Verslag van de vergadering van 29 september 2026 (2026/2027 nr. 02)
Status: gecorrigeerd
Aanvang: 11.48 uur
De heer Kanis i (D66):
Voorzitter. Voor veel jongeren is de Europese Unie geen onderwerp waarmee ze dagelijks bezig zijn, maar mijn eigen interesse in de politiek begon ruim twintig jaar geleden juist wel bij Europa. Misschien komt dat omdat ik boerenzoon ben. Als je opgroeit op de boerderij merk je al snel dat Brussel helemaal niet zo ver weg is. De interne markt, een gelijk speelveld en natuur-, plattelands- en landbouwsubsidies zie je allemaal terug op het boerenerf.
Toen ik politiek bewust werd, was de afschaffing van het Europese melkquotum hét onderwerp onder melkveehouders. Dat quotum bood bescherming en zekerheid, maar beperkte ook de ruimte om te ondernemen. Mijn eerste reactie toen als puber was dan ook: laat de markt zijn werk doen, schaf dat quotum af en geef ondernemers ruimte om zelf keuzes te maken. Die overtuiging heb ik nog steeds. Maar door mij verder in Europa te verdiepen, ben ik Europa ook anders gaan bekijken. Hoewel regels de vrijheid kunnen beperken, kunnen ze soms juist ook vrijheid mogelijk maken, om een race naar de bodem te voorkomen, om te zorgen voor een gelijk speelveld en om problemen aan te pakken die niet stoppen bij de grens. Dat is voor mij de waarde van Europese samenwerking: niet een Europa dat alles voor ons bepaalt, maar een Europa dat doet wat we alleen samen goed kunnen doen.
Misschien is dat ook wel de kern van het Europese project, dat ooit is ontstaan vanuit het besef dat samenwerking nodig was om vrede en veiligheid op ons continent te bewaren. Landen die elkaar eeuwenlang hadden bestreden, kozen ervoor om hun toekomst met elkaar te verbinden. Door samen te werken wilden zij voorkomen dat oude conflicten opnieuw tot oorlog zouden leiden. Dat uitgangspunt is vandaag actueler dan ooit. Maar ik vind dat we ook daar ambitieuzer in mogen zijn. Europa moet niet alleen problemen gezamenlijk oplossen, maar ook zelf richting kunnen geven aan de wereld om ons heen. Precies daar ligt op dit moment de uitdaging. De vraag is uiteindelijk niet wat Europa vandaag doet, maar vooral welk Europa wij morgen willen zijn.
Het is goed om te zien dat het kabinet, met de premier en de minister van Buitenlandse Zaken voorop, die ambitie ook daadwerkelijk laat zien en het initiatief op het Europese en internationale toneel weer nadrukkelijk pakt. Dat is nodig in een wereld die snel verandert en waarin Europa meer dan ooit zelf verantwoordelijkheid moet nemen. Het is juist daarom belangrijk dat wij hier in de Eerste Kamer met het kabinet van gedachten wisselen over de Europese koers die Nederland wil varen.
Voorzitter. Sinds mijn jeugd op het boerenerf is de wereld flink veranderd. De oorlog van Rusland tegen Oekraïne duurt voort. China treedt assertiever op. De Verenigde Staten zijn niet langer vanzelfsprekend de partner waarop Europa onder alle omstandigheden kan rekenen. Dit alles betekent dat Europa nu echt verantwoordelijkheid moet nemen voor zijn eigen veiligheid, zijn eigen belangen en zijn eigen toekomst. We kunnen niet blijven verwachten dat anderen onze veiligheid, onze technologie en onze strategische belangen voor ons bewaken. Strategische autonomie betekent voor D66 niet dat Europa zich van de wereld moet afsluiten. Juist niet. Nederland is groot geworden door over grenzen heen te kijken, handel te drijven en samen te werken, maar die openheid vraagt ook om weerbaarheid. Een open Europa kan zich niet permitteren afhankelijk te zijn van één leverancier, één technologie of één geopolitieke macht. Strategische autonomie moet daarom geen abstract begrip blijven; het moet leiden tot concrete keuzes en investeringen in Europese technologie, energiezekerheid, grondstoffen, defensie en digitale infrastructuur.
Het kabinet spreekt in de Staat van de Europese Unie daarom terecht over een open economie en het verminderen van strategische afhankelijkheden, maar dat vraagt wel om keuzes. Niet iedere afhankelijkheid is immers een probleem en Europa hoeft niet alles zelf te produceren. De vraag is waar de afhankelijkheid een strategisch risico wordt en waar we bereid zijn om zelf capaciteit op te bouwen. Daarom zijn mijn vragen aan de minister: welke afhankelijkheden hebben voor het kabinet de hoogste prioriteit, waar moet Europa volgens Nederland als eerste minder kwetsbaar op worden en binnen welke termijn wil het kabinet op dit vlak resultaten zien? En misschien nog wel de belangrijkste vraag: waar wil Nederland dat Europa over vijf of tien jaar de wereldleider in is? Strategische autonomie gaat namelijk niet alleen over risico's afbouwen, maar ook om de ambitie om zelf iets op te bouwen.
Voorzitter. Een sterker Europa is wat D66 betreft ook een groter Europa. Of het nou gaat om nauwere samenwerking met gelijkgestemde landen buiten Europa, zoals Canada, of om verdere uitbreiding binnen Europa, we moeten de Europese samenwerking verder versterken. Voor landen als Oekraïne, Moldavië en andere landen in de Westelijke Balkan gaat toetreding niet over verdragen of procedures; het gaat over de richting waarin hun samenleving zich ontwikkelt. Kiezen zij voor democratie, rechtsstaat en Europese samenwerking of krijgen andere machten de ruimte om daar de toekomst te bepalen? Daarom is een geloofwaardig Europees perspectief voor deze landen zo belangrijk. Als wij deze landen vragen moeilijke hervormingen door te voeren, moeten we ook duidelijk zijn over een eindpunt. Als wij zeggen dat deze landen onderdeel kunnen worden van onze Europese toekomst, moeten we die belofte serieus nemen, niet vrijblijvend, maar door het toetredingsproces daadwerkelijk politiek gewicht te geven. Laat ik helder zijn: dat betekent niet dat toetreding vanzelfsprekend is. Democratie, mensenrechten en een goed functionerende overheid zijn geen formaliteiten aan het einde van het proces, maar duidelijke voorwaarden voor het lidmaatschap. De Europese Unie is immers een waardegedreven project. Geleidelijke integratie kan daarbij een belangrijke opstap zijn. Deelname aan de interne markt en Europese samenwerking kan landen al voor toetreding dichter bij de Europese Unie brengen, maar die brug moet dus wel ergens naartoe leiden. Mijn vraag aan de minister is daarom: is het kabinet bereid om zich in Brussel in te zetten voor een concreet en geloofwaardig toetredingsperspectief voor de landen die aantoonbaar aan de voorwaarden voldoen?
Voorzitter. Dat brengt mij als vanzelf misschien wel bij de belangrijkste voorwaarde voor het voortbestaan van de Europese Unie: een sterke democratische rechtsstaat. De Europese Unie is meer dan een interne markt. Het is een gemeenschap waarin wetten worden nageleefd, rechters onafhankelijk kunnen functioneren, verkiezingen vrij zijn en fundamentele rechten worden beschermd. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar dat is het zeker niet altijd. In verschillende lidstaten staan rechters onder politieke druk, worden onafhankelijke media beperkt en worden maatschappelijke organisaties tegengewerkt, terwijl radicaal- en extreemrechtse partijen in heel Europa aan invloed winnen. Dat raakt niet alleen de burgers van die landen. Zodra een lidstaat de fundamenten onder de rechtsstaat aantast, raakt dat de hele Europese samenwerking, want Europese samenwerking is uiteindelijk gebaseerd op vertrouwen: het vertrouwen dat regels gelden, dat uitspraken van rechters worden gerespecteerd en dat burgers in iedere lidstaat kunnen rekenen op dezelfde fundamentele waarden. Daarom kan aantasting van de rechtsstaat nooit worden afgedaan als een binnenlandse aangelegenheid. De regering wil dat de Europese Commissie sneller en steviger optreedt tegen rechtsstatelijke achteruitgang. Dat is wat mijn fractie betreft ook hard nodig. De praktijk laat zien dat de bestaande instrumenten, met artikel 7 voorop, traag kunnen zijn en politiek gemakkelijk kunnen worden geblokkeerd. Maar als een instrument niet snel genoeg werkt, moeten we niet accepteren dat het hele systeem daardoor machteloos wordt. De Europese Unie is sterk genoeg om haar eigen waarden te verdedigen. Die kracht moeten we dan ook durven gebruiken.
Ook de koppeling tussen Europese middelen en de rechtsstaat verdient wat mijn fractie betreft meer gewicht. Europees geld is publiek geld. Dat hoort niet los te staan van de waarden die we in Europa delen. Daarom vraag ik de minister: waar schiet het huidige instrumentarium nu tekort en wat wil Nederland doen om dat in Brussel te versterken? Is het kabinet bereid om te kijken naar besluitvorming met gekwalificeerde meerderheden bij rechtsstatelijke sancties? Unanimiteit kan er immers juist toe leiden dat de landen die zelf onder druk liggen een veto houden. Wie de rechtsstaat ondermijnt, moet niet kunnen rekenen op de bescherming van dat veto om Europese consequenties te ontlopen.
De verdediging van de rechtsstaat stopt voor Europa bovendien niet bij de eigen grenzen. Dit geldt ook voor de internationale rechtsorde. Juist daarom is de positie van het Internationaal Strafhof voor Europa van belang. Het is daarom goed dat de minister-president zich daar afgelopen week bij de Verenigde Naties zo duidelijk over uitsprak. Als Europa gelooft in een internationale rechtsorde waarin ook machtige landen en machtshebbers niet boven het recht staan, moeten we bereid zijn die rechtsorde actief te verdedigen, ook wanneer instellingen zoals het Internationaal Strafhof onder politieke druk komen te staan. Mijn vraag aan de minister is daarom: hoe wil Nederland er samen met Europese partners voor zorgen dat het Internationaal Strafhof zijn werk kan blijven doen en dat Europese landen gezamenlijk blijven staan voor de internationale rechtsorde?
Voorzitter. Ook de Europese begroting laat zien welke keuzes Europa maakt. Een Meerjarig Financieel Kader van zeven jaar is geen technisch document, maar een politieke keuze waar Europa zijn kracht voor inzet.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Ik ben blij dat collega Kanis in zijn betoog aandacht vraagt voor de ongekende Amerikaanse aanval op het Internationaal Strafhof, dat ook wat de SP-fractie betreft een hoeksteen is van de internationale rechtsorde. Hij vraagt aan de minister wat de inzet zou kunnen zijn op Europees niveau.
De voorzitter:
Hij vraagt dat aan de heer Kanis, neem ik aan, niet aan de minister.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Nee, meneer Kanis vraagt aan de minister wat op dit punt de inzet zou kunnen zijn van het kabinet. Mijn vraag is wat de D66-fractie als inzet zou willen zien. De Amerikaanse aanval op het Internationaal Strafhof, het ondermijnen en het steen voor steen afbreken daarvan, zoals minister Marco Rubio, de minister van Buitenlandse Zaken van Amerika, het heeft genoemd, is al een tijd gaande. Er zijn al sancties tegen individuen, rechters en aanklagers, en nu dreigt het Strafhof als geheel op de sanctielijst gezet te worden. Er is een zogenaamd EU blocking mechanism. Zou dat niet allang ingezet hebben moeten worden?
De heer Kanis (D66):
In Nederland zijn we ons misschien nog net iets meer bewust van het belang van het Strafhof, omdat het hier in Den Haag gevestigd is. Ik verwees net naar premier Jetten, die er bij de VN iets over zei, maar ik zag dat Macron daar in een toespraak ook aandacht voor had. Volgens mij is het belangrijk dat we niet met één of twee landen, maar echt als Europa als blok voor de internationale rechtsorde gaan staan. Mijn vraag aan de minister is: hoe wilt u dat gaan doen en welke instrumenten zet u daarvoor in? De heer Van Apeldoorn vraagt aan mij of het een specifiek instrument moet zijn, maar het lijkt mij goed om eerst de reactie van de minister daarop af te wachten.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Het lijkt me wel van belang dat het niet bij woorden blijft. Ik waardeerde ook de woorden van premier Jetten in New York bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het is goed dat we het, ook als gastland, opnemen voor het Strafhof, maar er moet ook iets tegenover die maatregelen van Amerika komen te staan. Dat moet inderdaad op Europees niveau. Daar kunnen we niet lang mee wachten. Dus zou de vraag aan het kabinet niet moeten zijn: komt u nu ook met een concrete inzet, ook op EU-niveau, om tegenmaatregelen te nemen?
De heer Kanis (D66):
Dat was ook de strekking van mijn vraag, dus volgens mij hebben we dezelfde vraag aan het kabinet.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Dan wacht ik het antwoord van de minister af. Ik hoop dan op een duidelijke inzet en ik hoop dat de D66-fractie dat zal steunen.
De heer Kanis (D66):
Dat laatste kan ik alvast bevestigen. Een duidelijke inzet inderdaad, waarbij we niet gewillig toekijken wat de VS doen en we bereid zijn echt te gaan staan voor het Strafhof. Daar staan wij als D66 volledig achter.
De voorzitter:
Gaat u verder.
De heer Kanis (D66):
Ik was gebleven bij de Europese begroting. De wereld waarin het vorige Meerjarig Financieel Kader werd opgesteld, die bestaat niet meer. We hebben te maken met oorlog op ons continent, versnelde technologische ontwikkelingen, een versnellende klimaatverandering en een groeiende behoefte aan Europese defensie en strategische onafhankelijkheid. Dat vraagt om een begroting die niet alleen het verleden financiert, maar ook ruimte maakt voor de uitdagingen van de toekomst. Voor D66 ligt de Europese meerwaarde daar waar samenwerking ons sterker maakt, juist het tegenovergestelde van als ieder land dingen alleen zou doen, bijvoorbeeld onderzoek en innovatie, veiligheid en defensie, de groene en digitale transitie, de interne markt en, last but not least, steun aan Oekraïne. Juist daar moeten we bereid zijn om Europese middelen gericht in te zetten. Dat betekent ook dat niet iedere bestaande uitgave vanzelfsprekend kan blijven bestaan. Als Europa nieuwe prioriteiten stelt, moeten we ook durven kijken naar wat minder belangrijk is geworden. Het volgende MFK moet daarom niet alleen groter of anders worden, maar vooral scherper, meer gericht op Europese meerwaarde en meer gericht op de vraag wat investeringen daadwerkelijk opleveren.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik hoor de heer Kanis van D66 zeggen dat het nieuwe MFK niet alleen groter moet worden, maar ook meerwaarde moet hebben. Dus hij zegt eigenlijk "het moet groter worden", terwijl we vandaag ook een briefje voorbij hebben zien komen van minister-president Jetten samen met enkele andere Europese regeringsleiders uit met name noordwestelijke en Scandinavische hoek waarin zij zeggen: hier moet eigenlijk paal en perk aan worden gesteld, aan die groei van het MFK. Zegt D66 nu dat we desondanks toch volledig moeten meegaan in het omhoog pushen van dat MFK, van die Europese begroting, om 'm nog groter te maken? Is dat de lijn die moet worden ingezet en is dat uiteindelijk ook de lijn die u verwacht van minister-president Jetten?
De heer Kanis (D66):
Volgens mij is de brief van de premier precies in lijn met wat ik hier betoog: wel extra inzetten op die essentiële punten, op defensie, op die digitale transitie, op die groene transitie, en keuzes durven maken over welke dingen uit het verleden we niet meer gaan doen. Volgens mij is dat precies de kern van die brief. Nu doen we allebei. We proberen alles wat we hebben opgebouwd in stand te houden en we proberen daarnaast nog al die nieuwe investeringen die gedaan moeten worden te doen. Dan wordt het inderdaad een opgeblazen begroting. Het moet groter, want de opgaven die eraan komen zijn echt groter dan de opgaven uit het verleden, maar we moeten daarbinnen ook keuzes maken.
De heer Van Hattem (PVV):
Ondanks dat er keuzes worden gemaakt, betekent het wel een groter MFK, een hogere begroting, een grotere bijdrage, met name ook vanuit Nederland. Dat is dus de lijn die hier wordt voorgestaan. Dat briefje van Jetten is dus eigenlijk alleen maar een inlegvelletje, om maar eens een term te noemen die vaker is gebruikt, om een groter MFK mogelijk te maken. Is dat de conclusie die we moeten trekken, dat dat grotere MFK er uiteindelijk wel komt, dus met een grotere bijdrage en hogere lasten voor Nederland?
De heer Kanis (D66):
Ik denk dat het goed is om onderscheid te maken tussen twee zaken. Gaat het over groter ten opzichte van het voorstel dat de Europese Commissie heeft gedaan of groter ten opzichte van het MFK in eerdere periodes? In dat laatste geval moet het sowieso groter. Om heel eerlijk te zijn, de uitdagingen waar we voor staan zijn ook groter. We zien bij steeds meer problemen dat het niet lukt om die op nationaal niveau op te lossen en dat dat alleen lukt als we daarop goed Europees samenwerken. Dus ja, groter ten opzichte van de geschiedenis. Betekent dat dan dat we automatisch akkoord gaan met het voorstel van de Europese Commissie, met de stijging die daarin zit? Nee, want we moeten kritisch kijken wat de uitdagingen zijn waar we nu voor staan en waar we echt in moeten investeren, en welke zaken uit het verleden wel afgebouwd kunnen worden.
De voorzitter:
Tot slot de heer Van Hattem.
De heer Van Hattem (PVV):
Dan concludeer ik dat er met de brief van Jetten helemaal niet op de rem wordt getrapt ten aanzien van de groei van het MFK, maar dat het gaspedaal wordt ingetrapt. Misschien zit er een klein beetje speling in hoe diep het gaspedaal wordt ingetrapt, maar het gaspedaal wordt ingetrapt om die Europese begroting te vergroten.
De heer Kanis (D66):
Ja. Uiteindelijk vooral om onszelf als Europese Unie sterker te maken in een wereld waarin dat keihard nodig is.
De heer Kemperman i (FVD):
Toch even terug naar de brief van onze regering samen met een paar andere landen waarover The Financial Times publiceert. Het debat ging net over de omvang van de Europese begroting en of die niet uitdijt. De brief, de informatie uit The Financial Times gaat specifiek over de verdeling van het geld en de problemen die ons kabinet met die verdeling zou hebben. Dat is relevant. U begon uw betoog ermee dat u boerenzoon bent. Nou is bekend dat uw partij de landbouw in Nederland indringend wil hervormen en dat dit enorm veel geld kost. The Financial Times bericht dat Nederland zelfs zo ver wil gaan om de Europese begroting af te wijzen als er meer geld naar de landbouw blijft gaan. Kunt u daarop reageren?
De heer Kanis (D66):
Sorry? Het laatste wat u zegt begrijp ik niet.
De heer Kemperman (FVD):
De regeringsleiders die de brief hebben ondertekend, stellen dat de verdeling van het geld hun niet bevalt. De onderwerpen die u net adresseerde — innovatie, samenwerking, defensie — kennen we, maar ze willen dat het vele geld dat in het verleden naar de landbouw toe is gegaan wordt herverdeeld ten faveure van de onderwerpen die u noemde. Nou staat uw partij voor een misschien wel historische omvorming van de landbouw die enorm veel geld gaat kosten. U komt zelf van de boerderij, vertelde u. Hoe valt dit met elkaar te rijmen? Je stuurt niet langer geld naar de landbouw maar gaat dat aan andere dingen besteden en je gaat zelfs zo ver dat je anders weigert de Europese begroting te ondertekenen; je stemt er dan niet mee in, want er gaat te veel geld naar de landbouw toe. Kunt u daar eens op reageren?
De heer Kanis (D66):
Volgens mij is dit precies het verschil tussen wat Europese problemen zijn en wat nationale problemen zijn. De hervorming van de landbouw … In heel Europa zit de landbouw in een transitie, maar ik durf wel te stellen dat die hervorming bijna nergens harder nodig is dan in Nederland. Dan is het heel logisch dat je op nationaal niveau een bedrag van 20 miljard vrijmaakt om problemen aan te pakken, zoals het kabinet doet. Dat betekent echter niet dat dat geld vanuit Europa hiernaartoe moet komen. Het is eigenlijk wat de heer Kroon zei over het subsidiariteitbeginsel: organiseer op Europees niveau wat je daar moet organiseren. Een sterke defensie en het aanpakken van de macht van big tech zijn dingen die we als Nederland niet zelf kunnen. Maar het hervormen van de landbouw is nou net iets waarvan ik denk: dat kunnen we als Nederland heel goed zelf. Er moet een gelijk speelveld blijven, voor alle duidelijkheid. Dat zit meer in de regels. Maar in de aanpak moeten we dat gewoon zelf doen. En dat doen we.
De heer Kemperman (FVD):
Ik hoor de heer Kanis dus zeggen dat we een enorm bedrag nodig hebben om de landbouw te hervormen, waar wij overigens geen voorstander van zijn, maar zijn partij wel, en dat we dat intern wel oplossen met elkaar. Hij zegt: daar hebben we geen Europees geld voor nodig en als dat nog in de begroting zit, willen we de begroting niet eens medeondertekenen en stemmen we er niet eens mee in. We gaan het dus zelf ook nog betalen en weigeren Europese steun bij de hervorming van onze landbouw. Mag ik het zo interpreteren?
De heer Kanis (D66):
Laten we even helder zijn: als we de Europese landbouwbegroting extra opplussen, betalen we dat ook, want ook dat geld betalen we in Europa met z'n allen. Linksom of rechtsom betaal je er dus voor. De vraag is alleen of Europa dit moet regelen of dat Nederland dit moet regelen. Ik zeg dat de landbouwtransitie waar we in Nederland voor staan in de eerste plaats een hele belangrijke nationale verantwoordelijkheid is.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Kemperman.
De heer Kemperman (FVD):
En dan gaat u zover dat u het kabinet erin steunt dat als deze landbouwgelden niet anders verdeeld worden, de facto uit de Europese begroting gaan, Nederland niet instemt met deze Europese begroting. Dat is de conclusie van ons kabinet die u mede ondersteunt?
De heer Kanis (D66):
Volgens mij heb ik nergens gelezen dat de landbouwsubsidies helemaal uit de Europese begroting moeten. Volgens mij is het wel helder, ook uit mijn betoog, dat het op dat vlak een tandje minder kan en dat het juist op defensie, strategische onafhankelijkheid en innovatie beter kan.
De heer Hartog i (Volt):
Ik voel me eigenlijk een klein beetje ongemakkelijk in dit treintje, zeker als de heer Kroon achter mij gaat staan. Ik ben het namelijk helemaal met de heer Kanis eens: de begroting moet groter worden. Wat ik dan niet begrijp, is dat een door D66 gesteunde regering juist als het MFK in werking gaat treden ongeveer 2 miljard per jaar gaat bezuinigen op de afdracht aan de EU. Hoe zit dat? Gaan er meer EU-inkomsten komen? Gaan we iets anders doen? Gaan we meer uitgeven en het lenen? Hoe kan het dat je een grotere begroting wilt van de EU, maar als Nederland minder wilt uitgeven?
De heer Kanis (D66):
Volgens mij spelen ook hier weer twee dingen. De vraag is: groter ten opzichte van het verleden of groter ten opzichte van wat is voorgesteld? Dat speelt aan de ene kant. Aan de andere kant weet de heer Hartog ook dat D66 niet zo zenuwachtig wordt van Europese leningen of andere financieringsinstrumenten en echt wel bereid is om daar breder over na te denken. Volgens mij zit het ergens in die combinatie.
De heer Hartog (Volt):
Oké. Het is heel nuttig om dat te horen. Eén. De begrotingen zijn Schoof-begrotingen. Die waren al ingeboekt voor de voorstellen van de Europese Commissie, dus laten we niet met woorden spelen. Dit was gebaseerd op het oude MFK. Twee. De heer Kanis geeft al aan dat hij de regering opdracht zal geven die bezuiniging van 2 miljard te dekken door Europese leningen aan te gaan.
De heer Kanis (D66):
Ik zie onze rol in de Eerste Kamer niet zo als dat wij degene zijn die de regering opdracht geven om dit soort dingen te doen. Volgens mij moeten wij op het moment dat de regering met dit soort voorstellen komt en dat in wetgeving of begrotingen vastlegt, kijken of we daar de juiste vragen bij kunnen stellen en moeten we kijken of dat goed onderbouwd is. Wat mij betreft geeft in de eerste plaats vooral de Tweede Kamer, waar het politieke primaat ligt, dit soort opdrachten. Maar als het kabinet met dat soort voorstellen komt, zullen we wellicht kritische vragen stellen, maar zullen we die voorstellen waarschijnlijk wel kunnen steunen.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Hartog.
De heer Hartog (Volt):
Tot slot. Ik ben het eens met wat de heer Kanis zegt, maar hij weet ook dat juist de Tweede Kamer heel nauw luistert naar de wijsheid van de Eerste Kamer. Mijn vraag blijft dan: hoe gaan we die grotere begroting betalen?
De heer Kanis (D66):
Dit is een heel interessante vraag. Ik heb geleerd dat de Europese Unie ongeveer zo werkt: we kunnen hier in theorie uren over debatteren, maar er komt een zeker moment waarop al die regeringsleiders in één zaal worden gedrukt en er pas uit komen als er witte rook is. Het is best een interessante filosofische discussie hier, maar ik heb aangegeven welke ingrediënten wat D66 betreft erin zitten en ik denk dat we moeten afwachten waar ze uiteindelijk mee naar buiten komen.
De voorzitter:
Dan de heer Kroon.
De heer Kroon i (BBB):
Ik had de intentie om te wachten tot meneer Kanis klaar was met zijn betoog, maar als de onderwerpen zo over tafel vliegen, dan kan ik niet anders dan daar een paar vragen over te stellen.
U bent trots op uw afkomst. Dat siert u. Ik hoop dat u die niet verloochent. We gaan het namelijk even over stikstof hebben — ja, voorspelbaar! U gaf in uw inleiding aan dat we vooral geen problemen moeten oplossen aan de binnenkant van de grens. Waarom moeten wij dan in Nederland een stikstofprobleem oplossen dat aan de andere kant van de grens wellicht groter is dan bij ons? Waarom trekken we daar wel een grens? Waarom is het water in de beek aan de Duitse grens schoon, en vervuild bij ons? Hoe kijkt u in dat licht naar die situatie?
De volgende vraag. U verwijst naar de landbouwregelingen in de Europese begroting. U bent zich er wellicht van bewust dat het grootste deel van de landbouwregelingen in de Europese begroting feitelijk inkomenssteun is voor niet-rendabele boeren, met uitzondering van Nederlandse boeren, want die hebben geen inkomenssteun nodig, tenminste, de meeste nog niet; ik hoop dat dat zo blijft. Hoe kijkt u daarnaar?
U heeft het over de transitie van de Nederlandse landbouw. Ik ben het met u eens dat wij voortrekker zouden moeten zijn van dat soort transities, maar is het niet zo dat in uw voorstellen nou net het geld op tafel wordt gelegd om een groot deel van onze boeren met pensioen te sturen? Dat zou dan toch niet passend zijn voor de gewenste strategische autonomie? U sprak over strategische autonomie, maar ik heb u het woord "voedselzekerheid" niet horen noemen. We kunnen allemaal met onze telefoon spelen — technologie is prachtig — maar zonder boterham in de ochtend gaan we als natie niet verder komen.
De voorzitter:
Meneer Kanis, voor u drie best wel lange vragen. Ik hoop dat u daar kort op kunt antwoorden.
De heer Kanis (D66):
Laat ik beginnen bij de eerste vraag. Eigenlijk ben ik heel blij met wat ik de heer Kroon hoor zeggen. Ik hoor hem eigenlijk zeggen: natuur- en milieuproblemen zijn zaken die we niet nationaal zouden moeten oplossen, maar die we veel meer bij Europa zouden moeten neerleggen. Je ziet dat er anders rare verschillen in de grensgebieden ontstaan. Ik hoor hem dus eigenlijk zeggen: we hebben nu een Vogel- en Habitatrichtlijn, maar misschien zou dat geen richtlijn moeten zijn en zouden we veel meer Europese regelgeving moeten hebben, juist op dat niveau, zodat we de problemen aan de grenzen kunnen aanpakken en er nog meer een gelijk speelveld ontstaat. Hij zal in dat geval ook zien dat het nog meer opvalt dat Nederland op het gebied van stikstof het slechtste jongetje van de klas is in Europa en dat we het waarschijnlijk heel erg taai gaan krijgen als we, met de manier waarop de landbouw nu georganiseerd is, aan dezelfde regels als de rest van Europa zouden moeten voldoen.
De tweede vraag ging over inkomenssteun. Het klopt dat dat vooral inkomenssteun is. Daarbij durf ik wel de vraag te stellen: is dat dan een rol die Europa op zich moet nemen? Is het de taak van de Europese Unie om boeren van inkomen te voorzien in heel Europa? Wat mij betreft niet.
Wat betreft de voedselzekerheid: ik ben het ermee eens dat je moet nadenken over de vraag hoe je er strategisch voor staat, maar volgens mij is ook een van de conclusies dat we in Nederland juist een hele grote veehouderij hebben, die strategisch gezien heel erg afhankelijk is van import uit het buitenland, met name van voer uit Zuid-Amerika. Dus als je echt strategisch zou gaan kijken naar hoe we die voedselzekerheid kunnen organiseren, zou je misschien toch — ik moet het toch zeggen — wat meer plantaardig moeten eten en hier juist groenten, bonen en dat soort dingen moeten verbouwen in plaats van heel veel vee moeten houden.
De heer Kroon (BBB):
Dank voor uw antwoord. Nederland het slechtste jongetje van de klas? Ik zou u graag willen uitnodigen om eens met mij mee te gaan naar Wageningen. Daar zult u horen van de hele wetenschap dat de meest economische en de meest milieuvriendelijke landbouw en veeteelt geschieden in Nederland. Er zijn hordes landen in de wereld die dat elke dag bij ons komen bekijken en dat graag willen kopiëren naar hun werkelijkheid. Dus ik waardeer het debat, maar Nederland als het slechtste jongetje van de klas kwalificeren terwijl we de meest hoogwaardige positie in de wereld hebben lijkt mij het verdraaien van feiten. Dat geldt ook voor de stikstofproblematiek. Wij zijn qua emissie een van de schoonste landen van de wereld en we zijn zeker niet het slechtste jongetje van de klas.
U heeft het over strategische autonomie en voedselzekerheid en u verwijst naar een plantaardige transitie. De gekozen route die wij nu inzetten, leidt tot een situatie waarbij wij in de akkerbouw te weinig dierlijke mest hebben om de door u gewenste eiwitten überhaupt te kunnen produceren, waardoor wij genoodzaakt zijn om gas te importeren om vervolgens kunstmest aan te voeren. Kunstmest aanvoeren in de Peel: als u het over nitraat en waterkwaliteit hebt, is dat precies de verkeerde kant. Dus ook daar: ik zou het fijn vinden als de feiten spreken in plaats van de frames.
Ik ben het met u eens. We moeten zo veel mogelijk samenwerken in de Europese Unie. Wij gaan geen auto's maken. Die maken ze in Duitsland. Dat kunnen ze daar het best. We gaan geen wijn verbouwen. Dat kunnen ze in Frankrijk en Italië veel beter dan hier. Maar wij zijn toch het beste in staat om bepaalde agrarische producten in de wereld te krijgen en dan zouden wij dat toch voorrang moeten geven in onze economie? En zou u, vraag ik aan de spreker, dat dan ook niet moeten ondersteunen vanuit een samenwerkingsgedachte?
De heer Kanis (D66):
Ik kom altijd graag in Wageningen. Ik heb daar met veel plezier gestudeerd en kom er nog regelmatig. Het klopt wat de heer Kroon zegt. We zijn wereldwijd koploper, maar volgens mij moeten we dan de sectoren waar we koploper in zijn ook even scherp uit elkaar houden. Want als wij koploper zijn op het gebied van veeteelt, is het toch alsof je koploper bent in kaarsen maken terwijl de rest van de wereld steeds meer elektriciteit krijgt. Ook dat zult u in Wageningen zien. Ook in die plantaardige transitie lopen we voorop. Ik was er vorige maand nog. Ze hadden daar een hele mooie kas staan. Japanse wetenschappers kwamen naar Wageningen om daar te onderzoeken hoe planten groeien bij veel droogte of bij verzilting. Dus juist bij de uitdagingen waar we voor staan in die plantaardige transitie, draait Wageningen volle bak mee. Dat zijn ook zeker de innovaties — ik had het net over waar Europa wel in moet investeren — waar Europa volle bak in moet investeren.
De voorzitter:
Tot slot. We hebben het over Europa. Ik wil hier geen landbouwdebat voeren, want we hebben nog heel veel sprekers.
De heer Kroon (BBB):
Dan heb ik nog één afsluitende vraag, als het mag, en dan laten we deze onderwerpen maar even voor wat ze zijn. We worden het daar toch niet echt over eens. U heeft het over die MFK-begroting. U geeft aan dat er veel meer moet gebeuren, maar ik zou graag van u concrete voorbeelden willen horen van wat we nou juist niet meer zouden moeten doen.
De heer Kanis (D66):
Ik dacht dat het debat daar net over ging. Volgens mij kunnen die landbouwtransities een tandje minder. Wat het kabinet in een brief schreef en waar vanochtend nieuwsberichten over waren, ging over de plattelandsgelden. Je kunt je afvragen of Europa daarvoor is. Dat zijn twee hele concrete voorbeelden van waar het van ons wel een tandje minder mag.
De voorzitter:
U gaat het niet eens worden, meneer Kroon. De heer Kanis voor zijn slotbetoog.
De heer Kanis (D66):
De regering wil in het volgende MFK sterker sturen op resultaten met concrete indicatoren en meer transparantie. Dat lijkt me verstandig. Europese middelen moeten niet alleen worden uitgegeven. We moeten ook kunnen laten zien wat ze opleveren voor de Europese economie, veiligheid en samenleving. Ik heb hierover de volgende vragen aan de minister. Welke keuzes wil het kabinet in het volgende MFK daadwerkelijk maken? Waar wil Nederland middelen naartoe verschuiven en welke bestaande uitgaven zijn voor het kabinet niet langer vanzelfsprekend? Ik heb een vermoeden welk antwoord we hierop krijgen. Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat we niet alleen afspraken maken over hoeveel Europees geld er wordt uitgegeven, maar ook over welke resultaten we er dan voor terugkrijgen?
Voorzitter. Als ik terugdenk aan mijn eerste kennismaking met Europa, dat melkquotum, dan lijkt het misschien alsof we het toen over iets heel anders hadden dan de grote geopolitieke vragen van vandaag. Maar eigenlijk gaat het om dezelfde vraag: waar is samenwerking nodig om vrijheid mogelijk te maken? Als boer wil je ruimte om te ondernemen, maar ook een eerlijke markt, betrouwbare regels en geen afhankelijkheid van één afnemer, één energieleverancier of één grondstoffenleverancier. Hetzelfde geldt op Europees niveau. Europa moet ruimte bieden waar het kan, maar gezamenlijk handelen waar nodig. Dat betekent open zijn naar de wereld zonder naïef te zijn over afhankelijkheden en landen die bij Europa willen horen een geloofwaardig perspectief bieden, maar ook duidelijk zijn over de voorwaarden van dat lidmaatschap. We moeten de rechtsstaat niet alleen verdedigen in verklaringen, maar daar ook consequenties aan verbinden.
Europa staat daarmee voor grote keuzes. Geven we zelf richting aan de wereld of blijven we reageren op besluiten van anderen? Bouwen we de technologie en economische kracht van morgen zelf op of blijven we afhankelijk? Durven we onze Europese begroting in te richten rond de uitdagingen van de toekomst in plaats van vooral te kijken naar de verdeling van het verleden? Voor D66 is het antwoord helder: we moeten niet kleiner denken omdat de wereld ingewikkelder wordt, maar juist groter durven denken. Europa moet verantwoordelijkheid nemen voor haar eigen veiligheid, investeren in kennis, innovatie en ondernemerschap en in de groene en digitale transitie en daar een Europese kracht van maken. Juist daarom moeten we nu de ambitie hebben om Europa sterker te maken, een Europa dat haar waarden verdedigt, haar economie versterkt, haar veiligheid serieus neemt en ruimte biedt aan de volgende generatie. Als wij willen dat Nederland ook in de toekomst vrij, veilig en welvarend blijft, hebben we een Europa nodig dat niet alleen aan de zijlijn staat, maar verantwoordelijkheid neemt en zelf richting geeft. Dat is het Europa waar D66 voor kiest en dat is het Europa waar we vandaag aan moeten beginnen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie een interruptie van mevrouw Ramsodit.
Mevrouw Ramsodit i (PRO):
Er is net gesproken over het Europa van morgen. Daar wijst u op. We sluiten ons aan bij uw vragen over het samen optrekken vanuit Europa als het gaat om de bescherming van het internationale recht en de positie van het Internationaal Strafhof. Ik heb nog een ander punt. U geeft ook aan dat voor het Europa van morgen de digitaliseringsagenda enorm belangrijk is. Ik heb een heel specifieke vraag gesteld over de disruptieve impact van AI en de gezamenlijke verantwoordelijkheid die Europa daarbij heeft. Ik ben heel benieuwd hoe u daarnaar kijkt.
De heer Kanis (D66):
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het helemaal eens ben met de vraag en uw stelling dat we ook moeten nadenken over de impact. We moeten daar scherp op blijven. Dat is juist iets om op Europees niveau te regelen. Ik heb alleen wel één zorg. We zien dat het zo snel verandert. Onze neiging is dan om het heel zorgvuldig en weloverwogen te doen, maar als we niet opletten, zijn we nu aan het bedenken wat we moeten met de ontwikkelingen van twee jaar geleden. Dus ik ben het er helemaal mee eens, maar ik zie nog wel een uitdaging in hoe we met het spanningsveld omgaan van het zorgvuldig beschouwen ervan en tegelijkertijd die heel snelle verandering. Misschien is een deel van de oplossing ook wel hetgeen de grote AI-bedrijven nu bepleiten, namelijk op de rem trappen. Eigenlijk is het heel zorgwekkend dat juist grote Amerikaanse techbedrijven zeggen dat we op de rem moeten trappen. Europa zegt dat natuurlijk al langer. Maar het laat ook wel zien dat het ons niet helemaal lukt om er zelf grip op te krijgen en dat we daar dus wel afhankelijk van zijn.
Mevrouw Ramsodit (PRO):
Uit uw woorden kan ik dus opmaken dat u ondersteunt dat er een gezamenlijke verantwoordelijkheid is, ook vanuit Europa, om hierin een voorhoederol in te nemen.
De heer Kanis (D66):
Ja, daar ben ik het mee eens. Volgens mij heeft Europa in de afgelopen jaren ook heel hard zijn best gedaan om dat te doen, om telkens toch paal en perk te stellen. Nu gaat het veel over AI, maar in het verleden ging het ook over de grote socialmediabedrijven. De rest van de wereld durft dat niet. Europa doet dat wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan wil ik nog voor de lunchpauze de heer Van Hattem van de fractie van de PVV graag het woord geven.