T04177

Toezegging Onderzoek naar voorlopige hechtenis als ultimum remedium en alternatieven in evaluatie (36.327 / 36.636)



De minister van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Bijsterveld (JA21), Talsma (ChristenUnie) en Walenkamp (Fractie-Walenkamp) toe, dat bij de evaluatie van het wetboek onderzoek wordt gedaan naar het opleggen en tenuitvoerleggen van voorlopige hechtenis als ultimum remedium en de ontwikkeling van alternatieven voor voorlopige hechtenis.


Kerngegevens

Nummer T04177
Status openstaand
Datum toezegging 10 februari 2026
Deadline 1 juli 2034
Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie en Veiligheid
Kamerleden mr. K. van Bijsterveld (JA21)
mr. J. Recourt (GroenLinks-PvdA)
mr. H.J.J. Talsma (ChristenUnie)
drs. P.V.A. Walenkamp MA (Fractie-Walenkamp)
Commissie commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen evaluaties
voorlopige hechtenis
WODC
Kamerstukken Tweede vaststellingswet Wetboek van Strafvordering (36.636)
Nieuw Wetboek van Strafvordering (36.327)


Uit de stukken

Handelingen I 2024/2025, eerste termijn, nr.17, item 8, p.1.

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

“De vraag aan de minister is of hij duidelijk wil uitspreken dat het terugdringen van voorlopige hechtenis doel van wetgeving en beleid van deze regering is. Heeft de regering tot doel om actief, ook met buitenwettelijke programma's, in lijn te komen met uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om de voorlopige hechtenis terug te dringen? Wat is de stand van zaken wat betreft de ontwikkeling van de alternatieven voor voorlopige hechtenis?”

Handelingen I 2024/2025, nr.17, item 8, p.7.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

(…) Tijdens een deskundigenbijeenkomst van deze Kamer op 11 februari 2025 is door geleerden verbonden aan de Rijksuniversiteit Leiden een aantal aandachtspunten mee- gegeven. Zij stelden dat bij het ontwerp van het wetboek een duidelijke visie ontbreekt en geen fundamentele keuzes zijn gemaakt. Volgens hen is het een resultaat vooral gebaseerd op overleg met ketenpartners en compromissen. Invulling van belangrijke onderwerpen uit de wet worden aan de praktijk overgelaten. Dit wordt onder meer zichtbaar in de buitengerechtelijke afdoening en de voorlopige hechtenis, die ondanks de bestaande problematiek nauwelijks heeft geleid tot aanpassing in de wettelijke regeling. Dat brengt mij dan ook gelijk bij de vraag of de minister hierop kan reflecteren.

Handelingen I 2024/2025, nr.17, item 8, p.14.

De heer Talsma (ChristenUnie)

(…) Een thema waarop de Nederlandse strafvordering regelmatig bekritiseerd wordt, is dat van de voorlopige hechtenis. De minister stelt dat deze kritiek op zichzelf genomen niet hoeft te leiden tot een wijziging van de wettelijke regeling, aangezien zij ziet op de toepassing ervan in de praktijk. Is de minister inderdaad van opvatting dat de kritiek alleen de uitvoering betreft en niet ook de wettelijke regeling zelf? Zo ja, waarom staan er dan toch een paar aanpassingen in de nieuwe wetgeving? Op welke wijze stimuleert de minister de verbetering van de uitvoering?

Handelingen I 2024/2025, nr.17, item 8, p.52.

Minister Van Oosten:

(…) Ik ga naar een volgend blokje toe: voorlopige hechtenis. De vraag van de heer Recourt en van de heer Talsma, die beiden net al aangehaald werden, is in hoeverre de regering tot doel heeft om het gebruik van voorlopige hechtenis terug te draaien. De vraag had ook betrekking op de kritiek die er überhaupt in allerlei gremia is ten aanzien van de omgang met voorlopige hechtenis. Ja, het is waar, er bestaat kritiek op de toepassing van voorlopige hechtenis in de praktijk. Voorlopige hechtenis zou te veel en te makkelijk worden toegepast en niet altijd voldoende concreet worden gemotiveerd. Ik deel — laat dat ook voor de Handelingen maar duidelijk zijn — als minister van Justitie en Veiligheid dat voorlopige hechtenis zo terughoudend mogelijk toegepast moet worden, maar ik onderschrijf niet de stelling dat Nederland koploper zou zijn in Europa wat betreft de toepassing van voorlopige hechtenis. Ik mag dan ook verwijzen naar een onderzoek van de Rekenkamer uit 2017. Ik kom dan ook niet met specifiek beleid om het aantal gevallen terug te dringen. Wel merk ik nog op dat, hoewel de kritiek niet ziet op de wette- lijke regeling zelf, maar op de toepassing, er in het nieuwe wetboek voor is gekozen voor te schrijven dat de rechter — ik hoop dat dat ook wat tegemoetkomt aan de opmerkingen van de beide vragenstellers — bij iedere beslissing over de voorlopige hechtenis moet overwegen of voorlopige hechtenis onder voorwaarden kan worden geschorst. Daarmee wordt ook gestimuleerd dat vaker alternatieven voor voorlopige hechtenis worden toegepast. Ik mag ook verwijzen naar de verschillende amendementen van het Kamerlid Sneller om de motiveringsverplichtingen voor voorlopige hechtenis aan te scherpen. Het al dan niet bevelen van een voorlopige hechtenis blijft een rechterlijk oordeel op basis van feiten en omstandigheden in een individuele zaak.

Mevrouw Van Bijsterveld stelt eigenlijk, zou ik willen zeggen, voor een deel dezelfde vraag. Althans, zij stelt de vraag iets anders, maar het antwoord geldt onverkort natuurlijk ook voor haar. De toepassing van de voorlopige hechtenis is wettelijk met wezenlijke waarborgen omkleed. De rechter heeft dat periodiek te toetsen. Ik vind het op dit punt nog belangrijk om te benadrukken dat voorlopige hechtenis een ultimum remedium is, waar je alleen gebruik van moet maken als dat noodzakelijk is.

Handelingen I 2024/2025, tweede termijn, nr.17, item 8, p.55.

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

“Eerst een beetje het zuur — "wat teleurstellend" heb ik hier op mijn blaadje geschreven. Het eerste is het terugdringen van voorlopige hechtenis in de vorm van actief beleid van de zijde van de regering. Ik vond het antwoord daarover van de minister heel zuinig. Dat wordt echt wel heel breed gedeeld. Het is ook gewoon staande jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de voorlopige hechtenis tot een minimum moet worden beperkt en dat Nederland daar niet aan voldoet. Nou ja, ik kan niet zeggen dat er een veroordelend vonnis van het Europees Hof is geweest, maar er zijn ook vanuit de Raad van Europa wel signalen geweest dat Nederland daar wat aan moet doen. Het is niet in lijn met de strekking en de gedachte van het Europees recht. Ik had het dus fijn gevonden als de minister had gezegd "we zijn echt die cultuurverandering aan het inzetten, al helemaal bij minderjarigen", maar dat deed hij niet. Het is wat het is.”

Handelingen I 2024/2025, tweede termijn, nr.17, item 8, p.58.

De heer Walenkamp (Fractie-Walenkamp):

“Er zijn verschillende bronnen voor de aantallen mensen die in voorlopige hechtenis zitten, maar het zijn er in ieder geval beduidend meer dan in andere landen. U noemt ons daarin geen koploper, maar ik waag te betwijfelen of dat waar is. U zegt dat het een ultimum remedium is. Ik zal hopen dat dat zo is. Mag ik u dan verzoeken toe te zeggen dat het in de uitvoering zo min mogelijk wordt toegepast? Het houdt natuurlijk ook de gevangenissen vol. Dat zijn allemaal locaties waar wij andere mensen dus niet gevangen kunnen zetten. Voorlopige hechtenis is echt het ultimum remedium, dus ik verwacht echt een serieuze toezegging van u als kabinet.”

Handelingen I 2024/2025, tweede termijn, nr.17, item 8, p.66.

Minister Van Oosten:

“De heer Walenkamp stelde een vraag over voorlopige hechtenis. De heer Recourt deed over datzelfde thema een mededeling. Ik heb daar in eerste termijn over gezegd dat het wetsvoorstel waarborgt waar de rechter alternatieven steeds dient af te wegen. Het al dan niet bevelen van een voorlopige hechtenis blijft een rechterlijk oordeel op basis van de feiten en omstandigheden in elke individuele zaak. Dat hoef ik niet te herhalen. Maar ik probeer ook te luisteren naar wat de heer Recourt zegt. Een aantal anderen hebben dat ook opgebracht. Ik heb aangegeven dat het mij verstandig lijkt dat in de evaluatie van de wet, die we op enig moment gaan meemaken — mits u ermee instemt, maar ik heb daar goede hoop op — het WODC ook wordt gevraagd om dit punt mee te nemen. Dat gaat nu dus ook gebeuren. Daarmee heeft u misschien niet helemaal wat u wilt, maar er is in elk geval wel weer een haakje geslagen om dit onderwerp te bewaken.”


Brondocumenten


Historie

  • 10 februari 2026
    toezegging gedaan