzoekers helaas zo dat ze vanuit stressvolle omstandigheden komen, maar we mogen veronderstellen dat ze weten wat normaal gedrag is en dat ze weten dat het gedrag dat ze hier vertonen in het land van herkomst ook niet getolereerd zou worden. Cultuurverschil kan geen rechtvaardiging zijn voor ernstige misdragingen.
Ik zeg dit alles niet om asielzoekers in een kwaad daglicht te stellen, maar om duidelijkheid te geven over wat we van hen kunnen en mogen verwachten. Er zijn ook veel asielzoekers die zich wel normaal weten te gedragen en daarom is het juist van belang dat we hier een barmhartig en rechtvaardig systeem hebben. Als je bij ons asiel zoekt, word je op een zorgvuldige wijze behandeld. Maar als je je misdraagt, als je hier wel wilt komen wonen, maar onze woonomgeving onveilig komt maken, dan heb je hier gewoon helemaal niets te zoeken en dan moet ons rechtvaardige systeem zo zijn ingericht dat er ruimte is om deze overlastgevende asielzoekers linea recta terug te sturen naar waar ze vandaan komen. Dat geldt natuurlijk ook en misschien zelfs in versterkte mate voor de vreemdelingen die niet onder het toepassingsbereik van de EU-Terugkeerrichtlijn, de EU-Opvangrichtlijn of de Dublinverordening vallen en die hier illegaal verblijven, zeker als ze zich hier ook nog eens misdragen, bijvoorbeeld door geweldpleging of door actief te zijn in mensenhandel of drugscriminaliteit. Wat de SGP betreft geldt voor hen echt een zerotolerancebeleid.
Uiteraard is het van belang om een goede wettelijke grondslag te hebben, ook voor vrijheidsbenemingen. Dat is logisch in het kader van artikel 5 van het EVRM en artikel 15 van onze Grondwet. Als glashelder is dat er een wettelijke basis nodig is om overlast te bestrijden, dan is aanpassing van de wetgeving noodzakelijk. Dat is ook in het belang van de asielzoekers die zich wel weten te gedragen en die de dupe zijn van overlastgevende vreemdelingen. Daarom is de SGP een groot voorstander van de aanpak zoals voorgesteld in de voorliggende novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring, die in verband met de lange aanlooptijd van deze novelle nog is aangepast aan het huidige tijdsgewricht, waarbij ook de strafbaarstelling aan de orde is. Daar hebben we in het voorjaar ook al uitgebreid over gesproken. Tegenstanders van duidelijk asielbeleid proberen het steeds zo te framen dat strafbaarstelling van illegalen niet zou mogen of kunnen. Maar het gaat bij de strafbaarstelling niet om het afwijzen van een mens, maar om het aanpakken van zijn gedraging. Dat onderscheid moeten we durven blijven maken.
Voorzitter. Deze novelle gaat onder andere in op de lockdown en andere beperkende maatregelen in de inrichting voor vreemdelingenbewaring. Het gaat blijkens de toelichting over rellers en opstandelingen die regelmatig in beeld zijn. Mijn vragen zijn of de maatregelen die nu genomen worden wel afdoende zijn en of een restrictief beleid waarbij ernstige overlastverzorgers onmiddellijk uitgezet worden, niet veel beter zou kunnen werken. Dat heeft ook een preventief effect, zeg ik even met mijn pedagogische achtergrond. Het is toch niet normaal dat de beperkende maatregelen voor de broodnodige rust zouden moeten zorgen? Overigens is het instrumentarium daarvoor nogal beperkt: bepaalde vreemdelingen in een beheersregime plaatsen of een orde- of strafmaatregel, zoals het uitsluiten van bepaalde activiteiten, en in extremere omstandigheden kan een lockdown behulpzaam zijn. Met straffen wordt het gedrag niet bij de wortel aangepakt. Overigens heeft de directeur van een instelling, hoewel het instrumentarium beperkt is, wel behoorlijk veel beleidsvrijheid om naar eigen inzicht het beheersregime toe te passen. Met het amendement-Ellian is een proportionaliteitsafweging toegevoegd, terwijl tegelijkertijd de drempel voor een lockdown is verlaagd. Op zich logisch, maar het schuurt wel met het rechtszekerheidsbeginsel. Dan mijn vragen. Zijn hierover criteria op te stellen en is de bevoegdheid voor het opleggen van het beheersregime wettelijk begrensd? Er is wel een meldingsplicht voor een lockdown. Zou een dergelijke meldingsplicht toch breder moeten gelden of zou die bijvoorbeeld ook moeten gaan gelden als een beheersmaatregel een of twee keer wordt verlengd?
Voorzitter. De SGP heeft als gezinspartij ook aandacht voor de positie van kinderen in geval van een strenge maatregel. Veelal zullen jonge kinderen part noch deel hebben aan oplopende rellen en bedreigingen in een inrichting. Bovendien kan een lockdown hen in een moeilijke positie brengen ten opzichte van hun moeder en/of hun vader. Is er in de praktijk aandacht voor de kwetsbaarheid van gezinnen? Hoe worden de gevolgen van maatregelen voor gezinnen zo veel mogelijk gemitigeerd?
In de onderliggende stukken is te lezen dat de Dienst Justitiële Inrichtingen dit voorjaar onvoldoende capaciteit had om deze wetgeving adequaat uit te voeren. Mijn vragen: is de capaciteit van de DJI inmiddels op sterkte gebracht en, zo nee, wat betekent dit voor de invoering van deze wet?
Voorzitter. Dankzij het amendement-Diederik van Dijk cum suis worden rechterlijke dwangsommen geschrapt. Dat is een enorme kostenbesparing, maar het levert ook ambtelijke capaciteit op, met een gunstig effect op de werkvoorraad van de IND. Mijn vraag is: op welke termijn kan dit worden gerealiseerd en geëffectueerd? Mijn fractie ziet uit naar de reactie van de minister.
Mevrouw Thijssen i (PRO):
Ik ben benieuwd of de heer Schalk ook bekend is met de fenomenen "begrotingsruiters" en "meeliftamendementen".
De heer Schalk (SGP):
Het eerste, "begrotingsruiters", is een nieuw fenomeen voor mij, maar bij "meeliftamendementen" kan ik me iets voorstellen.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Het is hetzelfde. Alleen, het ene is dat er iets in de begroting wordt veranderd dat eigenlijk weinig te maken heeft met de begroting; dat heet ook wel een begrotingsruiter. U bent bekend met meeliftamendementen. Ik vroeg me af wat u vindt van zo'n meeliftamendement in algemene zin. In het geval van het amendement-Van Dijk worden dwangsommen afgeschaft. Dat heeft weinig te maken met dit wetsvoorstel. Wat vindt de heer Schalk van die stijlfiguur?
De heer Schalk (SGP):
In zijn algemeenheid ben ik altijd heel voorzichtig met amendementen die misschien helemaal niets met het wetsvoorstel te maken hebben. Dat komt ook weleens voor. In dit geval zou je kunnen betogen dat er in ieder geval wel een link is, want het gaat echt over het aanpakken van mensen die op een verkeerde manier omgaan met ons rechterlijke systeem, waarvan ik nog steeds vind dat het rechtvaardig en barmhartig is. Ik was niet heel erg verbaasd dat dit element werd ingebracht. Dat is dus mijn visie op dit amendement.
De voorzitter:
Mevrouw Thijssen nog met een vervolgvraag.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Ja, een vervolgvraag. Eerder is er in deze Kamer een amendement ingediend voor een sneltoets door de heer Schalk zelf. Was dat niet een heel mooie gelegenheid geweest om dat amendement een keer te toetsen op basis van dit amendement van de heer Van Dijk?
De heer Schalk (SGP):
Daar zou ik natuurlijk een groot voorstander van zijn geweest. Ik heb inderdaad bij het debat over de regeringsverklaring aangegeven dat heel veel amendementen wetgevingsverstorend werken. Dat is in het geval van dit amendement-Van Dijk natuurlijk niet echt het geval. Dat is niet wetgevingsverstorend of in strijd met de grondrechten en dergelijke. Toen heb ik in die motie gevraagd of de regering zou willen zorgdragen voor de inrichting van een standaard integrale amendemententoets. Die motie is breed gesteund, onder andere door de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid, die we nu PRO mogen noemen. Maar ik heb het net nog even nagekeken: de regering heeft die motie nog niet uitgevoerd en daardoor is die toets er blijkbaar nog niet. Anders was dit amendement er namelijk inderdaad onderworpen aan een sneltoets.
Mevrouw Thijssen (PRO):
Gemiste kans!
De heer Nicolaï i (PvdD):
De heer Schalk verwijst er terecht naar dat het zijn partij is, de heer Van Dijk, die dat amendement heeft ingediend. Is bij de indiening van dat amendement eigenlijk juridisch advies ingewonnen en heeft ook de heer Schalk juridisch advies ingewonnen over de vraag of het amendement zich verdraagt met artikel 47 van het Handvest? Temeer omdat door een amendement in te dienen, in feite de weg wordt afgesneden op het moment dat de Raad van State daarover oordeelt. De heer Schalk en ik hebben het er wel vaker over gehad dat het heel belangrijk is dat de Raad van State erover oordeelt, maar dat oordeel hebben we nu niet. Dus hoe kijkt de SGP daar nu tegen aan?
De heer Schalk (SGP):
Het is niet helemaal waar dat de weg wordt afgesneden voor de Raad van State, want deze Kamer had, bijvoorbeeld ook in dit geval, kunnen vragen om een extra voorlichting. Daar had dan wel voldoende steun voor geweest moeten zijn, dat geef ik de heer Nicolaï graag mee. Heel eerlijk gezegd vraag ik nooit aan de fractie van de SGP in de Tweede Kamer hoe ze amendementen allemaal hebben getoetst van tevoren. Ik kan dus eerlijk gezegd niet weten of ze dat juridisch hebben laten toetsen en ook niet of het aan artikel 47 is getoetst.
Ik vind de vraag terecht aan mij of ík het heb laten toetsen aan artikel 47. Dat heb ik niet laten doen, maar ik heb uiteraard wel — omdat de heer Nicolaï zojuist in het debat al een paar keer op artikel 47 heeft gewezen — onmiddellijk gekeken wat er ook alweer precies staat in artikel 47 van het Europees Handvest. Daarbij viel mij trouwens wel iets op waarvan ik dacht: het is helemaal niet zo raar dat dit amendement is ingediend, en het is ook helemaal niet vreemd dat die dwangsommen worden gestopt. Want wat staat er namelijk in artikel 47? Daar staat: "Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden." Ik doel nu natuurlijk op dat bijvoeglijk naamwoord "doeltreffende". Het moet een doeltreffende voorziening in rechte zijn. Eén ding is zeker: de huidige maatregel van de dwangsommen is absoluut niet doeltreffend. dat heb ik eigenlijk vrijwel iedereen wel horen noemen. Sterker nog, die maatregel is extra frustrerend. In die zin kan ik dus wel begrijpen dat er door sommigen een beroep wordt gedaan op artikel 47, als het doeltreffend was geweest. Maar ik acht het antwoord van de minister op deze vraag eigenlijk vooral in deze richting. Hij zal zeggen: "Ik kan dit wel begrijpen, want het is absoluut niet doeltreffend. Het is alleen maar frustrerend."
De voorzitter:
De heer Nicolaï heeft een vervolgvraag.
De heer Nicolaï (PvdD):
We gaan het antwoord van de minister daarop horen. Ik kan wel al zeggen dat met "doeltreffend" wordt bedoeld dat een rechter een vonnis moet kunnen uitspreken waarvan hij weet dat het uitgevoerd gaat worden. Maar laten we daarover niet in discussie gaan.
De heer Schalk (SGP):
Nou, daar wil ik misschien toch wel even …
De voorzitter:
Neenee. De heer Nicolaï gaat een vraag stellen en dan is de heer Schalk weer, voor het antwoord.
De heer Nicolaï (PvdD):
Ik wilde nog even een vraag stellen. Ik had het er al even met de heer Dittrich over. In het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State uit 2020 ging het ook over de afschaffing van de tijdelijke bestuursrechtelijke bevoegdheid van de bestuursrechter om een dwangsom op te leggen. De Afdeling advisering zegt dat opgepast moet worden: "Op grond van artikel 112 van de Grondwet, gelezen in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad, alsmede het Unierecht, zou uitsluiting van de bestuursrechter ertoe leiden dat een vordering bij de burgerlijke rechter in het kader van een beroep tegen niet tijdig beslissen ontvankelijk is, en kan leiden tot opleggen van een dwangsom." Mijn vraag is dus: wat schieten we er nou eigenlijk mee op? We kunnen straks het volgende gaan krijgen. Er wordt bij de bestuursrechter beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. De bestuursrechter moet dan op grond van het ontwerp zoals het nu voorligt een termijn stellen, maar heeft niet de bevoegdheid om een dwangsom op te leggen. Als die termijn vervolgens niet wordt nagekomen, kan iedere vreemdeling op basis van onze Grondwet en het Unierecht naar de civiele rechter gaan. Die is dan ontvankelijk bij die civiele rechter in een vordering. Die civiele rechter kan dan alsnog een dwangsom opleggen. We krijgen dan dus de kosten van de procedure …
De voorzitter:
Meneer Nicolaï, wilt u tot een vraag komen?
De heer Nicolaï (PvdD):
… bij de bestuursrechter en de kosten van de procedure bij de civiele rechter erbij, plus een dwangsom. Wat zijn we dan opgeschoten? Graag een antwoord.
De voorzitter:
Wat zijn we opgeschoten? Meneer Schalk.
De heer Schalk (SGP):
Misschien toch eerst even dat eerste punt, over het woord "doeltreffend". Ik kom uit de stal van een gemeenschap waarin exegese enorm belangrijk is. Ik vraag me echt af of de exegese die de heer Nicolaï van het woord "doeltreffend" gaf, de enige zou kunnen zijn.
Ten tweede: hier wreekt zich wel het feit dat ik geen jurist ben, want juristen kennen ongetwijfeld de hele Grondwet uit hun hoofd. We kunnen straks proberen om mensen te overhoren. Artikel 112 van de Grondwet ken ik eerlijk gezegd even niet uit mijn hoofd. Wat mij wel enorm helpt als het gaat om het betoog van de heer Nicolaï en zijn vraag wat we er nu mee opschieten, is dat hij juist datgene laat merken wat ik in het interruptiedebat met mevrouw Thijssen heb genoemd, namelijk dat er genoeg rechtsmiddelen en rechtsbescherming overblijven. Want als wat de heer Nicolaï zojuist zei waar is, dan is dat dus rechtsbescherming die er ook zou zijn als wij hier vandaag de dwangsommen afschaffen. Dan de technische kant. Dit zeg ik nogmaals, voorzitter; ik hoop dat u me dat vergeeft. Naar de link met artikel 112 van de Grondwet heb ik niet gekeken, want die komt nu pas voor het eerst naar voren in dit debat. Anders had ik natuurlijk onmiddellijk gekeken wat daarin stond. Ik hou het nu dus even bij artikel 47 van het Europees Handvest.
De voorzitter:
Dank u zeer. Zie ik mevrouw Van Toorenburg aanstalten maken voor een interruptie? Nee. Ik kijk naar de klok. Ik proefde zojuist bij de leden de wens om nog heel even door te gaan, maar als ik kijk naar de ingetekende spreektijden, dan wordt dat heel ingewikkeld. Verschillende woordvoerders worden om 12.45 uur namelijk verwacht bij het College van fractievoorzitters. Dan zouden we op z'n best nog iemand met een korte spreektijd de gelegenheid kunnen geven, maar dat vind ik eigenlijk een beetje een oneigenlijke omdraaiing van de sprekersvolgorde. Dat gaan we dus niet doen. Dat betekent dat we gaan schorsen. Ik ga met de hamer slaan. Dan schors ik de beraadslaging en de vergadering voor de pauze tot 13.30 uur.
De beraadslaging wordt geschorst.
De vergadering wordt van 12.32 uur tot 13.32 uur geschorst.