Parlementair jaar 2025/2026, 34e vergadering
Aanvang: 09.30 uur
Sluiting: 21.49 uur
Status: ongecorrigeerd
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Voorzitter: Dittrich
Tegenwoordig zijn 72 leden, te weten:
Van Aelst-den Uijl, Van Apeldoorn, Bakker-Klein, Van Ballekom, Baumgarten, Beukering, Bezaan, Van Bijsterveld, Bovens, Crone, Dessing, Dittrich, Doornhof, Fiers, Van Gasteren, Goossen, Van der Goot, Van Gurp, Hartog, Van Hattem, Holterhues, Huizinga-Heringa, Janssen, Janssen-van Helvoort, Jaspers, Kaljouw, Kanis, Karaaslan-Kilic, Karimi, Kemperman, Van Kesteren, Klip-Martin, Kluit, Van Knapen, Koffeman, Kroon, Lagas, Van Langen-Visbeek, Lievense, Van der Linden, Marquart Scholtz, Martens, Van Meenen, Meijer, Moonen, Musa, Nicolaï, Van den Oetelaar, Oplaat, Panman, Perin-Gopie, Petersen, Ramsodit, Recourt, Rietkerk, Van Rooijen, Roovers, Rosenmöller, Van de Sanden, Schalk, Steenkamp, Straus, Van Strien, Talsma, Thijssen, Van Toorenburg, Veldhoen, Visseren-Hamakers, Vogels, Vos, Walenkamp en Van Wijk,
en mevrouw Becker, lid Tweede Kamer en mevrouw Paulusma, lid Tweede Kamer,
alsmede mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de heer Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en de heer Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De voorzitter:
Ik verzoek de leden hun plaatsen in te nemen. Ik heropen de vergadering van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van dinsdag 16 juni 2026. Ik heet de leden, de medewerkers, de aanwezigen op de publieke tribune en iedereen die deze vergadering via de livestream volgt van harte welkom. Ook heet ik uiteraard de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van harte welkom. Het is, volgens mij, uw eerste debat hier in de Eerste Kamer. Extra welkom, mevrouw Boekholt-O'Sullivan.
Aan de orde is de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026 (36800-XXII).
De voorzitter:
Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel 36800-XXII, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor het jaar 2026. We zijn gekomen bij de eerste termijn van de Kamer.
De beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik wil graag het woord geven aan mevrouw Van Langen-Visbeek van de BBB-fractie, die ook spreekt namens de Fractie-Walenkamp. Aan u het woord.
Mevrouw Van Langen-Visbeek i (BBB):
Goedemorgen, allemaal. Hartelijk welkom, in het bijzonder aan de minister. Vandaag spreken wij in deze Kamer, de chambre de réflexion, over de begroting Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van het jaar 2026. Dit is een Kamer die wetgeving en begrotingen niet alleen beoordeelt op politieke wenselijkheid, maar bovenal op rechtmatigheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. Precies over die laatste twee punten, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid, heeft de fractie van de BoerBurgerBeweging zorgen.
Plannen maken is één, maar hoe zorgen we ervoor dat die 100.000 woningen per jaar ook gebouwd gaan worden? De woningnood in Nederland is een crisis van ongekende omvang. Mensen stellen hun kinderwens uit, jongeren wonen noodgedwongen tot hun 30ste op een zolderkamer bij hun ouders en gescheiden stellen blijven noodgedwongen onder één dak wonen.
Neem mijn toekomstige schoonzoon. Hij is vorig jaar afgestudeerd. Hij werkt voor een adviesbureau in Utrecht dat gemeenten adviseert bij hun sportbeleid. Hij heeft een goede baan en kan €400.000 investeren in een koopwoning. Daarvoor is niks te krijgen in de regio Amsterdam of Utrecht, maar hij verdient te veel voor een sociale huurwoning en moet uit zijn studentenwoning. Hij moet dan terug naar zijn moeder in Zwolle of bij mijn dochter, die nog wel studeert, intrekken in een studiootje van 20 vierkante meter.
Voorzitter. In Amsterdam slapen duizenden mensen op straat. In een zaterdagbijlage van Trouw werden ze geïnterviewd. Dan realiseer je je: dit kan iedereen overkomen. In diezelfde krant stond een artikel. In de regio stopt de doorstroming, omdat de huizen worden gekocht door mensen uit de Randstad. Voor de BBB is het helder: de schop moet in de grond. Maar we moeten dit wel doen met oog voor de draagkracht van onze regio's en plattelandsgemeenten, en zonder vast te lopen in allerlei regels. Ik loop in deze bijdrage graag een aantal hoofdthema's langs waarover wij een aantal vragen willen stellen aan de minister.
Ten eerste: het wonen op vakantieparken. We hebben eind vorig jaar vragen gesteld over het wonen op vakantieparken. Daar wordt door sommige gemeenten nog streng op gehandhaafd, terwijl tijdelijk gedogen ervoor zorgt dat gemeenten tijd besparen en dat er in korte tijd duizenden woningen bij kunnen komen. Kan de minister toezeggen dat ze hierover in gesprek gaat met de gemeenten? Kan ze ook toezeggen dat ze dit sneller op gaat pakken dan de beantwoording van onze vragen? Die beantwoording komt nog voor het reces, als het goed is. In mijn regio werden voorheen ook arbeidsmigranten ondergebracht op vakantieparken. Inmiddels wordt die huisvesting voortvarend en professioneel opgepakt door werkgevers en verrijzen er appartementencomplexen in de polder, mét een sportschool. Maar dit mag niet voor Nederlandse werknemers, dus die zijn wel aangewezen op het vakantiepark. Is de minister bereid creatief na te denken over de samenwerking met werkgevers en het weghalen van mogelijke belemmeringen op dit vlak?
Ten tweede, rechtmatigheid. Als Eerste Kamer toetsen wij ook financiële rechtmatigheid. Daarbij schrokken wij van het Interim-auditrapport 2025. De Auditdienst Rijk constateert een ernstige tekortkoming in de informatie om vast te stellen of huurtoeslag wel terecht is uitgekeerd in de particuliere sector. Vorig jaar was er al sprake van circa 140 miljoen aan rechtmatigheidsfouten of onzekerheden. In ongeveer een vijfde, ofwel 20%, van de gecontroleerde gevallen bij particuliere verhuurders ontbraken de benodigde documenten en was er een verhoogd risico op misbruik. De Auditdienst waarschuwt ervoor dat dit probleem in 2026 alleen maar erger wordt, doordat de maximale huurgrens voor het aanvragen van huurtoeslag komt te vervallen en het aantal aanvragen vanuit de particuliere sector daardoor zal stijgen. Dit is belastinggeld van hardwerkende burgers dat mogelijk in de verkeerde zakken verdwijnt. Wat gaat de minister concreet doen met de aanbevelingen van de Auditdienst om preventieve maatregelen te treffen, zoals het vooraf verplicht stellen van een huurcontract of betalingsbewijs?
Daarnaast zien we grote tekorten opdoemen bij de woningcorporaties. Uit berekeningen van Aedes en de toezichthouder Autoriteit woningcorporaties blijkt een tekort van bijna 20 miljard euro om de nieuwbouw-, renovatie- en verduurzamingsafspraken uit de Nationale Prestatieafspraken te kunnen realiseren. Aedes heeft herhaaldelijk aangegeven dat de afschaffing van de vennootschapsbelasting voor woningcorporaties circa 1,5 miljard euro aan financiële ruimte oplevert en daarmee een veelvoud aan investeringscapaciteit kan vrijmaken. De minister heeft bij de beantwoording van onze vragen aangegeven dat er wordt nagedacht over een herbestedingsreserve. Kan de minister aangeven waarom de invoering van deze maatregel niet op korte termijn mogelijk is? Door een herbestedingsreserve zorg je ervoor dat de belastingbetaling wordt uitgesteld en dat woningcorporaties worden beloond die meer investeren. Wat gebeurt er als corporaties aangeven dat ze niet meer kunnen investeren en daardoor niet aan de verplichte 30% sociale huur kunnen voldoen? Gaat dit leiden tot nog meer vertragingen in de bouw? Is het mogelijk particuliere investeerders en pensioenfondsen te laten instappen om die broodnodige woningen dan wel te bouwen? Welke fiscale drempels gooit de minister overboord om dit voor hen aantrekkelijk te maken? Hoelang blijven we nog doormodderen met de Wet betaalbare huur? Graag een toezegging van de minister dat ze niet alleen de scherpe kantjes van de wet afhaalt, en dan vooral in de Randstad, maar dat ze ook serieus overweegt om die wet af te schaffen.
Voorzitter. Dan de regeldruk. We hebben in Nederland het bouwen van een huis bijna onmogelijk gemaakt. Het wegnemen van het functionele model voor de winst- en verliesrekening in de jaarrekening van corporaties, naar aanleiding van het SEO-rapport, is dan een klein lichtpuntje. Nu hebben we de beleidswaarde bedacht, uniek voor Nederland. Waarom rekenen we niet gewoon met een afslag op de WOZ-waarde? Een afslag op de WOZ-waarde is eenvoudiger en betrouwbaarder. Graag een reactie van de minister hierop.
Corporaties en bouwers zuchten nog steeds onder de regels voor flora en fauna. In de laatste raadsvergadering in mijn gemeente werd gemeld dat de sloop van een school voor de bouw van zorgappartementen voor onbepaalde tijd werd uitgesteld. De aanwezige mussen en vleermuizen moesten eerst de tijd krijgen om in hun alternatieve huisvesting te trekken. Er konden geen extra appartementen bijkomen voor starters of ouderen vanwege de spuitzone, die blijkbaar niet geldt voor zorgvastgoed. Steeds weer is er sprake van regeldruk en vertraging, met torenhoge kosten voor verplichte onderzoeken en een schreeuwend capaciteitsgebrek bij omgevingsdiensten.
Het ministerie gaf in januari 2026 nog aan voortvarend aan de slag te gaan met de adviezen van de adviesgroep-STOER van de voorgangster van deze minister. De minister gaf dit ook aan in haar kennismakingsgesprek. Wanneer gaan we beginnen? Wanneer worden die belemmerende flora- en faunaregels echt opgeschort, zodat we weer mensen kunnen gaan huisvesten en we weer bouwvakkers aan het werk kunnen zetten in plaats van ambtenaren die stapels ecologische rapporten moeten schrijven?
Tot slot. De doelstelling van de regering is dat in 2030 maar liefst 50% van de woningen industrieel gebouwd is. In 2025 zaten we pas op 21,2%. De BBB is voor innovatie en zeker voor snelheid, maar we bouwen huizen voor toekomstige generaties. We hebben de regering hier in de schriftelijke ronde al over bevraagd. Gaat dit niet ten koste van de kwaliteit van de woningen? De regering schermt met het Besluit bouwwerken leefomgeving en stelt dat de kwaliteit onder gecontroleerde omstandigheden vaak hoger is. Maar hoe zorgt de minister ervoor dat deze industriële woningen ook esthetisch en ruimtelijk passen in het karakter van historische dorpskernen en landelijke gebieden, zonder dat Nederland verandert in een aaneenschakeling van blokkendozen?
Voorzitter. Ik rond af. De BBB wil bouwen voor de eigen inwoners, zonder dat plattelandsgemeenten financieel en sociaal zuchten onder spreidingswetgeving. We willen bouwen voor starters en senioren, niet alleen in de sociale huur, maar ook in de betaalbare koop. We willen minder regels en luchtkastelen, maar meer woningen. We moeten concrete stappen gaan zetten voor versnelling. Het grootste risico is niets doen. Ik zie uit naar de concrete antwoorden van de minister op onze vragen in eerste termijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Langen-Visbeek. U sprak namens de BBB en de fractie-Walenkamp. We zijn nu toe aan de bijdrage van mevrouw Van Aelst-den Uijl namens de SP-fractie.
Mevrouw Van Aelst-den Uijl i (SP):
Dank, voorzitter. In een tijd waarin veel mensen nodeloos dakloos zijn, een tijd waarin Nederland wordt aangesproken door de Europese Unie op haar beleid rondom hypotheekrenteaftrek, waarmee mensen nodeloos schulden in worden gelokt en een tijd waarin de meest logische oplossingsrichting voor het aanpakken van de woningnood door woningbouwcorporaties steeds verder in verval raakt, konden wij deze begroting niet voorbij laten gaan zonder daar iets over te zeggen. We gaan dan ook graag iets verder in op de genoemde thema's.
Te beginnen bij dakloosheid. Dakloosheid is de naarste en meest pijnlijke uitwas van het uitblijven van toereikende overheidsactie. Dakloosheid is een groeiend probleem in ons land. Echter, het woord "dakloosheid" komt niet eens voor in de VRO-begroting. Het CBS schatte in 2024 dat er 33.000 daklozen zijn. De derde ETHOS-telling, uit oktober 2025 en uitgevoerd door de Hogeschool Utrecht en het Kansfonds, laat echter zien dat er in 57 gemeenten alleen al 28.721 mensen dakloos zijn. Het probleem is zodoende veel groter dan tot nu toe is aangekaart, en een landelijke telling zoals die van ETHOS heeft tot nu toe niet plaatsgevonden.
In 2023 presenteerde het kabinet-Rutte IV het Nationaal Actieplan Dakloosheid 2023-2030, met als doel om in 2030 dakloosheid uit te bannen, en wel met zes actielijnen. Het ministerie van VRO is voor een van deze zes actielijnen hoofdverantwoordelijk: Wonen Eerst, iedereen een eigen woonplek met ondersteuning op maat. Maar wat schetst onze verbazing, of nou ja, misschien ook wel niet: er is geen structurele financiering vanuit het Rijk voor Wonen Eerst-initiatieven. Hierdoor worden gemeenten — die het al zo moeilijk hebben, mevrouw Van Langen-Visbeek zei het al — samen met regio's en corporaties financieel verantwoordelijk voor het oplossen van de dakloosheid.
De begrotingsbehandeling van het gemeentefonds gisteren liet zien hoeveel ruimte gemeenten daarvoor níét hebben. Ook voor corporaties is dat een groot probleem, want hoewel het voor corporaties duidelijk is dat zij verantwoordelijk zijn voor het bouwen van woningen voor mensen die dakloos dreigen te worden, is dit vaak niet haalbaar voor corporaties. Woningen onder de kwaliteitskortingsgrens van €500 worden een steeds kleiner onderdeel van hun voorraad aan sociale woningen. Het is eigenlijk aantrekkelijker om woningen met een hogere huur of middenhuur te bouwen dan deze goedkopere woningen. In 2024 viel nog slechts 7,7% van alle woningen van corporaties onder die kwaliteitskortingsgrens, terwijl dat in 2018 nog 14,2% was — en enorme daling. We horen dan ook graag welke acties er vanuit dit kabinet te verwachten zijn om meer woningen te realiseren onder de kwaliteitskortingsgrens. We vragen ons ook af of het kabinet het als zijn taak ziet om dakloosheid aan te pakken en daar ook middelen voor beschikbaar te stellen.
Voorzitter. Dan het tekort aan middelen voor corporaties. In 2024 zijn de Nationale Prestatieafspraken tussen kabinet en corporaties vastgesteld. Hierin is onder andere opgenomen dat corporaties vanaf 2029 jaarlijks 30.000 nieuwe huizen moeten bouwen. Op dit moment ligt het aantal tussen 17.000 en 20.000. Als je het aantal verkochte en gesloopte sociale huurwoningen daarin meetelt, of eigenlijk aftrekt, dan is er sprake van een groei van ongeveer 10.000 sociale huurwoningen per jaar. In de Staat van de corporatiesector 2026 geeft de ILT aan dat, hoewel corporaties door de afschaffing van de verhuurdersheffing iets meer kunnen investeren in bouwen, de financiële druk op corporaties in de toekomst zal toenemen als er geen nieuwe middelen bij komen. Onderhoud kan straks, aldus de ILT, niet eens meer gedekt worden uit huren.
Nu zijn er natuurlijk heel veel manieren om middelen voor corporaties vrij te maken, maar de afschaffing van de ATAD-belasting, de Anti-Tax Avoidance Directive, een Europese richtlijn om belastingontduiking aan te pakken, en het aanpakken van de winstbelasting, zojuist al eventjes genoemd door de BBB, zou een bijzonder goed begin kunnen zijn voor corporaties. Zijn dat maatregelen die dit kabinet overweegt? Gaat dit kabinet eindelijk de ATAD en de winstbelasting op corporaties aanpakken? Corporaties hebben met het Rijk afgesproken om in 2028 alle sociale huurwoningen met een E-, F- of G-label te hebben verduurzaamd. Hierdoor is er de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in de bestaande woningvoorraad, maar tegelijkertijd zijn de kosten voor onderhoud voor corporaties de afgelopen jaren enorm gestegen, van 4,1 miljard in 2018 naar 6,7 miljard in 2025, een stijging van meer dan 60%.
Volgens de Woonbond zijn loon- en materiaalkosten met meer dan 30% gestegen en dat komt onder andere doordat onderhoudsbedrijven langzamerhand worden overgenomen door private equity, die azen op de enorme pot aan renovatiemiddelen — wat een verrassing. De ILT gaf in 2023 al aan dat private equity een groeiende rol had bij die onderhoudsbedrijven. Wij vragen dan ook aan het kabinet welke acties dit kabinet voornemens is te ondernemen tegen die toenemende kostenstijging in onderhoud en verduurzaming, en met name tegen de oprukkende private equity, die dit steeds meer overneemt. Als de minister of de staatssecretaris dat niet zou doen, vragen wij ons af of de huidige middelen die in het coalitieakkoord voor deze doelen zijn beloofd, nog wel genoeg zullen zijn om die verduurzamingsacties te kunnen ondernemen.
Voorzitter. Dan de hypotheekrenteaftrek en de verstoring die deze op de huizenmarkt bewerkstelligt. Als zelfs een stevige uitspraak van de EU niet helpt, dan maak ik er, geloof ik, hier niet nog meer woorden aan vuil vandaag.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Aelst-den Uijl. U sprak namens de SP. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Kesteren, die namens de PVV-fractie het woord voert.
De heer Van Kesteren i (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ook welkom aan de minister. Uw vuurdoop. Heel veel succes.
De begroting VRO voor 2026 richt zich onder andere op de realisatie van circa 100.000 betaalbare woningen per jaar. Ondanks een begroting van vele miljarden voor de woningmarkt, blijft de woningproductie structureel achter bij die doelstelling van 100.000 betaalbare woningen per jaar. Voor de PVV is die doelstelling dan ook niet uitvoerbaar, omdat er door dit kabinet nauwelijks maatregelen genomen worden om de toestroom van asielzoekers in te dammen. Het huidige woningtekort wordt onvoldoende gekoppeld aan migratie en er wordt gestreefd naar een verduurzaamde gebouwde omgeving, waarbij bescherming, zo u wilt herstel, van de natuur hoge prioriteit heeft. In een zeer dichtbevolkt land als Nederland gaat het een ten koste van een ander. Dergelijk beleid werkt contraproductief op de woningbouwproductie. Door dat obsessieve migratieklimaat en stikstofbeleid wordt niet alleen de bouw, maar ook de landbouw en de industrie, kortom de gehele Nederlandse economie, keihard geraakt. Bovendien werken de klimaat- en verduurzamingseisen verhogend op de bouwkosten en werken ze bureaucratische en juridische procedures rond woningbouw in de hand.
Deze begroting leidt vanwege het immigratiebeleid en het klimaat- en stikstofbeleid in relatie tot de bouwopgave tot een tegenovergesteld maatschappelijk resultaat van wat men ermee beoogt voor met name Nederlandse woningzoekenden. In deze begroting wordt op papier gestuurd op woningbouwproductie, maar niet op beleidsmaatregelen die de omvang van de woningvraag daadwerkelijk omlaag zullen brengen. De PVV-fractie vraagt zich oprecht af wanneer met name Nederlandse woningzoekenden concreet merken dat de miljardeninvesteringen vanuit deze begroting daadwerkelijk zullen leiden tot meer beschikbare woningen.
Tot slot nog een aantal vragen. Kan de minister uitleggen waarom in de begroting wel gestuurd wordt op woningbouwproductie, maar niet expliciet op de omvang van de woningvraag? Moeten ook andere departementen niet een onsje minder in praktijk brengen om dat woningprobleem op te lossen? De tweede vraag: kan de minister aangeven hoeveel extra woningen deze begroting daadwerkelijk oplevert? De derde vraag: kan de minister aangeven welk deel van de begroting echt terechtkomt bij nieuwbouw en welk deel bij bijvoorbeeld contraproductieve verduurzaming, zoals van het gas af? Ik heb het dan niet over het isoleren van woningen. De laatste vraag: kan de minister aangeven hoeveel extra sociale huurwoningen in 2026 daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd, dus niet de doelstelling, vanuit die begroting VRO?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Kesteren. U sprak namens de PVV-fractie.
Zijn er nog andere leden hier in de zaal die het woord wensen te voeren? Ik zie dat dat niet het geval is.
Dan komen we nu toe aan het antwoord van de regering in de eerste termijn. Mijn vraag is: bent u, minister, in de gelegenheid om meteen te antwoorden? Er is een groot aantal vragen gesteld. Of wilt u even schorsen? Kunnen we tien minuten doen? Dan beginnen we weer om 10.00 uur.
De vergadering wordt van 9.51 uur tot 10.00 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef graag het woord aan de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Aan u het woord.
Minister Boekholt-O'Sullivan i:
Dank u wel, voorzitter. Het is inderdaad voor mij de eerste keer hier in de Eerste Kamer. Na een heel vriendelijke kennismaking vind ik het mooi om hier te kunnen staan. Ik reflecteer op de afgelopen 110, 112 dagen — ik weet niet precies hoeveel het er zijn — en kijk naar wat er nou vastzit in de woningmarkt. Wat ik concludeer, is dat er zo ontzettend veel "enerzijds, anderzijds" is. Elk gesprek gaat over een dilemma. Doe je het goed voor de huurder of voor de verhuurder? Doe je het goed voor de koper of goed voor de verkoper? Doe je het goed voor de corporaties of doe je het goed voor de investeerders?
Ik geloof heel erg dat de middelbareschoolsystematiek, waarin je bij sommige vakken een 8 met een 4 mag compenseren, niet werkt in de woningbouwopgave. Ik geloof heel erg dat we allemaal minstens een 6 moeten halen, dan van een 6 een 7 moeten maken en dan, in de ideale wereld, een 8. Ik geloof dus niet in een scenario waarin ik het voor één doelgroep goed doe en dan voor de andere niet. We hebben niks aan heel goed beschermde huurders als er geen woningen zijn om te kunnen huren. We hebben niks aan heel dure koopwoningen als er geen mensen zijn die vervolgens die huizen kunnen kopen. Tegelijkertijd hebben we ook niks aan verhuurders die de rechten van de huurders met voeten treden.
Dus wat mij opvalt en waar ik echt mijn beleid op inzet, is ervoor zorgen dat we misschien geen heel grote stap naar rechts of links maken. Daar vraagt de sector overigens ook niet om. Ze vragen om stabiliteit, om duurzaamheid — dan bedoel ik niet klimaatduurzaamheid, maar duurzaamheid in het beleid dat we maken — en ze vragen dat we op zoek gaan naar maatregelen waarbij we daadwerkelijk zorgen dat mensen een dak boven hun hoofd hebben dat past bij de omstandigheden waarin ze leven.
Ik kijk naar de werkbezoeken die ik heb afgelegd. Ik vind de voorbeelden die u noemt heel mooi. Daarbij dacht ik: ik ben op vakantieparken, bij studenten, bij een fabriek, bij daklozen, bij corporaties geweest. Bij al deze werkbezoeken zijn er schrijnende gevallen waarbij het alleen maar erger wordt als we niks doen. Ik denk dat we daarmee dezelfde taal spreken. Ik zal in mijn beantwoording aangeven wat ik op dat punt wil gaan doen. Maar de één heeft altijd de ander nodig. Daarom zullen we met elkaar oplossingen moeten vinden die ervoor zorgen dat alle mensen die een dak boven hun hoofd willen, dat ook kunnen hebben, en dat mensen niet noodgedwongen vastzitten in een huwelijk of in een huis of bij hun ouders waar ze niet willen zitten.
Ik kom bij uw vragen. De eerste vraag van mevrouw Van Langen-Visbeek was of ik kan reageren op het overschrijden van de tolerantiegrens van de huurtoeslag. Dit speelt met name in de particuliere sector, omdat contra-informatie vaak ontbreekt. De Dienst Toeslagen kan aanvragen daardoor niet zo goed controleren, omdat die geen informatie heeft over bijvoorbeeld de huurprijs. Door het ontbreken van deze informatie kan niet altijd worden vastgesteld of aanvragen van huurders uit de particuliere huursector dan ook rechtmatig zijn. Dit gaat om ongeveer 11% van alle aanvragen. Voor 2025 is de tolerantiegrens vastgesteld op 191,6 miljoen. Er is circa 214,6 miljoen mogelijk onrechtmatig uitgekeerd. In de corporatiesector speelt dit vrijwel niet — gelukkig maar, zou ik zeggen. De Dienst Toeslagen ontvangt namelijk van veel woningcorporaties automatisch de gegevens. Ik ben met de Dienst Toeslagen het gesprek aangegaan over welke mogelijke verbeteringen vanuit de uitvoering geïnitieerd kunnen worden. De Dienst Toeslagen heeft hiervoor een aantal meerjarige verbeterplannen opgesteld. De resultaten vanaf 2026 worden gemonitord en zo nodig aangepast om fouten en onzekerheden voor de rechtmatigheid zo veel mogelijk te voorkomen.
Dan de vraag van mevrouw Van Langen-Visbeek over het afschaffen van de Wet betaalbare huur.
De voorzitter:
Ik zie dat er een interruptie aankomt van mevrouw Van Langen-Visbeek. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Langen-Visbeek i (BBB):
Dank voor uw antwoord, minister. Kunt u ons daar ook over informeren? U kondigt een aantal maatregelen aan. Kunt u deze Kamer ook op de hoogte houden van de voortgang? Het is natuurlijk best wel een zorgelijk punt dat dit geconstateerd wordt.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, het is natuurlijk terecht om te vragen: wanneer horen we hier meer over? We zijn dus nu in gesprek en we zijn bezig met een pilot. Dit heeft ook een relatie met het huurregister, want als dat huurregister er uiteindelijk komt, valt die data daar automatisch in en kunnen we er ook beter mee werken. Dat is een proces dat ik ergens in de loop van dit jaar probeer om een stap verder te krijgen, na de internetconsultatie. Dus als ik daar de gegevens van heb, kan ik een iets vollediger antwoord geven en uw Kamer daarover een brief sturen.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Dank voor die toezegging.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan ga ik door met de vraag van mevrouw Van Langen-Visbeek over het afschaffen van de Wet betaalbare huur. Zoals u weet uit het coalitieakkoord, is er ingezet op een aantal aanpassingen. Die aanpassingen heb ik onlangs met de Tweede Kamer besproken. Ik wacht nog op de stemmingen, die vandaag daarover plaatsvinden, denk ik. We hebben uitvoerig met de Tweede Kamer gesproken over het afschaffen of het juist niet afschaffen ervan. Wat ik daar heb gezegd en wat ik hier ook zal toelichten, is: ik vind het goed dat er een wet is waarmee we onze huurders beschermen. Dus ik sta voor deze wet. Tegelijkertijd zie ik wel dat een aantal elementen uit de wet een effect hebben dat niet helpend is voor de voorraad van woningen. Dan gaat het met name om de middenhuurwoningen. De maatregelen die ik voorgesteld heb, gaan met name over het zekerstellen dat er woningen zijn voor mensen met een middeninkomen, zodat zij überhaupt een woning hebben. Want zoals ik in mijn introductie zei: we hebben niks aan heel goed beschermde huurders zonder woningen. Er moet wel een woning zijn. Met deze aanpassingen hoop ik een klimaat te scheppen waarin die balans wat meer gevonden wordt.
Tegelijkertijd zijn we bezig met het schrijven van de opdracht voor de evaluatie. De aanbesteding wordt direct na de zomer in de markt gezet. Dit onderzoek moet goed en zorgvuldig gebeuren. In juli worden de uitkomsten van deze evaluatie met de Kamers gedeeld. Er is ook aan mij gevraagd of het niet sneller kan: waarom moet zo'n evaluatie een jaar duren? Mijn antwoord daarop is — dat geef ik alvast mee — dat dit een heel gevoelig onderwerp is. Als ik de randjes eraf snij of onzorgvuldig werk in deze evaluatie, gaan we het straks hebben over de kwaliteit van de evaluatie. Ik wil het eigenlijk helemaal niet met u hebben over de kwaliteit van de evaluatie. Ik wil het graag met u hebben over de uitkomsten van de evaluatie. De richtlijn die hiervoor geldt, namelijk om dit op een zorgvuldige en goede manier te doen, leidt er daarom toe dat er juli volgend jaar een evaluatie ligt. Op basis van die uitkomsten gaan we het gesprek hebben over wat er verder nodig is bij deze wet.
Dan de vraag van mevrouw Van Langen-Visbeek of ik de ATAD ga afschaffen. Ik denk dat de onderliggende vraag is of ik onderschrijf dat de corporaties het moeilijk hebben en dat de businesscase zich niet meer laat rondrekenen. Dat ben ik volmondig met u eens. Daar kom ik straks bij een andere vraag ook nog wel op terug. We zijn dus naar verschillende maatregelen aan het kijken om dat probleem op te lossen en we werken die uit. Voor de faciliteit van de vennootschapsbelasting is inmiddels structureel 325 miljoen gereserveerd. Maar voor het afschaffen van de renteaftrekbeperking in de ATAD hebben we momenteel geen dekking. Dat is onder de huidige ATAD-richtlijn ook niet mogelijk.
Dan de vraag van mevrouw Van Langen-Visbeek over wat ik ga doen als corporaties niet voldoende middelen hebben om de 30% te kunnen bouwen. Ik zei net al dat het zich in theorie rondrekent, als het over de corporaties gaat. Je kunt een rekenmodel zetten onder dat gat van 19 miljard. Dan kun je het in theorie rondrekenen. Ik zeg heel bewust "theorie", omdat ik niet geloof dat die theoretische werkelijkheid er in de praktijk zo gaat uitzien. De ene corporatie is meer vermogend dan de andere, maar je kunt niet veronderstellen dat ze binnen Nederland al hun kapitaal met elkaar kunnen verdelen en dan tot een goede verdeling kunnen komen. Dat wetende moeten we oplossingen zoeken, maar die oplossing kan niet alleen bij het Rijk liggen. De oplossing ligt ook bij de corporaties. Een van de elementen in dit onderwerp waar ik nu een Eerste Kamerbrief over heb gestuurd, gaat erover dat we ervoor zorgen dat de mensen die in een sociale huurwoning van een corporatie wonen een inkomensafhankelijke huur betalen en dat ze, als hun inkomen aanzienlijk is verhoogd, dus niet op het niveau blijven waarop ze ooit zijn ingestoken. Dus ik vind dat corporaties zelf iets te doen hebben. Daarnaast vind ik dat het Rijk ook iets te doen heeft, maar ik kan niet vooruitlopen op besluitvorming van later dit jaar. Ik neem het mee in mijn brief over de taskforce die onder leiding van de minister-president en met meerdere departementen kijkt naar de versnelling van de woningbouw. Nogmaals, daar kan ik nu nog niet op vooruitlopen, maar ik ben me ervan bewust en ik weet dat we er iets mee moeten.
Mevrouw Van Aelst-den Uijl i (SP):
Ik moest even kauwen op de antwoorden van de minister over de ATAD en wat er al dan niet zou kunnen. Ik hoor de minister dan zeggen, eerst eromheen: ja, ik ben het ermee eens dat corporaties lastig hebben. Daarna over zowel die ATAD als over andere belastingen, hoor ik de minister dan eigenlijk zeggen: ik heb er geen geld voor en ik vind het te moeilijk om het aan te laten passen. De ene helft van het antwoord was: ik heb er geen geld voor, geen dekking. En de andere helft was: de huidige ATAD laat dat niet toe, dus kan het niet. Het gekke is dat ik dit kabinet bij heel veel andere dingen hoor zeggen het bijna onmogelijke willen oplossen. Ze doen hun best. Alles wordt geprobeerd. Daarmee klinkt dit antwoord eigenlijk een beetje als: ik wil het niet. Kunt u zich dat voorstellen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Goede vraag. Ik val er bijna stil van, omdat ik nog niet zo vaak in mijn leven van iemand de feedback heb gekregen dat ik iets niet zou willen. Dus dat vind ik moeilijk voor te stellen voor mezelf. Ik hoor u en ik begrijp dat ik ander taalgebruik bezig dan collega's, die zeggen "ik ga mijn best ervoor doen". Ik wil mijn best doen, maar ik wil ook met realisme het gesprek voeren in uw Kamer. Dus ik erken de problematiek. Ik kijk er ook niet van weg. Ik ben er ook mee bezig. Maar er is gevraagd om geen luchtkastelen te bouwen. Nou, dat probeer ik ook niet te doen. Daarom probeer ik te zeggen: er moet bij de corporaties zelf iets gebeuren en er moet is gebeuren bij het Rijk. Dat ben ik aan het uitwerken. Ik kan daar niet op vooruitlopen.
De ATAD afschaffen zou 600 miljoen kosten. Als dat uit mijn huidige begroting zou moeten komen, moet ik een heleboel andere dingen niet meer doen. Dat is denk ik niet iets wat we hier tijdens het debat moeten uitvogelen met elkaar, wat dat zou moeten zijn. Het gaat bij mijn dus niet om niet willen. Voor mij is het allerbelangrijkste dat die corporaties hulp nodig hebben. Dat zie ik ook. Ik besluit alleen nog niet hier of dat dan is door me in te zetten op de ATAD, dat dat gaat zijn via een andere regeling of dat dat in augustusbesluitvorming meegenomen moet worden, waar ik niet op vooruit mag lopen.
Dus wellicht moet ik andere woorden gebruiken om u te overtuigen dat ik hier met de beste intenties sta, maar ik wil wel een eerlijk beeld schetsen van waarmee ik wel bezig ben en waarmee niet. De stip op de horizon is ervoor zorgen dat de businesscase van de corporaties zich rond blijft rekenen, zodat ze kunnen blijven bouwen.
De voorzitter:
Mevrouw Van Aelst, wilt u nog een vervolgvraag stellen?
Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):
Dank, voorzitter. Ik was er nog heel even op aan het kauwen. Het is fijn om te horen dat deze minister met oplossingen wil komen. Wat ik dan niet helemaal begrijp, is het antwoord: ik kan nu de ATAD niet afschaffen, los van de financiële kant. Als er blijkbaar een regelprobleem is, zou ik me kunnen voorstellen dat je dat in elk alvast oplost, zodat het als je er wel middelen voor hebt afgeschaft kan worden. Dat zou in ieder geval een eerste stap zijn. Dus ik ben wel een beetje op zoek naar hoe hard we lopen, gezien hoe groot de crisis is.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wat mevrouw Van Aelst-den Uijl mij vraagt, is of ik ergens naar wil kijken, ook als ik niet zeker weet of misschien wel zeker weet of er daarna dan geld voor is het om het op te lossen. Ik wil overal naar kijken. Ik wil alleen voorkomen dat daarna het beeld ontstaat dat we dit gaan doen en dat we dan straks onze eigen teleurstelling hebben geregeld, omdat er vervolgens geen financiën bij zitten om het daadwerkelijk mogelijk te maken. Dus ik wil met alle plezier kijken wat er nodig zou zijn om het wel voor elkaar te krijgen in het scenario dat er geld voor zou zijn, zonder enigszins de verwachting te wekken dat dat dan de prioriteit krijgt als er ergens geld beschikbaar zou zijn. Voor mij ligt de prioriteit in het oplossen van de problematiek van de corporaties en ik weet gewoon nog niet of dit daar dan de ideale oplossing voor is.
De voorzitter:
Mevrouw Van Aelst, laatste keer.
Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):
Die toezegging zou in ieder geval een stapje zijn.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik kan toezeggen dat ik ernaar ga kijken, zonder enige verwachtingen op de uitkomst.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u uw betoog vervolgt. Ik geef mevrouw Van Langen nog de gelegenheid een interruptie te plegen, als zij dat wil. Mevrouw Van Langen.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Dank u, voorzitter. Ik wil even aansluiten op het betoog van mevrouw Van Aelst. Ik zie dat u kleine stapjes neemt met de Wet betaalbare huur. U zegt: ik moet eigenlijk nog een jaar langer nadenken over een eventuele afschaffing, want het is allemaal wel complex. We zien dat ook met de herbestedingsreserve van de vennootschapsbelasting. Mijn vraag aan de minister is: vindt u dat corporaties vennootschapsbelasting moeten betalen? Ze hebben in principe geen winstdoelstelling. Ze zijn er voor ons allen om een belangrijk probleem op te lossen, namelijk het tekort aan sociale huurwoningen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Deze vraag had u mij inderdaad gesteld. Ik vind dat wij de corporaties moeten helpen om die woningopgave op te lossen. Ik vind dat we moeten kijken op welke manier we dat kunnen doen zonder dat we luchtkastelen bouwen en op zo'n manier dat het ook daadwerkelijk leidt tot de ruimte die de corporaties nodig hebben. Ik heb daarover gezegd dat de corporaties zelf iets te doen hebben en dat het Rijk iets te doen heeft. Vervolgens zit er een prijskaartje aan vast. Zolang dit niet op mijn huidige begroting staat, is het heel onverstandig om daar hier al uitspraken over te doen. Er komt namelijk — u weet dat nog veel beter dan ik — nog een augustusbesluitvorming en dit is niet het enige probleem waar Nederland momenteel mee te kampen heeft waar een prijskaartje aan zit. Ik vind dat we het moeten oplossen en ik vind ook dat beide partijen hierin iets te doen hebben. Ik ben op zoek naar maatregelen die dan ook daadwerkelijk leiden tot betaalbaarheid en die uitvoerbaar zijn voor de corporaties.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Nou, dat klinkt heel mooi. U heeft Aedes als gesprekspartner namens de corporaties. Zij zeggen: juist de herbestedingsreserve van de vennootschapsbelasting wordt concreet in duurzaamheid gestoken, in verduurzaming en in de bouw van woningen. Dat zijn, denk ik, de grote problemen die aangepakt moeten worden. Ik denk dan: sla de handen ineen en pak dat zo snel mogelijk op. We willen natuurlijk allemaal dat de woningmarkt weer zo snel mogelijk op gang komt en dat die 100.000 woningen per jaar gehaald worden. Luister naar de gesprekspartners en pak dit zo snel mogelijk aan, zou ik zeggen. We steken inderdaad wel miljarden in duurzaamheid, zo'n 20 miljard in fondsen om verduurzaming te versnellen, maar deze 1,5 miljard voor de herbestedingsreserve wordt lastig, hoor ik u zeggen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wat mevrouw Van Langen-Visbeek mij hoort zeggen, is dat ik het probleem onderken en dat ik vind dat er wat moet gebeuren. De corporaties moeten iets doen — daar ben ik ook met Aedes over in gesprek — en ik ben ervan overtuigd dat het Rijk ook iets moet doen. Ik wil alleen graag nog een beetje tijd hebben om na te denken over wat dan het beste is. Dat is op weg naar de augustusbesluitvorming, dus zo veel tijd is dat dan ook niet meer.
Met betrekking tot hoeveel geld er naar de verduurzaming gaat: mijn insteek van de verduurzaming is zorgen dat de rekening van de bewoners omlaaggaat, met name van de mensen die het al moeilijk genoeg hebben. Die verduurzaming leidt uiteindelijk tot het naar beneden gaan van die rekening en zorgt ervoor dat het leven wat betaalbaarder wordt voor een heleboel mensen die dat nodig hebben. Ik vind het dus heel goed dat wij daar vanuit de VRO-begroting geld op inzetten, omdat ik vind dat we daarmee ook oog hebben voor de zittende bewoners. We moeten niet alleen maar bezig zijn met het bouwen van 100.000 woningen, wat ook moet gebeuren — en beter benutten moet ook gebeuren — maar tegelijkertijd moeten we de zittende bewoners niet uit het oog verliezen, want die schrijnende gevallen kent u natuurlijk ook. Mijn introtekst ging zo'n beetje hierover. We zoeken ergens een midden, waardoor we het voor iedereen goed doen en we met z'n allen het hele domein een beetje kunnen optillen, waarbij we de zittende bewoners niet uit het oog verliezen.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Dank u wel.
De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan de vraag van mevrouw Van Aelst-den Uijl: wat ga ik doen aan de invloed van private equity in de branche voor onderhoud? De sterk gestegen onderhoudslasten bij woningcorporaties zijn een heel belangrijk vraagstuk. Ik wil daar ook graag meer inzicht in krijgen. De meest recente doorrekening van de Nationale Prestatieafspraken laat zien dat deze stijging tot fors minder investeringscapaciteit in de sector leidt omdat er minder geld overblijft om nieuwe leningen aan te kunnen trekken. De Autoriteit woningcorporaties heeft mijn ministerie en de corporatiesector geadviseerd hier de komende tijd meer onderzoek naar te doen. Op dit moment ben ik met de Autoriteit woningcorporaties en Aedes in gesprek over de vraag welke onderzoeken nodig zijn om meer grip op dit vraagstuk te krijgen. Ik ga hierbij ook kijken naar het functioneren van de markt van onderhoudsbedrijven en de mogelijke invloed van de private equity hierop. Ik vind het echter in deze fase voorbarig om conclusies te trekken over waar de stijging precies vandaan komt en de rol van de private equity. Maar dit is, zoals gezegd, onderdeel van dat gesprek en daarmee ook onderdeel van de vraag welke onderzoeken plaats moeten vinden om hier grip op te krijgen als dat nodig is.
Dan de vraag van mevrouw Van Aelst-den Uijl over dakloosheid: welke acties onderneemt VRO? Ik ben op bezoek geweest bij een daklozenopvang in Rijswijk. Wat mij daar trof, toen ik sprak met de jonge mensen die daar woonden, was dat het ook mensen zijn met een mbo-opleiding of wetenschappelijke opleiding. Er is alleen niemand meer met een bank waar ze lang genoeg mogen slapen. Deze mensen hebben ook gewoon werk; ze gaan 's ochtends de daklozenopvang uit om naar hun baan te gaan. Ze verdienen te veel voor een sociale huurwoning — als ze al aan de beurt zijn op de wachtlijst — en ze verdienen te weinig voor de private sector. Het zijn jonge mensen, met een baan: een in de glastuinbouw en twee in de digitalisering. Ze hebben aan een Nederlandse universiteit gestudeerd. Ik vind het schrijnend dat we in Nederland in een situatie zijn beland waarin jonge mensen in de daklozenopvang terechtkomen.
Sta ik voor het beleid dat hierover eerder is afgesproken? Dat doe ik zeker. Wat ik wil doen met de Wet regie, waarover ik volgende week met u in gesprek ga, is antwoord krijgen op vragen als: hoe worden die daklozen onderdeel van de gemeente, hoe worden ze onderdeel van de volkshuisvestingsprogramma's die worden opgesteld? Want als het eenmaal in die volkshuisvestingsprogramma's is opgenomen, kunnen we er ook op sturen en er wat meer regie op voeren. Op dit moment zijn daar geen specifieke middelen voor begroot. Er zijn wel middelen die helpen, zoals de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen, waar deze groep onder valt.
Dan ga ik door met de vraag van de heer Van Kesteren over het aanpakken van de oorzaak van het woningtekort. Het kabinet zet breed in op de grip op migratie. Mijn opdracht vanuit het coalitieakkoord is 100.000 woningen per jaar, kijkend naar de komende jaren. Ik probeer alles te doen, op alle mogelijke manieren, met de middelen die mij ter beschikking zijn gesteld, door het verminderen van regels en het wegnemen van belemmeringen, zodat we dit zo snel mogelijk kunnen doen. Dat doe ik voor alle Nederlanders, dus ook voor alle mensen die hier mogen blijven wonen.
Dan de vraag van mevrouw Van Langen-Visbeek over de vakantieparken. Ik ben op bezoek geweest bij een vakantiepark. Ik ben in gesprek gegaan met mensen die daar permanent wonen en die daar ook graag permanent willen blijven wonen. Die meneer zat er prachtig bij, dus ik kan me goed voorstellen dat hij er wil blijven wonen. Tegelijkertijd zie ik tijdens zo'n bezoek ook de problematiek: de kwaliteit van de wegen, het ophalen van het afval, de riolering. Het is geen woonwijk, het is een vakantiepark. Zolang het een vakantiepark is, met niet de faciliteiten van een woonwijk, is er ook problematiek. Dat staat los van de problematiek van mensen die nergens anders naartoe kunnen. Dus het is allebei waar. Ik ben hierover in gesprek met de gemeenten, maar het is geen eenvoudige opgave, zoals ik al zei. We hebben dus een Expertteam Transformatie Vakantieparken en dat heb ik vorige week, ook naar aanleiding van een gesprek met de Tweede Kamer, vanuit RVO opdracht gegeven om proactief in gesprek te gaan met een aantal gemeenten, waar eigenaren van recreatiewoningen en vve's van vakantieparken een sterke wens hebben om die vakantieparken te transformeren naar woonwijken, zodat de faciliteiten daar ook bijpassend zijn. Ik ben dus in gesprek over allebei de onderwerpen en ik stuur nog voor de zomer, dus dat is al bijna, over beide onderwerpen een brief naar de Kamer. Die gaan dus over hoe ik kijk naar vast wonen op vakantieparken plus die transformatie.
De voorzitter:
Dan is er nu een interruptie van mevrouw Janssen van PRO.
Mevrouw Janssen-van Helvoort i (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij ben ik hier nog van GroenLinks-PvdA.
Minister, ik had een vraag over uw vorige onderwerpje, maar ik denk dat dat nog wel even mag. Hoorde ik u in een tussenzinnetje — daarom ben ik ook wat laat bij de interruptiemicrofoon — nu echt zeggen, in antwoord op de stellingname van de heer Van Kesteren van de PVV, dat u beaamt dat de woningnood voor een flink percentage wordt veroorzaakt door immigratie? Volgens mij is dat namelijk wel de stellingname van de heer Van Kesteren, maar hoe kijkt u daar zelf tegenaan?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel voor uw vraag, zeg ik via de voorzitter, uiteraard. Het antwoord is: wij staan voor de opgave om per jaar 100.000 woningen te bouwen voor iedereen die in Nederland woont. We hebben voor iedereen die hier wil wonen en mag wonen een dak boven het hoofd te organiseren. Dat is mijn opgave en zo sta ik daar ook in. Ik maak daarin geen onderscheid. Er moet gebouwd worden, beter benut worden en we moeten met elkaar zorgen dat niemand meer op straat of in een daklozenopvang hoeft te wonen, omdat we gewoon voldoende huisvesting hebben.
Mevrouw Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA):
Dat was niet precies ... Ik ben blij met deze stellingname, maar is de oorzaak van het woningnoodprobleem voor u gekoppeld aan immigratie?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Er zijn mensen die vluchten uit oorlogsgebieden, uit landen waar het niet veilig is voor hen om te wonen, dan komen ze naar Nederland en gaan ze het proces in. Op een gegeven moment besluit iemand dat ze in Nederland mogen blijven wonen. Daar begint mijn opdracht en zo zie ik mijn opdracht ook. Ik moet ervoor zorgen dat mensen niet nodeloos in een hotel, in een cruiseschip, in een daklozenopvang of op straat leven. Mijn opdracht is om ervoor te zorgen dat er huizen zijn of dat we woonruimte beter benutten.
De voorzitter:
Laatste keer, mevrouw Janssen.
Mevrouw Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA):
Laatste poging. Maar ik vroeg of naar uw idee zij de oorzaak zijn van het feit dat wij te weinig huizen hebben. Ik kan het niet simpeler vragen, toch?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het is een hele ingewikkelde vraag, want dit gaat over mensen die gescheiden zijn en twee woningen nodig hebben. Dit gaat over jonge mensen die willen gaan studeren en een woning nodig hebben. Dit gaat over mensen die groot wonen en graag iets kleiner zouden willen gaan wonen. Er zijn zo veel meer redenen en oorzaken waarom we nu zijn waar we zijn. Wat mij betreft zorgen we gewoon voor daken boven de hoofden van mensen.
Mevrouw Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
De minister vervolgt haar betoog. Inmiddels zijn, dacht ik, al heel veel vragen beantwoord. Hoe lang hebt u nog, denkt u?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik heb nog vijf blaadjes liggen. Ik zal zorgen dat ik het kort houd.
De vraag van mevrouw Van Langen-Visbeek over STOER. Ik heb inderdaad gezegd dat ik daar natuurlijk mee doorga, want mijn insteek is: alles wat je voorganger verzonnen heeft en wat past bij het coalitieakkoord, daar ga je mee door. STOER is een prima initiatief en daar ga ik ook gewoon verder mee door. Dat koppelen we aan de vereenvoudigingsopgave die er ligt. Daar zal ik op terugkomen via de Taskforce Versnelling Woningbouw waar we in september weer een brief over hebben. Ik draag bij aan de aanpak van 500 regels die gekort moeten worden onder leiding van EZK. Ik ben samen met LVVN, IenW en OCW in gesprek om te kijken hoe we zo veel mogelijk kunnen bijdragen aan de vereenvoudiging. Wat mij wel opvalt, is dat er ook wel heel veel mensen zijn die mij om regels vragen. Dus aan de ene kant ben ik ze aan het opruimen en aan de andere kant krijg ik ook veel verzoeken om nu eens eindelijk op die sector of op die sector of daar extra regels toe te voegen. Ik probeer wel te voorkomen dat ik opruim en een nieuwe aanwas van regels opgelegd krijg, of verzocht krijg; dat is misschien een beter woord.
Dan de vraag van mevrouw Van Langen-Visbeek over arbeidsmigranten die gehuisvest worden door werkgevers. Ik denk graag creatief na om belemmeringen weg te nemen. Alles voor de 100.000 woningen en het beter benutten. Wat ik een mooi voorbeeld vond waar ik op bezoek ben geweest, was ASML in Eindhoven. Dat heeft in de Beethovendeal in de Metropoolregio Eindhoven middelen ingelegd om woningen in de regio te bouwen. Ik denk dat dat een voorbeeld is van wat we zouden moeten aanmoedigen, zodat dat vaker invulling krijgt.
De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Van Langen-Visbeek een interruptie wil plegen.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Ja, een korte vraag aan de minister. U bent in Eindhoven geweest bij ASML. Hartstikke mooi. Die gaan woningen bouwen. Doen ze dat voor de expats of gewoon voor jongeren in de regio? Dat is eigenlijk mijn vraag, aanvullend.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het antwoord op die vraag is: voor de mensen in de regio.
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Hartstikke mooi. Goed voorbeeld.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan de vraag van mevrouw Van Langen-Visbeek over industriële woningen, dat die niet alleen kwalitatief moeten voldoen, maar ook esthetisch moeten passen. Ik had datzelfde beeld, totdat ik bij fabrieken op bezoek ging om te kijken naar hoeveel uniciteit je eigenlijk in zo'n woning kunt krijgen als die uit de fabriek komt. Ik ben positief verrast door hoeveel mogelijkheden er zijn. Groningen gaf bijvoorbeeld aan: voor ons zijn de rode stenen heel belangrijk. De fabriek zei: wij kunnen in diezelfde Groningse rode kleur — u gaat vast straks opzoeken hoe die eruitziet — die huizen bouwen. Het leuke is dat ik vandaag van Platform31 een rapport overhandigd krijg over een onderzoek dat ze hebben gedaan naar of mensen industrieel gebouwde woningen net zo mooi vinden of plezierig vinden om in te wonen. Dat krijg ik vandaag. Ik heb al een sneakpreview gehad en dat ziet er best heel goed uit. Ik denk dus dat dat ook te maken heeft met, los van dat het moet passen binnen een gemeente … Het wordt niet alles wat we in Nederland doen. In mijn brief heb ik aangegeven dat ik graag 50% industriële bouw zie op gronden waar het Rijk ook zeggenschap over heeft. Daarnaast zijn bakstenenwoningen natuurlijk ook een mooie aanvulling daarop.
Dan heb ik nog de vraag van de heer Van Kesteren hoeveel nieuwe woningen met de miljarden worden gebouwd. Er is een samenhangend financieel instrumentarium ontwikkeld met verschillende regelingen, zowel voor nieuwbouw als voor bestaande bouw. Ik verwacht dat we met dat hele pakket dat de afgelopen jaren is opgebouwd binnen enkele jaren de doelstelling van 100.000 woningen per jaar kunnen gaan halen. Deze woningen zijn dan bedoeld voor alle mensen die in Nederland wonen.
Volgens mij ben ik er dan door, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, minister. Ik heb begrepen dat er behoefte is aan een korte tweede termijn. Dan wil ik graag het woord geven aan mevrouw Van Langen-Visbeek voor de BBB-fractie en de Fractie-Walenkamp. Aan u het woord.
Mevrouw Van Langen-Visbeek i (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Minister, bedankt voor uw toezegging dat u aan de slag gaat met het tegengaan van misbruik bij huurtoeslag bij particuliere verhuurders en dat onze Kamer hierover geïnformeerd wordt en dat we voor de zomer een brief krijgen over de stappen die u gaat zetten om het wonen op vakantieparken mogelijk te maken. In mijn betoog heb ik aangegeven dat het niet mij niet alleen gaat om het ombouwen van vakantieparken tot woonwijken, want daar komt inderdaad nogal wat bij kijken. Ik heb daar zelf als wethouder in mijn gemeente mee te maken gehad. Daar hebben we van drie recreatieparken zeg maar woonwijken gemaakt. En inderdaad, er moet soms een tweede ontsluiting komen, een regeling voor hoe het huisvuil wordt opgehaald en dat soort zaken. Maar goed, dat is doenbaar. De vraag was of er gedurende de woningnood, die nog wel even zal duren, een tijdelijke gedoogconstructie kan komen.
Dan zijn vragen op een aantal onderwerpen in de ogen van mijn fractie onvoldoende beantwoord. Ik wil de minister eigenlijk een steuntje in de rug geven met de aanpak van de woningnood. Vandaar dat ik twee moties wil indienen, voorzitter. De eerste motie betreft het herstellen van de investeringsruimte van corporaties via de afschaffing van de vennootschapsbelasting.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de woningcorporaties een berekend tekort hebben van 20 miljard euro om aan hun maatschappelijke taken voor nieuwbouw, verduurzaming en de Nationale Prestatieafspraken te voldoen;
overwegende dat de vennootschapsbelasting (vpb) jaarlijks circa 1,5 miljard euro aan broodnodige investeringscapaciteit uit de sector onttrekt, terwijl corporaties geen winstoogmerk hebben;
verzoekt de regering in overleg met het ministerie van Financiën te onderzoeken hoe de vpb-plicht voor woningcorporaties op korte termijn kan worden omgezet in een herbestedingsreserve, met als eis dat deze vrijgekomen middelen binnen een redelijke termijn geoormerkt besteed worden aan de versnelde bouw van (midden)huurwoningen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Langen-Visbeek, Jaspers, Walenkamp en Van Kesteren.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.
Zij krijgt letter E (36800-XXII).
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Dan heb ik nog een volgende motie, over concrete stappen voor een versnelling.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de woningnood de grootste crisis is die we op dit moment hebben, dat wonen een grondwettelijk recht is, dat woningbouw wordt belemmerd door regeldruk en dat de regering voor defensie en netcongestie wel concrete stappen heeft gezet voor versnelling;
verzoekt de regering om met spoed wet- en regelgeving aan te passen zodat de procedures voor vergunningaanvragen korter worden, bijvoorbeeld door een gedoogplicht voor onderzoekswerkzaamheden en/of het met spoed doorvoeren van aanbevelingen van de commissie STOER,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Langen-Visbeek, Jaspers en Walenkamp.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.
Zij krijgt letter F (36800-XXII).
Mevrouw Van Langen-Visbeek (BBB):
Daarmee kom ik aan het einde van mijn betoog. Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van Aelst-den Uijl voor een korte tweede termijn.
Mevrouw Van Aelst-den Uijl i (SP):
Dank, voorzitter. Het is een goede stap dat de minister erkent dat corporaties het moeilijk hebben en dat de huidige financiën ontoereikend zijn. Op de mogelijkheden van de afschaffing van de ATAD kom ik zo nog eventjes terug. De dekking is echter wel de basisvoorwaarde voor wat er nu wel of niet al kan. Wij zijn dan ook heel erg benieuwd wat de minister doet om de benodigde extra middelen in haar begroting te krijgen, veroveren, vragen. Of legt deze minister zich erbij neer dat de opgave onmogelijk zal zijn, omdat het geld er niet gaat komen? In alle eerlijkheid: gehoord wat de minister in haar eerste termijn zei over haar karakter, zou het mij verbazen als zij zich zou neerleggen bij de onmogelijkheid en het ontbreken van middelen. Maar ik ben wel heel benieuwd wat de minister dan gaat doen om die middelen wel te veroveren richting haar begroting.
Voorzitter. Dan over de ATAD. We hebben net nog even gekeken hoe het nou precies zit en of het kan. Aedes, de koepel van woningbouwcorporaties, zegt zelf dat er een stuk meer mogelijk is dan de minister tot nu toe beschrijft. Dat heeft Aedes eerder ook al gepubliceerd. Zij zeggen: er is een uitzondering mogelijk voor langlopende openbare infrastructuurprojecten en landen mogen zelf aangeven wat zij daaronder verstaan. Daarmee kunnen de DAEB-activiteiten van corporaties daaronder geschaard worden en die beschrijving zou breder kunnen worden uitgelegd dan alleen wegen, bruggen en tunnels. Fiscalisten denken ook zeker dat dat zou kunnen zonder dat er sprake zou zijn van staatssteun. Ik ben wel benieuwd naar de reactie van de minister hierop.
Dan mijn laatste puntje, en dat zal u niet verbazen: private equity. Hoeveel ruimte geven we deze roofkapitalisten nog, terwijl we het probleem voor ons uit onderzoeken? Hoeveel van de markt nemen deze roofkapitalisten in de tussentijd over? Hoeveel voldongen feiten faciliteren we terwijl we dit, wederom, voor ons uit onderzoeken? Want terwijl wij onderzoeken en er nog eventjes over nadenken, nemen die private-equitybedrijven in de tussentijd financiële ruimte van corporaties in, waarvan deze minister al zei dat die ruimte er niet is. Ook het ministerie heeft die financiële ruimte niet. Dus hoeveel ruimte geven we ze nog, door ze tijd te geven met nog meer onderzoek?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Aelst-den Uijl. Ik kijk naar de heer Van Kesteren. Heeft u nog behoefte aan een tweede termijn? Dat is het geval. Ik geef het woord aan de heer Van Kesteren.
De heer Van Kesteren i (PVV):
Voorzitter. Deze minister vindt dat beleid niet over rechts of links moet worden uitgevoerd. De werkelijkheid is echter weerbarstig. Daarom is het pleidooi van de PVV-fractie om regeringsbeleid en begroting niet eenzijdig, ideologisch en obsessief te benaderen, maar de oorzaken van het woningtekort op realistische en pragmatische wijze op te lossen. Daarbij zijn argumenten als "we staan voor gigantische opgaven om de instroom over het land te spreiden" of "er is geen dekking voor" voor onze fractie niet steekhoudend. Via deze minister moet er snel en veel worden gebouwd. Andere ministeries zullen daar hun steentje aan moeten bijdragen.
Voorzitter. De elementaire voorzieningen voor de samenleving bestaan uit een woning, een baan met een goed besteedbaar inkomen, waar je het liefst nog iets van overhoudt, en basisvoorzieningen die op peil zijn. Deze minister is verantwoordelijk voor de basisvoorziening wonen. Maar, met alle respect, het ministerie van Klimaat en Groene Groei en het ministerie van Asiel en Migratie werken aan beleid en begrotingen met tegenovergesteld resultaat van wat de samenleving van een regering verwacht. Ik hoop dat dit pleidooi een beetje landt bij deze minister. Ik heb vertrouwen in haar nuchtere opstelling; die heb ik uit dit debat wel meegekregen.
De voorzitter:
Goed. Dank u wel, meneer Van Kesteren. Er zijn twee moties ingediend. Die moeten nog gekopieerd worden, zodat de minister daarop kan reageren. Ik stel voor om tien minuten te schorsen, want dan moet dat wel geregeld zijn, en dan gaan we door.
De vergadering wordt van 10.41 uur tot 10.50 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn gekomen bij de tweede termijn van de kant van de minister. Aan u het woord, mevrouw de minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan i:
Dank u wel, voorzitter. Laat ik dan maar zeggen dat ik hier nuchter en strijdvaardig sta. Ik zie mijn portefeuille ook als een oproep om dingen voor elkaar te krijgen.
De eerste motie … Ik weet niet, voorzitter, of ik dat hele lange cijfer moet uitspreken of dat ik gewoon mag zeggen: de eerste motie van mevrouw Van Langen-Visbeek over de afschaffing van de vpb voor corporaties. Die geef ik oordeel Kamer. Ik werk op dit moment samen met Financiën een faciliteit uit in de vpb. Hierbij worden verschillende opties onderzocht. Ook de optie van een herbestedingsreserve ligt op tafel. Dus als het een onderzoeksmotie is, ga ik daar graag mee aan de slag.
Misschien mag ik nog wat toevoegen over de ATAD: ik heb begrepen dat de Europese Commissie voor de zomer met een voorstel komt. Dat ga ik natuurlijk ook met belangstelling lezen, want wellicht zit daar de ruimte in waar we vandaag over hebben gesproken.
De voorzitter:
Dan hebben we het over de motie 36800-XXII, letter E. Die krijgt oordeel Kamer.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan de tweede motie van mevrouw Van Langen-Visbeek, over concrete stappen zetten voor versnelling. Die geef ik ook oordeel Kamer. Met de Wet regie wordt versnelling bereikt. Er wordt ook actief ingezet op vereenvoudiging. Voor de zomer komt er een voortgangsbrief over STOER en komt er een uitwerking van onze vereenvoudigingsopgave. Versnellen is een van de opdrachten van de Taskforce Versnelling Woningbouw, dus de motie past helemaal bij datgene wat ik al dacht dat ik te doen heb. Dus heel fijn, dank u wel daarvoor. Dat is een aanmoediging.
De voorzitter:
Dan ga ik nog even het nummer noemen: 36800-XXII, letter F. Deze motie krijgt oordeel Kamer.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan heb ik nog een aantal vragen van mevrouw Van Aelst-den Uijl. Wat ga ik doen met de benodigde middelen voor de corporaties? Ik heb op 5 juni een brief gestuurd aan de Tweede Kamer over hoe de situatie eruitziet. Een afschrift daarvan kan ik ook aan uw Kamer sturen. Ik heb in de eerste termijn verteld hoe ik daarin sta en wat ik daarin zie. In augustus ga ik daarover in gesprek in het kabinet. In september kom ik dan terug met de uitkomsten daarvan.
Dan de vraag van mevrouw Van Langen-Visbeek over de vakantieparken, namelijk of er gedurende de woningnood een gedoogconstructie kan komen. Dit is opgenomen in het coalitieakkoord. Ik werk aan het dossier permanente bewoning in recreatiewoningen. Ik heb een brief toegezegd aan de Tweede Kamer voor de zomer, maar die kan natuurlijk ook naar de Eerste Kamer komen. Daar zal ik uw vraag in beantwoorden.
Dan de vraag over private equity en de kostbare investeringscapaciteit die ze innemen. Ik heb nog onvoldoende feiten. Ik begrijp dat het antwoord "ik ga het onderzoeken" kan klinken alsof ik de bal vooruitschop, om maar even in het jargon te blijven van wat momenteel het nieuws domineert, maar dat is niet wat ik probeer te zeggen. Als ik binnen het departement vraag of we hierover voldoende feiten hebben, dan komt terug: die hebben we gewoon nog niet. Dat wil niet zeggen dat we er niet in geïnteresseerd zijn, maar ook de autoriteit zegt dat we eerst onderzoek moeten doen om ervoor te zorgen dat we een compleet beeld hebben. Op basis van dat complete beeld kunnen we conclusies trekken. Op basis daarvan kunnen we al dan niet maatregelen inzetten. Dus ik begrijp uw haast. Ik heb die haast ook, maar haast zonder feiten kan er ook toe leiden dat ik de verkeerde kant op ren.
Mevrouw Van Aelst-den Uijl i (SP):
Dank voor de reactie. Ik zou dat heel goed kunnen begrijpen, als het zo zou zijn dat private equity in de tussentijd niet nog meer over zou kunnen nemen. Het is alleen lastig als private equity tussen nu en het verkrijgen van alle feiten alle ruimte van de wereld krijgt, want we hebben in allerlei andere sectoren gezien: dan is het er ineens. Dan kun je er niets meer aan doen. Wij zijn op zoek naar wat we in de tussentijd kunnen doen om te voorkomen dat de tijd die genomen wordt voor de feiten — ik denk dat dat logisch is, zodat de minister er ook iets mee kan doen — niet wordt genomen door private equity om ons voor een voldongen feit te stellen, zodat de feiten die verzameld zijn, niet eens meer nuttig zijn.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik begrijp deze oproep heel erg goed, met name omdat het gaat over dat terwijl ik het aan het onderzoeken ben misschien precies wel datgene gebeurt wat je niet wil dat er gebeurt. Tegelijkertijd is ergens op handhaven zonder dat je er een goed dossier onder hebt liggen natuurlijk ook niet de meest normale gang van zaken. Maar ik hoor uw oproep. Dus ik voel de aanmoediging om in ieder geval haast te maken en dat ik het in feite niet honderd procent onderbouwd hoef te hebben, maar dat ik wel een eerste beeld moet hebben van wat er aan de hand is. Dus ik kan u toezeggen dat ik het zal volgen, dat ik er goed naar zal kijken, maar verder dan dat kan ik op dit moment niet gaan.
Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):
Wellicht helpt het dan om het niet "handhaven" maar "pauzeren" te noemen, zoals het ook bij heel veel andere processen gebruikelijk is om te zeggen: er mogen even geen stappen worden ondernomen, want we zoeken het nog even uit. Dan pauzeer je de ontwikkelingen even totdat je weet of je wilt handhaven of niet. Op allerlei andere plekken vinden we dat heel redelijk, bij allerlei andere dossiers.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ken deze optie natuurlijk, dat je zaken kan pauzeren. Tegelijkertijd moet ik er echt wel een iets beter gevoel voor hebben, maar ik neem uw woorden zeker ter harte.
Dan ben ik erdoor, voorzitter.
De voorzitter:
U bent erdoor. Nou, dan wil ik u van harte bedanken. Ik kijk nog even of er iemand is die nog een opmerking wil maken. Dat is niet het geval.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel? Dat is het geval. Dan stel ik voor dat we volgende week over het wetsvoorstel en de twee ingediende moties gaan stemmen.
Ik dank de minister voor haar aanwezigheid en schors de vergadering voor enkele ogenblikken, waarna we verdergaan met het debat over de begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026.
De vergadering wordt van 10.56 uur tot 11.15 uur geschorst.
Aan de orde is de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII) voor het jaar 2026 (36800-XVII).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel 36800-XVII, Vaststelling van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp voor het jaar 2026. Ik heet minister Sjoerdsma van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van harte welkom in de Eerste Kamer.
De beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
We zijn gekomen aan de eerste termijn van de kant van de Kamer. Daar heeft een groot aantal leden zich voor ingeschreven. De eerste die ik het woord wil geven is mevrouw Karimi van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Karimi i (GL-PvdA):
Voorzitter. Deze begroting heeft een bijzondere betekenis. Zij raakt direct aan de vraag hoe Nederland zich positioneert in de internationale gemeenschap. Zij is een uitwerking van artikel 90 van onze Grondwet. Voor ons, voortbouwend op de tradities van de sociaaldemocratie en de groene beweging, is dit de meest concrete vertaling van internationale solidariteit: het besef dat vrede, welvaart en duurzaamheid in Nederland onlosmakelijk verbonden zijn met vrede, welzijn en economische ontwikkeling elders in de wereld. De wereldgemeenschap heeft zich al decennia geleden in de Verenigde Naties gecommitteerd aan de norm om 0,7% van het bruto nationaal inkomen te besteden aan ontwikkelingssamenwerking. Later hebben ook de OESO-landen dit gedaan. Nederland behoorde tot de eerste landen die deze norm haalden en kende zelfs een periode waarin 1% werd besteed. Wij zullen internationale solidariteit altijd hoog in het vaandel dragen.
Voorzitter. Na een valse start en een op onderdelen nogal opportunistisch proces mag minister Sjoerdsma, die ik hier voor zijn eerste debat met deze Kamer welkom heet, vandaag zijn begroting voor 2026 verdedigen. Oorspronkelijk was dit een begroting van het kabinet Schoof en van een PVV-minister die nooit een geheim heeft gemaakt van haar afkeer van ontwikkelingssamenwerking. Die begroting is vervolgens vrijwel ongewijzigd overgenomen door het huidige kabinet. In het coalitieakkoord is gekozen voor een voorzichtige formulering. Men zet een stap richting de internationale OESO-norm, maar een afspraak om terug te keren naar de 0,7%-norm ontbreekt. Uit de antwoorden van het kabinet op onze vragen blijkt bovendien expliciet dat de 0,7%-norm geen onderdeel vormt van de huidige begrotingssystematiek. Het kabinet heeft slechts een structurele intensivering van 257 miljoen per jaar vanaf 2027 afgesproken. Dit is trouwens geen onderdeel van de BHO-begroting van dit jaar. Daardoor stijgt de ODA-prestatie volgens het kabinet zelf slechts van 0,44% naar circa 0,47% van het bni in 2030. Dat is een zeer beperkte en wat ons betreft ontoereikende stap.
Na de behandeling in de Tweede Kamer werd al snel duidelijk dat deze begroting in deze Kamer geen meerderheid zou krijgen. Over onze positie hebben we dan ook vanaf het begin volledig duidelijkheid gegeven. Wij waren niet bereid deze begroting hier aan een meerderheid te helpen. Een andere meerderheid, zonder onze fractie, was hier niet mogelijk. De minister is dus in beweging gekomen. Er moest een uitweg gevonden worden. Die uitweg is gevonden en door middel van een nota van wijziging op de eerste suppletoire begroting 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden. Ik wil daarom aan het begin van dit debat helder zijn. Indien de Tweede Kamer deze week instemt met de suppletoire begroting inclusief de nota van wijziging zal mijn fractie volgende week vóór deze begroting stemmen.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Nu collega Karimi al duidelijkheid geeft over het vermoedelijke stemgedrag van de fractie van GroenLinks-PvdA volgende week, toch de volgende vraag. Mevrouw Karimi begon haar betoog met de constatering dat dit kabinet eigenlijk verre van een betekenisvolle stap, zoals ze het zelf noemt, richting de OESO-norm van 0,7% maakt, want het gaat omhoog van 0,44% naar 0,47%. Ik denk dat wij het erover eens kunnen zijn dat dat "ontoereikend" is, zoals mevrouw Karimi zei. Ik zou zeggen "volstrekt ontoereikend". Mevrouw Karimi verwijst naar de wijziging van de suppletoire begroting, als die aangenomen wordt door de Kamer. Mijn vraag is wat er verandert aan het herstel van die koppeling op basis van de OESO-norm.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Als collega Van Apeldoorn mij toestaat, wil ik een toelichting geven op waarom. Ik wil deze vraag inderdaad uitvoerig beantwoorden, want het is een terechte vraag. Als u mij toestaat ...
De voorzitter:
Goed. Dan stel ik voor dat u doorgaat met uw betoog. Dan horen we het antwoord.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dus waarom? Omdat de uitkomsten van de debatten in de Tweede Kamer en de gemaakte afspraken met ons op een aantal cruciale punten tegemoetkomen aan onze bezwaren. Ten eerste wordt voor 2026 de berekeningssystematiek gebaseerd op de 0,7%-ambitie hersteld. Daardoor komt circa 329 miljoen extra beschikbaar. Dat is echt geld voor echte mensen. Daarmee wordt die extra korting, die ontstond doordat de begroting niet langer meebewoog met de 0,7%-systematiek, gecorrigeerd en de koppeling wordt voor dit jaar hersteld.
Ten tweede komt er met dit extra geld meer ruimte beschikbaar voor humanitaire hulp en mondiale gezondheidszorg. In een wereld waarin de noden in Gaza, Sudan, de Democratische Republiek Congo en Libanon ongekend groot zijn, maakt dat echt verschil. De afbouw van internationale hulp door andere landen, de kortingen op USAID en de druk op de Wereldgezondheidsorganisatie laten zien hoe kwetsbaar miljoenen mensen zijn wanneer internationale solidariteit wordt afgebroken. Ook niet-militaire hulp aan Oekraïne kan natuurlijk op onze steun rekenen.
De VVD was er als de kippen bij om te suggereren dat dit geld zou gaan naar — mind you — nog niet bestaande terugkeerhubs, dat er geen extra geld naar Gaza zou gaan en dat de middelen volledig uit de bestaande BHO-begroting zouden worden gehaald. Met deze drie aantoonbaar onjuiste suggesties nam de VVD, zoals wel vaker, een loopje met de feiten. De minister heeft in de Tweede Kamer al duidelijk gemaakt dat daarvan geen sprake is. Kan hij hier nogmaals toelichten waaraan deze extra middelen precies zullen worden besteed?
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
Voordat er nu een beetje kritische geluiden richting de VVD worden geuit, wil ik toch even teruggaan naar wat hier voorligt en wat dan zogenaamd de oplossing zou zijn. Wij hebben ook vrij intensief gesproken met diverse hulporganisaties. Die zeiden dat in de vorige periode heel veel is afgebroken, maar dat ze de facto voor de toekomst niets hebben aan deze lapmiddelen. Hoe is dan de reactie van GroenLinks-Partij van de Arbeid op dat punt?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik weet niet met welke hulporganisaties mevrouw Van Toorenburg heeft gesproken, maar wij hebben brieven ontvangen van veel hulporganisaties die ons het advies hebben gegeven om deze begroting alsjeblieft te steunen. Maar afgezien daarvan, wat gebeurt hier? Wij hebben een begroting van 3,5 miljard — als ik het uit mijn hoofd moet zeggen — en dat wordt nu 3,9 miljard. Dat is een concrete verandering. Dat is 400 miljoen extra geld dat erbij komt. Daar zeg ik bij dat dit hetzelfde bedrag is als wanneer wij de 0,7%-systematiek zouden handhaven. Daardoor is voor dit jaar de koppeling hersteld. Dat is wat er gebeurd is en dat was een politiek punt. Is dat nog steeds 0,7%? Nee, dat is het niet, want dan zouden we meer dan 2 miljard extra geld moeten hebben. Als mevrouw Van Toorenburg zegt dat dat een lapmiddel is, vindt zij mij aan haar zijde als zij de suggestie zou doen om 1 miljard aan de begroting toe te voegen. Ik zou dat alleen maar toejuichen en zeggen: hoera!
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Met alle respect, maar dat is te makkelijk. Ik heb begrepen dat er vanuit de Partij van de Arbeid-GroenLinks is geprobeerd om een beetje een hoezee-situatie te creëren, alsof hiermee iets is opgelost. Organisaties hebben ons ook geschreven en gevraagd om deze begroting te accepteren, omdat ze anders met hun rug tegen de muur staan en ze nog minder hebben. Maar we hebben natuurlijk doorgevraagd. We hebben vele organisaties gesproken en gevraagd wat op de lange termijn de oplossing hiervoor is. Die is er niet. Daarom ben ik wat kritisch op wat Partij van de Arbeid-GroenLinks nu doet. Het beeld wordt gecreëerd, met een beetje kattenkoppen naar de VVD, alsof het is opgelost, maar uiteindelijk is er te weinig opgelost. We zien de situatie waarin geld naar voren is getrokken, maar de koppeling niet is hersteld, en waarin niet duidelijk is geworden hoe dat stappenplan uiteindelijk kan worden uitgevoerd.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik ben hartstikke blij met deze interruptie van mevrouw Van Toorenburg. In mijn betoog zal ik ook duidelijk maken dat de minister, als hij met hetzelfde verhaal hier zou komen voor de begroting voor 2027, met lege handen zou staan. Laten we samen met het CDA, dat hier heel kritisch is maar dat ik in de Tweede Kamer niet heb gehoord, hiernaar kijken. U zit ook nog een keer in de coalitie. Ik zou zeggen: help de minister, want er moet extra geld bij komen. De minister kan het niet oplossen. Het kabinet moet het oplossen. Extra geld komt niet van deze minister.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ik heb net collega Karimi gevraagd om uit te leggen waarom men van plan is volgende week voor deze begroting te stemmen, althans als de suppletoire begroting erdoor komt. Maar mevrouw Karimi heeft mijn vraag niet beantwoord. Mijn vraag was: klopt het dat de koppeling helemaal niet hersteld wordt op basis van de OESO-norm van 0,7%, ook niet voor dit jaar? Mevrouw Karimi heeft het over de systematiek, maar we gaan niet 0,7% van het BNI uitgeven aan ontwikkelingssamenwerking, ook dit jaar niet. De jaren daarna gaat het naar beneden. Uiteindelijk gaat het naar 0,47%. Het blijft er dus ver onder en dat zijn miljarden. Het vorige kabinet heeft structureel 2,4 miljard bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking. Dit kabinet laat die bezuiniging voor 90% staan. Het enige wat er in deze begroting gebeurt, is dat er geld naar voren, uit de toekomst, wordt gehaald. Is het daarmee toch niet een sigaar-uit-eigen-doos-deal, waar PRO in de Tweede Kamer en GroenLinks-PvdA in deze Kamer voor getekend heeft?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik was inderdaad net begonnen om dit toe te lichten, maar toen was er een andere interruptie. Maar dat geeft niks, ik geef graag antwoord op uw vraag. Wat is hier gebeurd? Er is een begroting en die komt van het vorige kabinet. Er was een verschrikkelijke kaalslag; er is meer dan 2 miljard bezuinigd. Ik zou heel graag willen dat die 2 miljard er gewoon weer bij komt. U vindt mij helemaal aan uw zijde. Absoluut, dat is geen probleem. We hebben dus de situatie dat die 2 miljard er niet is. Daarbovenop is er in 2026 ten opzichte van 2026 nog een extra bezuiniging gekomen, waarbij men de berekening van de koppeling heeft losgelaten. In deze Kamer hebben wij een motie aangenomen om dat niet te doen. Die motie is niet uitgevoerd. Dat staat zwart-op-wit in de antwoorden op onze vragen. We kunnen ertegen stemmen, dat klopt. Misschien voelen we ons dan ook helemaal goed, want we hebben tegengestemd. Dan gebeurt het misschien voor het eerst in 100 jaar in de parlementaire geschiedenis dat een begroting hier wordt weggestemd. Wat gebeurt er dan? Wat gebeurt er dan? Hebben we een kabinetscrisis veroorzaakt of moet de minister opstappen? Maar wat gebeurt er dan met humanitaire hulp? Wat gebeurt er dan met de mensen in Sudan, Gaza, Congo en op andere plekken? Dus wij hebben die verantwoordelijkheid genomen. Wij zijn in gesprek gegaan en hebben gezegd: "Voor ons op dit moment, voor dit jaar, is er één belangrijk punt en dat is die koppeling voor dit jaar herstellen. Maar minister, wij geven meteen ook een waarschuwing mee. Als u over een paar maanden met de nieuwe begroting voor volgend jaar komt en de koppeling niet is hersteld, dan heeft u gewoon weer hetzelfde probleem." Dus helemaal mee eens. Er moet gewoon een stevige bijdrage geleverd worden om die bezuinigingen weer te corrigeren en de koppeling moet hersteld worden. Dat staat in mijn betoog. Maar goed, ik snap het ongeduld van de collega.
De voorzitter:
Meneer Van Apeldoorn, een korte reactie. En een verzoek ook om de antwoorden wat korter te laten zijn.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Voorzitter, dank. Volgens mij is het nog maar mijn tweede interruptie. Het klopt dat dit een begroting is van het vorige kabinet, met die enorme kaalslag. Het is een PVV-begroting. Maar aan die kaalslag wordt niets gedaan. Die blijft gewoon staan voor de komende jaren. Dan toch ook in dit verband mijn vraag: het klopt toch dat er alleen geld uit de toekomst naar voren wordt gehaald en dat betekent toch dat er per saldo, gerekend over de komende jaren, niets bij komt? Mevrouw Karimi heeft al gewezen naar de positie van de VVD, maar de VVD en ook minister Heinen hebben heel duidelijk gemaakt: "Het zal uit de begroting van BHOS moeten komen. Het geld gaat niet ergens anders vandaan komen." Dat betekent dus dat als er aangevuld moet worden, bijvoorbeeld als het gaat om extra geld voor Oekraïne, dat uiteindelijk uit de BHOS-begroting moet komen. Dan is het dus per saldo niet alleen zo dat het geld slechts incidenteel is, maar dat het er zelfs in latere jaren vanaf moet gaan en er dus niks bij komt.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Twee dingen. Eén. Die kaalslag, daar doet dit minderheidskabinet echt een heel klein beetje iets aan en dat is die 275 miljoen per jaar die er per 2027 bij komt. Dat staat nu niet op de begroting van deze minister. Dat is erbuiten, voorlopig geparkeerd op het ministerie van Financiën. Dat moet erbij komen, maar ik ben het helemaal met de heer Van Apeldoorn eens dat het inderdaad te weinig is. Er moet meer gebeuren en daarom, nogmaals, is de begroting voor 2027 heel belangrijk. Het tweede punt is dat van de kasschuif, het naar voren halen. Natuurlijk had ik ook graag extra geld gewild, maar wat er hier gebeurt is dat er 202 miljoen naar voren gehaald uit 2031. Uit 2031. Wie weet wat er dan gebeurt, welke coalitie er zit en noem maar op. Daar heb ik dus geen problemen mee. Dat is ook bij deze begroting vaker gebeurd. Ik bedoel, ik loop al heel lang mee, dus ik weet dat deze systematiek weleens toegepast is.
Dan het Oekraïnegeld. Dat geld was ook gereserveerd op de begroting van het ministerie van Financiën. Daar is afgesproken dat er geld naar voren wordt gehaald uit 2028/2029 voor dit jaar. Ik denk dat die noden in Oekraïne echt groot zijn. Daar kan dan nu geld aan besteed worden, maar ik zou ook weer het debat met de minister willen voeren over dat dat dan niet ODA hoeft te zijn. Ik denk of hoop dat we dan ook op uw steun kunnen rekenen.
De voorzitter:
De heer Van Apeldoorn, laatste keer.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ik constateer toch dat mevrouw Karimi mij geen ongelijk kan geven dat er per saldo geen geld bij komt. Mevrouw Karimi zegt dan: dat gaan we dan later regelen. Er is geen enkele garantie dat dat geregeld gaat worden, ook niet in 2030 of 2031. Dan zal een nieuw kabinet toch ook te maken hebben met wat er dan staat en het tijdpad dat er dan ligt. Ik denk dat dat wel degelijk problematisch is. Het legt een hypotheek op de toekomst. Mevrouw Karimi verwees ook naar een motie die in de Eerste Kamer is aangenomen, met een meerderheid, voor het herstel van de koppeling op basis van de OESO-norm van 0,7%. Die wordt niet uitgevoerd. Dat stelt het kabinet ook heel erg helder. Diezelfde meerderheid hier in de Eerste Kamer had toch eigenlijk een betere begroting kunnen afdwingen dan wat nu voorligt met de deal met PRO? Ik vraag me dus eigenlijk af waarom u niet wat harder heeft onderhandeld.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ja, het is inderdaad waar dat het uiteindelijk een oplossing is waarin wij niet honderd procent onze zin hebben gekregen. Daar zal ik eerlijk over zijn. Ik had ook heel graag extra geld gewild. Dat is er niet bij gekomen, maar met deze oplossing voor deze ene keer kunnen wij leven vanwege die hoge noden in de wereld. Als we om ons heen kijken en we zien wat er in de wereld gebeurt, vinden wij dat dit niet het moment is waarop we ontwikkelingssamenwerking, ontwikkelingshulp, noodhulp in chaos moeten storten. Nee, we moeten gewoon een oplossing vinden zodat die mensen geholpen kunnen worden.
De heer Hartog i (Volt):
Mevrouw Karimi zei zojuist: dit is echt geld. Mijn vraag is dan of zij dat extra geld ook ziet als een beleidswijziging, een beleidsintensivering voor 2026.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dan is de vraag waar het geld dan aan wordt besteed. Niet? Sorry, dan heb ik het niet goed begrepen.
De heer Hartog (Volt):
Nee, de vraag is of het een beleidswijziging is voor 2026.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Nee, het is dus geen heel expliciete drastische beleidswijziging als je kijkt naar waar geld aan uitgegeven wordt behalve aan één heel belangrijk punt, dat voor mijn fractie buitengewoon belangrijk was, en dat is natuurlijk herstel van de betalingen aan UNRWA. Dat is ook voor ons een belangrijke reden geweest om deze begroting te steunen.
De heer Hartog (Volt):
Is het dan juist dat het inderdaad geen wijziging is ten opzichte van het beleid van het kabinet-Schoof?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
O ja, dat. Ja, dat is een heel goede vraag en die vraag heb ik ook aan deze minister. Dus als u het mij toestaat, wil ik die vraag graag aan de minister stellen. Ik ben niet de minister. Dat zou ik graag gewild hebben, maar ik ben het niet.
De heer Schalk i (SGP):
Ik heb even een vraag over het vorige antwoord van mevrouw Karimi. Volgens mij gaf zij aan dat een extra reden was om nu te steunen dat er geld voor UNRWA zal gaan komen.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ja, zeker. Dat licht ik zo meteen ook toe in mijn betoog.
De voorzitter:
U gaat daar nog op in?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik was bezig met waarom. Nou ja, goed.
De heer Schalk (SGP):
Goed, dan kom ik bij mijn echte vraag. Ik zal dat niet in drieën doen, voorzitter. Ik constateer op grond van de antwoorden van mevrouw Karimi — dat is dus ook echt nieuw voor mij — dat GroenLinks-Partij van de Arbeid in ieder geval dit kabinet in het zadel wil houden. Dat is een. Twee. Woorden doen ertoe. Mevrouw Karimi zegt keer op keer dat de koppeling hersteld wordt. Is zij het met mij eens dat eigenlijk alleen het budget maar is aangelengd?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Uw constatering over het in het zadel helpen of in het zadel houden laat ik voor uw rekening. Dan het punt van de koppeling. Het gaat erom dat wij altijd gezegd hebben: ons streven is om 0,7% uit te geven aan ontwikkelingssamenwerking of ODA-besteding. Dat is niet altijd ontwikkelingssamenwerking. Dus ODA-besteding, 0,7%. Die 0,7% halen we op dit moment niet. De systematiek was altijd dat men ging kijken wat het bedrag zou zijn als we 0,7% zouden besteden en daar haalde men dan de bezuiniging af. Dat was de systematiek, waardoor de begroting eigenlijk toch weer met die 0,7% bewoog en groeide. Dat heeft het vorige kabinet losgelaten en dit kabinet heeft dat voortgezet. Dat is voor ons een groot probleem, omdat daardoor het bedrag eigenlijk constant min of meer hetzelfde blijft. Daarom zeggen wij dat de eerste stap het herstel van de systematiek is. Dat is wat er gebeurd is. De tweede stap is om richting daadwerkelijk een bedrag van 0,7% te bewegen, wat op dit moment meer dan 2 miljard extra geld zou betekenen.
De heer Schalk (SGP):
Nog even terugkomend op die eerste opmerking, over het in het zadel houden van het kabinet: dat heb ik niet gezegd. Dat heeft mevrouw Karimi genoemd, want ze zei: ja, anders zou misschien het kabinet vallen. Nou, het leek alsof ze dat in ieder geval dramatisch zou vinden. Dus dat was even mijn constatering, maar terug naar de koppeling. Is mevrouw Karimi het dan in ieder geval met mijn fractie eens dat we, als de koppeling echt hersteld zou zijn, op 0,7% zouden moeten zitten, niet voor nu alleen, maar ook voor de toekomst? Dus dat betekent niet dat geld aanlengen, maar dat de koppeling echt 0,7% zou moeten zijn.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Daar ben ik het hartgrondig mee eens, maar ik zie waar we staan nu. Ik zie wat de situatie nu is. Ik zie dat er dan 2 miljard extra bij had moeten komen dit jaar. Ik ben er heel vaak van beticht dat ik de idealistisch zou zijn en te radicaal zou zijn, maar dat ik realistisch zou zijn had ik nog niet gehoord. Maar goed, laat ik maar zeggen dat ik een beetje een realistische kijk op de zaken heb nu, op dit moment.
De voorzitter:
Ik stel voor dat mevrouw Karimi weer wat meters maakt en dat zij doorgaat met haar betoog.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Oké. Bovendien heb ik in relatie tot de hele begroting de vraag of OS-gelden zullen worden gebruikt voor de uitvoering van de Terugkeerverordening en, zo ja, hoe en op welke wijze mensenrechten zullen worden gewaarborgd bij eventuele betrokkenheid bij migratieafspraken met landen van herkomst of derde landen.
Ten derde blijft mede dankzij het amendement-Kröger in de Tweede Kamer financiering van advocacy en lobby door maatschappelijke organisaties mogelijk. Dat is voor ons ook van groot belang.
Ten vierde wordt de financiering van UNRWA hersteld. Voor mijn fractie was het herstel van de bijdrage aan UNRWA een belangrijke voorwaarde. Ondanks de pogingen van Israël om de organisatie te verzwakken en haar werkzaamheden te beperken, blijft UNRWA volgens de Verenigde Naties en vrijwel alle grote humanitaire organisaties de ruggengraat van de hulpverlening van Palestijnen. De realiteit is dat geen enkele andere organisatie beschikt over dezelfde infrastructuur, lokale netwerken en uitvoeringscapaciteit om op grote schaal voedselhulp, gezondheidszorg, onderwijs en noodhulp te bieden. De vraag is daarom niet of UNRWA perfect is. De vraag is wie vandaag die taken overneemt als UNRWA verder wordt verzwakt. Op die vraag is nog steeds geen geloofwaardig antwoord gegeven. De humanitaire gevolgen van het wegvallen van deze hulp worden niet gedragen door overheden of internationale organisaties, maar door Palestijnse burgers: mannen, vrouwen en in het bijzonder kinderen. In Gaza betalen mensen daarvoor met honger en ziekte en uiteindelijk met hun leven. Daarom vinden wij het herstel van de Nederlandse bijdrage niet alleen verantwoord, maar noodzakelijk.
Voorzitter, tot zover het goede nieuws.
De voorzitter:
Mevrouw Karimi, ik denk dat nu een interruptie van de heer Schalk op zijn plaats is.
De heer Schalk (SGP):
Gewoon misschien een feitelijke vraag. Is mevrouw Karimi het met mijn fractie eens dat in 2023 UNRWA of in ieder geval een aantal mensen van die organisatie meegedaan hebben aan de verschrikkelijke gebeurtenissen van 7 oktober?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Of het antwoord nu ja of nee is, ik weet niet wat de relevantie daarvan is voor wat ik net gezegd heb.
De heer Schalk (SGP):
Mevrouw Karimi durft blijkbaar geen ja of nee te zeggen. Het is een vrij eenvoudige vraag en die heeft te maken dit debat, want ze geeft zelf aan dat dat er wel geld naar UNRWA zou moeten een van de redenen is waarom GroenLinks-Partij van de Arbeid voor deze aanpassing van het budget is, terwijl iedereen weet dat het onderzoek naar UNRWA nog steeds loopt. De hele wereld weet wat ze daar hebben gedaan.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Wat hebben ze dan gedaan?
De heer Schalk (SGP):
En ondertussen wordt dat als een extra onderdeel … Laat ik mijn verbazing omzetten in deze vraag: denkt mevrouw Karimi dat ze de minister met deze opmerking helpt?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Wij weten dat de minister al van plan is om dat te doen. Hij heeft al gezegd dat ze dat willen doen en dat staat ook in het coalitieakkoord. Dat gaat in de Najaarsnota hiernaartoe komen. Er lag ook al een amendement en u weet wat de voorgeschiedenis van dit hele verhaal is, dus ik ga dat hier niet herhalen. Ook al zou het zo zijn dat een aantal van de medewerkers van UNRWA betrokken geweest zouden zijn bij de verschrikkelijke terroristische aanslag op 7 oktober, dan nog diskwalificeert dat niet de hele organisatie, die al tientallen jaren humanitaire hulp geeft en daar een hele infrastructuur voor onderwijs en gezondheidszorg heeft. Wat dat betreft denk ik: ik hoor mijn collega het hier heel vaak over barmhartigheid hebben, maar het verbaast mij ieder keer weer dat die barmhartigheid zoek is zodra het over Palestijnen gaat.
De voorzitter:
Meneer Schalk, u werd aangesproken. Gaat uw gang.
De heer Schalk (SGP):
Voorzitter. Ik meen niet dat ik het woord "Palestijnen" heb gebruikt. Ik heb het gehad over een organisatie en ik heb het erover gehad dat mevrouw Karimi in haar betoog deze organisatie, waarvan medewerkers meegedaan hebben aan die verschrikkelijke gebeurtenis op 7 oktober 2023, op dit moment een soort van gladstrijkt en gebruikt om een begroting te gaan steunen. Een begroting steunen mag, maar als je dit als extra onderdeel wilt, denk ik dat daarmee de positie van GroenLinks-Partij van de Arbeid op dat gebied heel duidelijk wordt, maar ik denk ook dat je de minister daar niet extra mee helpt.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De minister heeft mijn hulp niet nodig, want dit is een van de eerste redenen geweest ...
(Hilariteit)
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Hij heeft mijn hulp wel nodig, maar die heeft hij al gehad. Wij zijn hierover glashelder geweest. Dat is onze positie en daar is geen woord Spaans bij. We zijn er altijd voor geweest dat de financiering van UNRWA doorgaat. Helaas is de Nederlandse bijdrage gekort vanwege een meerderheid aan de overkant die tegen was, maar gelukkig zijn de meerderheden nu weer anders.
De voorzitter:
Ik verzoek u uw betoog te vervolgen.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Tot zover het goede nieuws, want deze nota van wijziging lost het structurele probleem niet op, zeg ik tegen de collega's. Dat blijkt ook uit de meerjarige cijfers. De begroting stijgt dankzij deze afspraken in 2026 van 3,6 miljard naar 3,9 miljard, maar daarmee zijn de gevolgen van enorme bezuinigingen van het kabinet-Schoof nog lang niet hersteld. Het budget zakt in 2027 naar 3,3 miljard en komt daarna uit op 3,5 miljard in 2028, op 3,9 miljard in 2029 en opnieuw ongeveer 3,7 miljard in 2030. Extra geld voor dit jaar middels een kasschuif is niet ideaal, maar het is voor ons op dit moment acceptabel.
Met extra geld kan Nederland bijdragen aan oplossingen voor urgente noden en daar zijn wij blij mee. Maar het is een geen structurele oplossing. Daarom beschouwen wij deze afspraken niet als eindpunt, maar als een kantelpunt: stoppen met doorgaan op de weg van de kaalslag en weer meer investeren in duurzame ontwikkeling en humanitaire hulp. Een eerste correctie op een verkeerde koers. De politieke betekenis van de nota van wijziging is niet dat Nederland terug is op 0,7%. Dat zijn wij niet. De politieke betekenis is dat wordt voorkomen dat de ambitie van 0,7% definitief wordt losgelaten. Voor 2026 is de koppeling in de berekeningssystematiek hersteld. Nu moet die koppeling voor 2027 ook structureel worden hersteld.
Voorzitter. Juist nu is het van belang dat Nederland weer een voortrekkersrol gaat spelen. Wij leven in een wereld waarin de noden van mensen in lage- en middeninkomenslanden toenemen. De inmiddels ruim vier jaar durende agressieve oorlog van Rusland tegen Oekraïne, de genocide op Palestijnen in Gaza en de etnische zuiveringen op de Westelijke Jordaanoever, de oorlog van de VS en Israël tegen Iran en Libanon, en de bloedige oorlog in Sudan hebben enorme gevolgen voor de veiligheid, de economie en de humanitaire situatie in de wereld. De ebola-uitbraak in de Democratische Republiek Congo grijpt verder om zich heen en kost dagelijks mensenlevens. Autoritaire regimes onderdrukken hun bevolking, de democratische ruimte krimpt in hoog tempo in alle hoeken van de wereld, mensenrechtenverdedigers staan onder druk, vrouwenrechten en de rechten van lhbtiq+-gemeenschappen worden op steeds meer plaatsen aangevallen, journalisten zijn doelwit van geweld en onderdrukking, en de Sustainable Development Goals zijn ver buiten bereik geraakt.
Hoe doet Nederland het eigenlijk wat betreft het halen van de SDG's? Tegelijkertijd zien we wereldwijd een forse afname van de middelen voor Ontwikkelingssamenwerking. De gevolgen van de ontmanteling van USAID, nota bene door de eerste biljonair van de wereld, en de druk op multilaterale instellingen zoals de VN-organisaties en de WHO, laten iedere dag zien wat er gebeurt wanneer internationale solidariteit wordt afgebouwd. Juist daarom moet Nederland weer aansluiting zoeken bij de traditie waarin ons land internationaal een voorloper was. Dat betekent ook dat de forse bezuinigingen die onder het kabinet-Schoof zijn ingezet, uiteindelijk moeten worden teruggedraaid. Welke ambitie heeft deze minister? Deelt hij onze analyse en hoe wil hij weer een voorloper worden?
De structurele intensivering van 257 miljoen uit het coalitieakkoord is een kleine eerste stap, maar tegenover een bezuiniging van ruim 2 miljard wordt daarmee slechts een beperkt deel hersteld. De afstand tot de 0,7%-norm blijft miljarden euro's bedragen. Daarom wil ik hier ook helder zijn. De begroting van 2027, die over een paar maanden voorligt, moet echt extra geld krijgen. Dat is een boodschap aan het hele kabinet, en in het bijzonder aan de minister van Financiën. De cijfers die nu in de begroting staan voor de komende jaren, zijn voor onze fractie verre van acceptabel. De koppeling met de 0,7%-berekeningssystematiek moet structureel worden hersteld en er moeten aantoonbaar serieuze stappen worden gezet richting het feitelijke bedrag dat hoort bij de 0,7%-norm. Graag een reactie van de minister. De noodzaak is er. Substantieel meer middelen zijn nodig. Multilaterale organisaties, maatschappelijke organisaties, gezondheidsprogramma's en onderwijsinitiatieven beschikken over de capaciteit om deze middelen effectief in te zetten.
Voorzitter, ik sluit af. Zoals gezegd zullen wij, als de Tweede Kamer deze week instemt met de suppletoire begroting en de nota van wijziging, voor deze begroting stemmen, niet omdat wij tevreden zijn met waar wij staan, maar omdat wij erin zijn geslaagd een kentering te bewerkstelligen en een eind te maken aan de voortdurende kaalslag op de BHOS-begroting.
De voorzitter:
Dank u wel. Een interruptie van mevrouw Visseren-Hamakers, van diezelfde fractie.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dat klopt, voorzitter. Dank. Ik dacht: ik wacht het hele betoog van collega Karimi af, zodat ik zeker weet dat ik een vraag stel die nog additionele informatie zou opleveren. En dat is het geval. Ik neem aan dat de Eerste Kamerfractie van GroenLinks-PvdA betrokken is geweest bij de onderhandelingen over deze begroting. Daarom wil ik mevrouw Karimi vragen om te reflecteren op het feit dat de VVD een ander debat aan deze onderhandelingen heeft gekoppeld, door het voorstel om het verheerlijken van terrorisme strafbaar te stellen, te koppelen aan dit dossier. Dit alles overziend, kan mevrouw Karimi dan nog reflecteren op de oogst die deze deal GroenLinks-PvdA heeft opgeleverd?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik ben mevrouw Visseren-Hamakers dankbaar voor deze vraag, want ik was echt geschrokken toen ik in Trouw las dat hiervan sprake zou zijn. Ik vind het echt vreselijk lelijk, en dat zegt veel over hoe deze coalitiepartijen blijkbaar met elkaar omgaan. Dat maakt het eerlijk gezegd ook niet makkelijk voor oppositiepartijen om, als die in gesprek zijn met het kabinet, een deal te sluiten met het kabinet. Want stel je voor, je sluit een deal en dan wordt er in achterkamertjes onder coalitiepartijen onderling weer iets anders afgesproken. Ik denk dat het kabinet echt goed moet reflecteren op deze werkwijze. Als ze duurzaam met de oppositie zaken willen doen, moeten ze echt afzien van dit soort lelijke politiek. Maar ik zou zeggen: stelt u die vraag ook aan de VVD en aan D66.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dat ga ik zeker doen, bedankt voor de tip. Maar ik stel de vraag ook aan mevrouw Karimi. Ziet mevrouw Karimi dit alles overziend hebbende — de fooi op ontwikkelingssamenwerking en daar dan gratis en voor niets nog een ander, zeer problematisch wetsvoorstel bij krijgen — dat alles als vooruitgang? Was this worth it?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik ben hier om te spreken over de begroting. Ik distantieer me echt stellig van het woord "fooi". Het gaat echt over extra geld. Ja, het is extra geld, en het is echt geld. Dit jaar, nu, as we speak, gaat het naar de Wereldgezondheidsorganisatie. Er is al committering. Kijkt u maar wat er in de DRC gebeurt met ebola. Als iemand hier stelt: "50 miljoen, 100 miljoen naar deze organisatie of een andere organisatie, dat stelt niets voor", dan vind ik dat een wereldvreemde kijk op hoe die wereld in elkaar zit. Ik kom uit die wereld en ik weet wat de betekenis van dit soort bedragen is. Dat is dus echt substantieel. Dat is het eerste punt.
Het tweede punt: ik ben blij met de uitkomst van deze begroting. Is het wat ik wilde? Nee, dat is het niet. Maar het is wat nu mogelijk was en daar heb ik vrede mee en dat sta ik hier te verdedigen. Wist ik wat van die afspraken tussen die coalitiepartijen? Nee, daar weten wij niets van. De vraag is ook of de D66-fractie hier iets vanaf wist. Ik zou die vraag heel graag willen stellen aan de fracties van D66 en de VVD hier. Betekent het feit dat er zo'n afspraak is dan ook dat zij zo'n wetsvoorstel gaan steunen? Of is de afspraak slechts dat het wetsvoorstel ingediend mag worden? Want dat zijn toch ook nogal verschillen. Ik zou dus zeggen: ik ben blij met de uitkomst, ja, maar het is lelijke politiek en ik zou heel graag willen dat dat nooit meer gebeurt.
De voorzitter:
Mevrouw Visseren-Hamakers, laatste keer.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Een ander punt. Mevrouw Karimi had het over een kantelpunt in het debat over de bezuinigingen op OS. Ik vraag mij oprecht af waarom GroenLinks-PvdA ervoor heeft gekozen om dat kantelpunt niet echt op dit moment te bewerkstelligen. Als wij als gezamenlijke oppositie deze begroting zouden wegstemmen, zou het kabinet genoodzaakt zijn om heel hard te werken om nog voor de zomer met een nieuwe begroting te komen. Daar is nog tijd voor. Waarom heeft GroenLinks-PvdA ervoor gekozen om niet de poot stijf te houden en te zeggen "joh, ga je huiswerk opnieuw doen en kom met een begroting waar echt geld bij OS terechtkomt", in plaats van deze tussenstap met dat zogenaamde kantelpunt?
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Het is nog steeds echt geld. Daar blijf ik op hameren. Nee, het is gewoon echt geld en het gaat gewoon naar die organisaties en naar mensen die daar behoefte aan hebben. Het tweede is: ja, dat heb ik ook overwogen. Het had ook een strategie kunnen zijn om te zeggen: "Nou, laat maar gewoon. Dan ziet het kabinet het. Dan struikelt het hier en dan moeten ze meteen met een nieuwe begroting komen." De consequentie daarvan zou zijn dat heel veel van die uitgaven niet gedaan zouden kunnen worden. Dus dat betekent dat alles wat wij nu zeggen — hé, snel geld naar Libanon, snel geld naar Gaza, snel geld naar ebolabestrijding — allemaal niet had gekund. We zitten nu voor het reces. Dan komen de zomermaanden en zitten we in september, in 2027. Dus wij hebben voor een andere strategie gekozen. We willen het dit jaar. We hebben dit herstel kunnen realiseren. Maar zijn we er? Nee! Hebben we elkaar nodig om in 2027 een goede begroting te krijgen? Ja.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Mevrouw Karimi eindigde haar betoog met de conclusie dat er een kentering is en dat is dan ook de reden dat GroenLinks-PvdA voor deze begroting gaat stemmen. Althans, dat volgende week van plan is. Ik begrijp werkelijk waar niet — ik heb het hele betoog inderdaad af geluisterd — waar mevrouw Karimi nu precies die kentering ziet. Want een kentering betekent voor mij dat er ook voor de toekomst een verbetering zal zijn en die is er op geen enkele manier. Die is ook niet beloofd. Daar is geen sprake van. De VVD zegt duidelijk: nee! De minister van Financiën zegt nee. De minister van BHOS heeft ook niet gezegd dat die er komt. Er komt nu geld bij dat uit de toekomst wordt gehaald. Dus niet alleen is er geen verbetering, dus een kentering voor de komende jaren. Nee, het geld dat we nu krijgen, gaat er in latere jaren vanaf. Dat is wat nu in de begroting staat, ook in alle tabellen. Dat is niet alleen in 2031, maar ook al in de jaren daarvoor. Want de helft van het geld dat erbij komt, gaat naar Oekraïne, terwijl PRO en GroenLinks-PvdA zich al op het standpunt hebben gesteld, ook de afgelopen jaren, ook middels een motie in de Tweede Kamer, dat het geld dat naar Oekraïne gaat eigenlijk niet ten koste zou moeten gaan van ODA, van ontwikkelingssamenwerking. Dat gebeurt dus nu wel. Dan zal er misschien druk zijn om dat geld wel aan te vullen, want er is een grote consensus om Oekraïne te blijven steunen, maar dat zal dan ten koste gaan van het ODA-budget. Dus niet alleen is er geen kentering. Nee, we krijgen nu wat extra geld erbij, althans budget van BHOS, ten koste van de begrotingen in komende jaren, al deze kabinetsperiode.
De voorzitter:
Het punt is duidelijk. Mevrouw Karimi.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Volgens mij is dit een herhaling van de discussie die we net hadden. We worden het blijkbaar niet eens over de uitleg van hoe we dan die verschuiving in de begrotingen zien. Nogmaals, het geld voor Oekraïne was geen onderdeel van de begroting van BHOS. Dit jaar niet en de komende jaren ook nog niet. Ik ben het met de heer Van Apeldoorn eens dat in het coalitieakkoord wel is afgesproken dat het voor 2027 ODA zou zijn. Daar ben ik ook niet blij mee, maar in ieder geval was voor 2026 niet zo'n afspraak gemaakt. Dat geld was geparkeerd op het ministerie van Financiën. Dus voor de begroting is het dus extra geld.
U vraagt: waarom een kantelpunt? Hoe vaak — ik heb het niet geteld; dat had ik natuurlijk met behulp van artificial intelligence kunnen doen — bleef de regering op onze vragen in de Eerste en Tweede Kamer niet zeggen "0,7% is geen onderdeel van onze systematiek, 0,7% is geen onderdeel van onze begroting; die 0,7% laten we los". En wat doen ze nu hier? Ze hebben het niet gezegd — daar ben ik het mee eens — maar feitelijk passen ze de 0,7%-systematiek toe op deze begroting, en daar ben ik heel erg blij mee.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Tot slot. Volgens mij kan mevrouw Karimi nog steeds niet duidelijk maken dat er een kentering is. Zij ontkent in ieder geval niet dat er in de toekomst geen geld bij komt, maar, sterker nog, dat er geld van af zal gaan, tenzij we er op een of andere manier voor zorgen dat dit niet gebeurt. Maar zelfs als dat geld er weer bij komt, is die koppeling nog steeds niet hersteld. Mevrouw Karimi zegt eigenlijk: we gaan deze begroting steunen, maar daarna moet het wel beter, dan moet die kentering zich echt materialiseren. Mijn vraag is dan toch waarom GroenLinks-PvdA, PRO in de Tweede Kamer, dat niet voorwaardelijk gemaakt heeft voor het steunen van deze begroting. Waarom heeft zij niet gezegd "oké, er komt nu 326 miljoen incidenteel bij" — de helft daarvan gaat overigens naar Oekraïne — "en daar zijn wij blij mee, maar dat is niet genoeg, wij willen ook de belofte dat het ook de komende jaren beter wordt"? Dus niet alleen het geld uit de toekomst halen, maar echt een kentering. Waarom is die voorwaarde niet gesteld? Dat had toch gekund, ook op basis van de meerderheid die er in deze Kamer is, bijvoorbeeld voor het herstel van die koppeling van 0,7%?
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Laten we met elkaar dit afspreken. De begroting voor 2027 komt over een paar maanden hier. Dan stellen we deze voorwaarde. Dat is een voorwaarde die ik ook heb gesteld. Dan weet de minister heel goed dat dit een uitzonderlijke situatie was. Het kabinet trad aan, had een begroting geërfd en er moest snel iets gebeuren omdat die uitgaven gedaan moesten worden. Daarbij hebben we meegedacht, nota bene nadat onze fractie in de Tweede Kamer wel had tegengestemd; dat mag helder zijn. Wij hebben dat inderdaad gedaan. Met de heer Van Apeldoorn zeg ik tegen de minister: luistert u goed, dit is de situatie.
De heer Koffeman i (PvdD):
Mevrouw Karimi zei net in een bijzin: de minister heeft mijn steun niet nodig. Daar werd hier wel een beetje om geglimlacht, want de minister heeft uw steun keihard nodig. Als u weet dat de minister uw steun zo hard nodig heeft, had u dan niet beter of meer kunnen onderhandelen over bijvoorbeeld die 0,7%? PRO of de samenstellende partijen van PRO die ik uit het verleden ken, waren nooit akkoord gegaan met een niet-substantiële of, laten we zeggen, vaste koppeling van 0,7% en de samenstellende partijen van PRO die ik uit het verleden ken, waren nooit akkoord gegaan met een NAVO-norm van 5%. Daar stemt PRO van vandaag ook mee in. Dat is meer dan zeven keer zo veel als wij gewend waren te geven aan hulp voor de armsten en wij volgens de OESO ook zouden moeten geven. Kan mevrouw Karimi nou eens duidelijk maken waarom ze zo makkelijk door de bocht is gegaan terwijl de minister of het kabinet haar steun zo keihard nodig heeft, zowel voor die NAVO-norm als het herstel van het budget voor Ontwikkelingshulp? Had daar niet meer in gezeten?
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Ik had gewenst dat er meer in gezeten had. Dit is na keihard onderhandelen het resultaat. U kunt zeggen dat het niet genoeg is. Ik zou ook veel meer gewild hebben. Ik zou die extra 2 miljard erbij gehad willen hebben. Maar nogmaals, gezien de situatie is dit het. Ik vind dit echt een heel substantiële verbetering. Nogmaals, voor ons was de koppeling, de terugkeer van die 0,7%-systematiek in de begroting het allerbelangrijkste punt, en dat is gelukt. En over de NAVO ga ik hier geen discussie voeren.
De heer Koffeman (PvdD):
Het hangt natuurlijk nauw met elkaar samen, want die NAVO-norm van 5% moet ergens uit betaald worden. U en ik kunnen begrijpen dat dat al heel snel ten laste van de allerarmsten gaat komen, ook ...
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Ook, ja.
De heer Koffeman (PvdD):
... van die 0,7%. Maar dat u niet harder heeft kunnen onderhandelen, is een merkwaardig uitgangspunt. Als de minister uw steun zo hard nodig heeft als hij heeft, had u inderdaad harde eisen kunnen stellen. Als die harde eisen niet ingewilligd waren, was het kabinet gevallen. Kennelijk wilde u dat niet. U stelt zich dus op als een steunpilaar van het kabinet. In eerste termijn hebben andere fracties kritiek geuit op het kabinet, in de trant van: dit had je niet moeten doen.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Dat is zoals ik zei een afweging geweest. Willen we dat mensen in de wereld die behoefte hebben aan hulp worden geholpen, ja of nee? Of willen wij eigenlijk veel meer een soort politiek spelletje spelen, dus dat het kabinet valt of de minister moet aftreden? Denk aan wat de VVD en D66 elkaar aandoen. Dat willen wij niet. Dat is lelijk, dat doen wij niet.
De heer Koffeman (PvdD):
Ten slotte. Ik begrijp dat. Maar als u niet mee wilt doen aan politieke spelletjes, dan is voor heel veel mensen niet begrijpelijk dat nog voordat het debat gevoerd is, duidelijk is dat PRO in de Eerste Kamer deze begroting zal steunen. Dat betekent dat er politieke spelletjes in de Tweede Kamer gespeeld zijn en dat de Eerste Kamerfractie van PRO zich daarin heeft geschikt. Dat zijn politieke spelletjes.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Ach, dat is geen politiek spelletje! Natuurlijk is het staatsrechtelijk zo dat wij in de Eerste Kamer een debat hebben. Alleen, als er onderhandelingen gevoerd worden ... Ik denk dat collega Koffeman heel blij is met zijn interruptie, maar dat is ook een beetje een politiek spelletje. Dit is geen politiek spelletje. Wij zijn ontzettend nauw betrokken geweest bij deze onderhandelingen. Onze Tweede Kamerfractie had al tegengestemd. Er was een suppletoire begroting. Normaal zouden we deze begroting al in december behandeld hebben, maar we behandelen die nu terwijl de suppletoire begroting in de Tweede Kamer wordt behandeld. Natuurlijk ga je overleggen met elkaar, dat is een normale manier van werken. Dat hebben we gedaan. De Tweede Kamerfractie moest een positie kiezen ten opzichte van de suppletoire begroting en wij moesten een positie kiezen ten opzichte van deze begroting. Die twee hangen samen. Ik snap dus niet wat hier het probleem zou zijn.
Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):
Ik hoorde mevrouw Karimi net uitleggen waarom ze voor deze begroting stemt. Ze zegt: het geld is hard nodig, we kunnen heel veel mensen helpen. Tegelijkertijd zegt ze: minister, luistert u goed, want bij een volgende begroting willen we absoluut dat u richting de 0,7% gaat. Dan sluit ik me toch aan bij de vraag van de heer Koffeman: waarom heeft u deze belofte niet afgedwongen in uw onderhandelingen over deze suppletoire begroting?
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Wij hebben dit gedaan en dit is de uitkomst. Als wij dat niet hadden gedaan, was er helemaal niks.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Maar u heeft niet afgedwongen dat er in de volgende jaren echt gekeken wordt om in de richting van 0,7% te gaan. Dat moet u nu aan de minister vragen. U zegt: de minister luistert, dat gaan we bij de volgende begrotingen doen. Ik vroeg u: waarom heeft u dat niet afgesproken toen u over deze begroting onderhandelde? Dan had u een mooi pakket gehad.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Dat klopt. Dat hadden we dan gehad en dat hadden we ook gewild, maar dit heeft te maken met het tijdsbestek dat we hadden voordat het zomerreces komt en voordat er weer onderhandelingen over de volgende begroting beginnen. Nogmaals, we zitten in de situatie dat we hier eigenlijk een halfjaar later het begrotingsdebat voeren. Wij hebben dus besloten om dit op deze manier te doen, maar tegelijkertijd heel helder richting het kabinet — het kabinet, niet de minister — te zeggen: kom maar met extra geld.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Dat is zo en u geeft een helder signaal. Tegelijkertijd geeft u als verklaring voor deze deal: "Weet u wel hoeveel mensen we daarmee kunnen helpen? Als we tegenstemmen, hebben die mensen niks." Laten we het verder niet hebben over een kabinet dat wel of niet valt. Welke garantie heb je nou? Als de volgende begroting komt en de minister, omdat hij de ruimte niet krijgt van het kabinet, niet de kant van de 0,7% op gaat, geldt toch hetzelfde argument? Dan zult u toch ook zeggen: "We kunnen de begroting wel afstemmen, maar hoeveel mensen hebben daar geen last van? We moeten hier wel voor stemmen." Dan zult u toch datzelfde argument gebruiken?
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Ja, collega Huizinga kan mij goed nadoen.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Dat was niet mijn bedoeling.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Het verschil is dat de minister deze waarschuwing aan het kabinet nu kent. En ja, dat is een verschil. Nogmaals, dit is een begroting van het vorige kabinet en die is overgenomen. Daar ben ik echt verdrietig over. Tegelijkertijd is nu de situatie dat de minister exact weet hoe de verhoudingen hier zijn. Het kabinet weet ook hoe de verhoudingen hier zijn, dus zijn ze gewaarschuwd. Ik zou zeggen: aan de slag.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Huizinga-Heringa.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Begrijp ik daarmee toch — het is niet normaal dat een Kamerlid een toezegging doet — dat er een toezegging is van mevrouw Karimi dat zij absoluut niet opnieuw met deze zelfde argumentatie voor een volgende begroting gaat stemmen als die niet echt duidelijk substantieel laat zien dat het kabinet richting de 0,7% gaat?
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Ik denk dat u echt heeft gehoord wat ik heb gezegd. De minister heeft het ook gehoord. Daar was echt geen woord Spaans bij.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Schalk een interruptie wil plegen.
De heer Schalk (SGP):
Ik wil een korte verduidelijking, misschien ook voor degene die meeluistert naar dit debat. Mevrouw Karimi zegt: als deze begroting hier zou stranden, dan is er niets en dan vallen we terug op de begroting van vorig jaar. Dat is natuurlijk niet waar.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Nee, dat is niet correct. Wij hebben deze vraag ook nog een keer gesteld. De Raad van State heeft daarover geadviseerd: als een begroting niet wordt aangenomen, moet de regering snel met een nieuwe begroting komen. Dat proces begint gewoon opnieuw. Dat is het verhaal. De vorige begroting geldt niet.
De heer Schalk (SGP):
Dit is splinternieuw voor mij. Volgens mij vallen we terug op de oude begroting als er nog geen nieuwe begroting is, en die er niet komt. Laat ik dan via mevrouw Karimi aan de minister vragen of dat wel of niet het geval is.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Die vraag hebben wij al gesteld. Dat was een schriftelijke vraag en daar is ook een antwoord op gekomen.
De voorzitter:
De vraag is nu opnieuw gesteld, dus ongetwijfeld zal de minister die ook meenemen in zijn beantwoording in dit debat. Ik dank u hartelijk voor uw bijdrage namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Hartog van Volt.
De heer Hartog i (Volt):
Dank u, voorzitter. Voor de begroting die nu voorligt, heb ik mij onder andere laten inspireren door de bijdrage van onze oud-collega Belhirch bij de begrotingsbehandeling vorig jaar. Zij sprak daarbij over de keuze die wij toen maakten en ook nu maken: opbouwen of afbreken? Zij sprak ook over hoe ontwikkelingssamenwerking, handel, diplomatie en geopolitiek onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Ze sprak over de effecten van de voorgestelde bezuinigingen op vrouwenrechten en kindersterfte. Ik zal u de verdere details besparen, maar ik kan u aanraden dit allemaal nog eens na te lezen. Destijds was dit de reden voor de leden van de D66-fractie om met een hoofdelijke stemming allemaal tegen de begroting te stemmen. Hetzelfde gold voor de leden van de Voltfractie en een aantal andere senatoren. Wat ons betreft kan dezelfde analyse op de voorliggende begroting worden losgelaten. In essentie is dit een voortzetting van de begroting van een kabinet dat naar ontwikkelingssamenwerking keek als naar een melkkoe, een kabinet dat de solidariteit met de minderbedeelden in de wereld aan de deur heeft gezet.
Voorzitter. Dit is een beetje een somber verhaal. Het past daarom bij een progressieve en positieve partij als Volt om toch een aantal lichtpuntjes te kunnen noemen. Allereerst denk ik daarbij aan het antwoord van de minister op de door de collega's van de BBB gestelde vragen. De minister geeft aan voornemens te zijn om de Nederlandse bijdrage aan het goede humanitaire werk van UNRWA weer terug te brengen tot het oude niveau van 19 miljoen per jaar. Dat is wel het minste wat de regering kan doen om de door Israël veroorzaakte humanitaire crisis in de Palestijnse gebieden te verzachten. Kan de minister de Kamer toezeggen dat dit ook snel in juridisch verplichte uitgaven zal worden omgezet?
In antwoord op de vragen geeft de minister aan opnieuw te willen investeren in vrouwenrechten en gendergelijkheid. Dat is goed nieuws. Aan welke programma's denkt de minister concreet? Gaat het om het niet laten doorgaan van voorgenomen bezuinigingen op eerdere programma's of om financiering van nieuwe programma's? Worden ook de evaluaties van deze programma's weer in de planning opgenomen?
Ook voor wat betreft de inspanningen voor officiële ontwikkelingshulp, het zogenaamde ODA, geeft de minister positieve signalen af. De minister geeft aan een nettobedrag van 328 miljoen dit jaar beschikbaar te stellen, waarvan een deel als ODA kan worden aangemerkt. Uit de informatiebrief begrijp ik dat dit, in overleg met de collega's van PRO, ten koste gaat van latere jaren. Ik kom daar later op terug.
Voorzitter. De leden van mijn fractie hebben bij deze cijfers toch een verduidelijking nodig. Wat wordt nu het echte bedrag aan uitgaven als we alle informatie meenemen, zowel uit de brief als uit de Voorjaarsnota? In die laatste wordt een beleidsintensivering van 108 miljoen euro aangekondigd. Komt dit nog boven op de in de brief aangekondigde wijziging? Dekt de brief van de minister alle aangekondigde wijzigingen af? Daarmee bedoel ik de beleidsintensiveringen in de Voorjaarsnota, het herstel van de koppeling aan het bni voor 2026 en de resultaten van het afgesproken akkoord. Zo niet, kan de minister dan duidelijkheid verschaffen over hoe het echte budget voor dit jaar eruit gaat zien?
Voorzitter. De leden van mijn fractie hebben ook vragen over de rechtmatigheid van de kasschuifmethode die de minister hanteert. Deze methode dient om bepaalde projecten naar voren te halen of naar achteren te schuiven, maar niet zijnde voor beleidswijzigingen. Kan de minister een aantal concrete projecten noemen die oorspronkelijk in 2027 en 2028 waren gepland en die nu naar voren zijn gehaald? Om welke ontvangstlanden gaat het? Om welke projecten gaat dit voor 2031? In de ogen van de leden van de Voltfractie lijkt het hier meer te gaan om een beleidswijziging en wordt de methode van de kasschuif dus oneigenlijk gebruikt.
Hoe dan ook, de leden van mijn fractie erkennen de goede wil van de minister. Waar een wil is, is een weg. De daadwerkelijke feiten zijn echter minder bemoedigend. Effectief wordt het draconische bezuinigingsbeleid van de vorige regering niet alleen voortgezet, maar ook bestendigd voor de komende vier jaar. Dat betekent dat de afbraak wordt voortgezet. Daar kan een progressieve partij niet mee instemmen. De leden van de fractie van Volt zouden graag constructief willen zijn, maar niet met de continuering van het beleid van het vorige kabinet met slechts marginale aanpassingen. Ook hebben de leden van mijn fractie moeite met het politieke akkoord dat in feite de ramingen voor de komende jaren direct onderdeel maakt van de begrotingsbeslissing voor 2026. In onze ogen is dat budgettair onzuiver. Uitgaande van een Nederlands ODA-percentage van 0,58% voor 2025 vragen de leden van mijn fractie waar de minister wat betreft dit percentage concreet in 2029 wenst uit te komen. Welke inspiratie ontleent de minister aan het Deense model, waar de 0,7% onlangs nog als ambitie is bevestigd? Is dit niet ook onderdeel van het Deense asielbeleid om de instroom van migranten te beperken? Ook hier kan ik de minister en collega's nog meer inspiratie aanbieden.
Voorzitter. Dan moet ik op een ander punt terugkomen dat moeilijk in de antwoorden is te vinden. Mijn vragen gaan over de effecten van de substantiële bezuinigingen op Nederlandse maatschappelijke organisaties die ontwikkelingssamenwerking uitvoeren. Welk overleg heeft de minister met deze organisaties gehad en hoe kijken zij naar de samenwerking met dit kabinet? De voortzetting van het beleid van het vorige kabinet riskeerde de afbraak van een kwalitatief hoogstaand mechanisme van levering van ontwikkelingssamenwerking. Hoe denkt de minister dit destijds ingezette en door de Kamer bekritiseerde beleid om te buigen? Hoe kan de minister ervoor zorgen dat niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief de ontwikkelingssamenwerking op peil blijft?
Voorzitter. Dan hebben de leden van mijn fractie nog een aantal vragen over geldstromen die onder de beleidsbevoegdheid van deze minister vallen, maar op een andere begroting worden weergegeven. Het gaat om de inkomsten uit invoertarieven, heel specifiek over de unilaterale verlaging van een aantal invoerrechten van de EU op producten die uit de Verenigde Staten van Amerika komen. In een eerder debat met de minister van Buitenlandse Zaken hebben we gezamenlijk vastgesteld dat het hier niet om een traditioneel handelsakkoord gaat. Het gaat om een politiek akkoord met effecten op de handel. Derhalve is de eenzijdige verlaging van tarieven ook geen onderdeel van een door de Wereldhandelsorganisatie erkend vrijhandelsakkoord.
Voorzitter. Dat klinkt administratief, maar het heeft mogelijk consequenties. Daar hebben de leden van mijn fractie een aantal vragen over. De Europese Unie heeft vrijhandelsverdragen met een groot aantal regio's en landen in de wereld. Onderdeel daarvan is meestal een "most favoured nation"-clausule. Dat betekent dat als de Unie unilateraal tarieven verlaagt voor een bepaald land, deze handelspartners de EU kunnen dwingen deze tarieven ook op hen toe te passen. Zien de leden van de fractie het juist dat theoretisch de mogelijkheid bestaat dat andere landen deze clausule inroepen? Is dit al gebeurd? Zijn hierover afspraken gemaakt binnen de Europese Unie? Zijn hierover afspraken met handelspartners gemaakt die ook slachtoffer zijn geworden van het Amerikaanse bullygedrag?
Voorzitter. Tot slot hebben de leden van mijn fractie de vragen en antwoorden opgemerkt over het eventueel afwijzen van deze begroting. Het is natuurlijk nooit de inzet van deze Kamer om een begroting af te wijzen. Echter, het armageddongevoel dat met de vragen wordt opgeroepen, delen de leden van mijn fractie niet. Dit kabinet heeft met bijvoorbeeld de discussies over de asielwet aangetoond snel met alternatieven te kunnen komen als dat nodig is. Vandaar de vraag aan de minister hoelang hij nodig zal hebben om de Kamers een nieuw voorstel van wet voor te leggen indien met deze wet niet wordt ingestemd. Ook de leden van de Voltfractie zijn bereid constructief mee te denken over een begroting die de samenwerking met landen die er minder goed voorstaan dan Nederland weer opbouwt. Aan voortzetting van de afbraak zullen wij niet meedoen.
Voorzitter. Wij kijken uit naar de antwoorden van de minister.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Hartog van Volt. De laatste spreker voor de lunchpauze is de heer Beukering van de Fractie-Beukering. Hij heeft in de sprekersvolgorde geruild met de fractie van Forum voor Democratie. Ga uw gang, meneer Beukering.
De heer Beukering i (Fractie-Beukering):
Voorzitter, dank u wel. Mede namens de Fractie-Walenkamp een warm welkom aan de minister in de Kamer. We behandelen vandaag een begroting die gaat over geld, prioriteiten en effectiviteit, maar ook over iets groters: de manier waarop Nederland zijn morele gezag in de wereld inzet. Daar wringt het. Niemand in deze Kamer zal zeggen dat het internationaal recht vrijblijvend is. Niemand zal zeggen dat mensenrechten er niet toe doen. Niemand zal bepleiten dat Nederland moet wegkijken van oorlog, vervolging of onderdrukking. Maar dat is ook niet de vraag. De vraag is: past Nederland zijn waarden consequent toe, of kiest het kabinet selectief wanneer het moreel verontwaardigd is, economisch druk zet of wegduikt achter diplomatieke taal? Die vraag speelt scherp bij Israël en inmiddels ook bij de politieke deal over 380 miljoen extra ontwikkelingsgeld.
Voorzitter. Het kabinet werkt aan handelsbeperkingen die verband houden met Israëlische nederzettingen. Formeel zal de minister zeggen: dit is geen boycot van Nederland en geen Boycot, Desinvestering en Sancties, BDS; dit gaat alleen om producten uit nederzettingen. Dat juridische onderscheid begrijpen wij, maar politiek is de zaak daarmee niet afgedaan. Ook wanneer iets formeel geen BDS is, kan het materieel wel functioneren als een stap richting selectieve boycotpolitiek. Dan wordt één land, één conflict of één bondgenoot langs een scherpere meetlat gelegd dan andere landen en conflicten. Dat is ons fundamentele bezwaar, en niet dat Israël niet aangesproken mag worden. Natuurlijk mag dat, maar waarom juist deze stap? Waarom juist nu, en waarom met dit instrument? Waar is dezelfde stevige handelslijn tegenover China als het gaat om de Oeigoeren? Waar is dezelfde economische druk richting Turkije als het gaat om de Koerden? Waar is dezelfde handelsconsequentie en scherpte bij Iran, Irak en Syrië, waar de jezidi's slachtoffer zijn geworden van vervolging, slavernij, geweld en verdrijving? Dat is geen whataboutisme. Dat is de kern van rechtsstatelijk buitenlands beleid. Als het internationaal recht een universele norm is, moet die ook universeel worden toegepast. Anders is het geen rechtsbeginsel, maar een politiek instrument.
Daarom vraag ik via u, voorzitter, aan de minister welk objectief toetsingskader bepaalt wanneer Nederland overgaat van diplomatieke afkeuring naar handelsbeperkingen. Kan de minister aantonen dat dit kader ook buiten Israël consequent wordt toegepast? Zonder zo'n kader dreigt willekeur. Dan wordt buitenlands beleid geen toepassing van beginselen, maar een optelsom van politieke druk, sentimenten, mediabeeld en coalitiegevoeligheden. Dan ontstaat selectiviteit in naam van het recht; dat is gevaarlijk. Het tast de geloofwaardigheid van Nederland aan. Het tast de rechtstatelijke basis van ons buitenlandbeleid aan. Het voedt de indruk dat Israël opnieuw een uitzonderingspositie krijgt, niet als bondgenoot die fair wordt behandeld, maar als land waarop morele verontwaardiging sneller en harder wordt geprojecteerd dan op andere staten.
Voorzitter. Daar komt nog iets bij. De minister kan zeggen dat het alleen om nederzettingenproducten gaat, maar in de samenleving wordt dat onderscheid lang niet altijd zuiver gemaakt. Daar lopen nederzettingen, Israëlische bedrijven en Israël al snel door elkaar. Juist in een tijd waarin antisemitisme opnieuw zichtbaarder en schaamtelozer wordt, moet de overheid buitengewoon precies zijn in de signalen die zij afgeeft. Ik vraag de minister daarom, via u, voorzitter, hoe hij voorkomt dat een juridisch afgebakende maatregel maatschappelijk gaat functioneren als BDS light. Hoe voorkomt hij dat Joodse en Israëlische ondernemers in Nederland indirect geraakt gaan worden door een politiek klimaat waarin morele verontwaardiging breder uitwaaiert dan de juridische tekst?
Ook de uitvoerbaarheid is geen detail. Wie bepaalt en controleert straks de oorsprong van goederen? Welke bewijslast komt bij de ondernemers te liggen? Welke rol krijgen douane, toezichthouders en tussenhandelaren? Hoe voorkomt de minister dat Nederlandse ondernemers in een juridisch mijnenveld terechtkomen?
Voorzitter. Dan de begroting zelf. De kritiek daarop kwam vanuit verschillende richtingen. De lijnen verschillen, maar ze raken elkaar op één punt: de minister moet gaan aantonen dat dit beleid werkt; niet dat het goed klinkt en niet dat het moreel prettig voelt, maar dat het werkt. Dat geldt ook voor UNRWA. De Kamer mag geen genoegen nemen met algemene geruststellingen. Zij moet weten welke voorwaarden Nederland stelt. Hoe wordt gecontroleerd en hoe wordt voorkomen dat middelen direct of indirect terechtkomen in structuren die haaks staan op neutraliteit, vrede en ontwikkeling, of wederom gebruikt gaan worden voor tunnels?
Voorzitter. Daarmee zijn we bij het tweede grote punt aangekomen. Het kabinet heeft een politieke afspraak gemaakt met GroenLinks-PvdA. Er komt 380 miljoen extra beschikbaar voor ontwikkelingssamenwerking, noodhulp en wederopbouw. Laat ik er helder over zijn: dat is geen technisch begrotingsdetail; dat is een politieke deal om een begroting door de Eerste Kamer te loodsen. Daarom verdient dit helderheid, want waar komt dit geld vandaan? Voor zover nu bekend gaat dit niet om nieuw gevonden structurele ruimte, maar om geld dat uit latere jaren naar voren wordt gehaald. Met andere woorden: het kabinet koopt vandaag politieke steun met geld van morgen. Een kasschuif is geen gratis geld. Een kasschuif betekent dat iemand anders later de rekening betaalt. Daarom vraag ik de minister: welke latere jaren worden nou precies belast? Welke programma's worden daardoor geraakt? Welke verplichtingen worden vooruitgeschoven of gecanceld? En vooral: is deze 380 miljoen slechts gebaseerd op de politieke noodzaak om de steun van GroenLinks-PvdA te krijgen?
Voorzitter. Voor onze fracties mag ontwikkelingssamenwerking nooit wisselgeld zijn voor een senaatsdeal. We spreken hier ook niet over een paar miljoen, maar over 380 miljoen belastinggeld, in een tijd waarin Nederlanders te maken hebben met hele hoge lasten, woningnood, stijgende zorgkosten en achterstallig onderhoud van allerlei publieke voorzieningen en infrastructuur. Deze Kamer moet daarom ook eisen dat iedere euro wordt verantwoord, en niet met morele algemeenheden, maar met concrete doelen, concrete en controleerbare resultaten en solide dekking.
Voorzitter. Daar komen de twee lijnen van mijn bijdrage bij elkaar. Bij Israël zien we het risico van selectieve toepassing van internationaal recht. Bij de 380 miljoendeal zien we het risico van selectieve omgang met begrotingsdiscipline. En toch vraagt dit kabinet om vertrouwen: vertrouwen in het Israëlbeleid, vertrouwen in het ontwikkelingsbeleid en vertrouwen in de besteding van belastinggeld. Maar vertrouwen vraagt ook om transparantie, en transparantie ontbreekt wanneer handelsbeperkingen tegen Israël worden voorgesteld zonder algemeen toetsingskader.
Voorzitter. Nederland moet pal staan voor internationaal recht, maar dan wel als universele norm en niet als selectief politiek instrument. Nederland moet mensenrechten verdedigen, maar dan niet alleen wanneer het politiek uitkomt. Nederland mag bondgenoten aanspreken, zeker, maar dan wel met dezelfde maatstaf die het ook bij andere landen durft te hanteren. Nederland mag geld uitgeven aan ontwikkelingssamenwerking, maar dan op basis van aantoonbare effectiviteit, transparante dekking en eerlijke verantwoording, en niet als smeermiddel voor politieke deals.
Als de minister zo graag extra geld, 19 miljoen, wil geven aan de Palestijnen, laat hem dat dan zeker niet doen via UNRWA, maar via onafhankelijke, respectabele organisaties, bijvoorbeeld via de patriarch van Jeruzalem, de franciscaan en kardinaal Pizzaballa, of via Cor Unum, de grootste caritasorganisatie ter wereld, die met iedereen waardig, respectvol en onafhankelijk contact heeft.
Voorzitter. Internationaal recht is geen keuzemenu, mensenrechten zijn geen instrument van politieke voorkeur, handelsbeleid mag geen vehikel worden voor selectieve verontwaardiging en ontwikkelingsgeld mag geen smeermiddel worden voor politieke deals. Ethiek is geen elastiek.
Tot zover. We kijken uit naar de beantwoording.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Beukering. U sprak ook namens de heer Walenkamp.
De beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering voor de lunchpauze. We beginnen weer om 13.30 uur. Dank u wel.
De vergadering wordt van 12.32 uur tot 13.32 uur geschorst.
Voorzitter: Vos
Aan de orde is de herdenking van het oud-Eerste Kamerlid de heer dr. P.B. Boorsma (CDA).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de herdenking van het oud-Eerste Kamerlid de heer Boorsma. Ik verzoek de leden en alle overige aanwezigen in de zaal en op de publieke tribune die daartoe in de gelegenheid zijn, te gaan staan.
Collega's, wij hebben de goede gewoonte om oud-leden die ons zijn ontvallen hier te herdenken. Vandaag gedenken wij Peter Boorsma die op 23 maart jongstleden is overleden, op 81-jarige leeftijd. Hij was voor het CDA zestien jaar lid van de Eerste Kamer, van 23 juni 1987 tot 10 juni 2003.
Ik heet zijn familie van harte welkom bij deze herdenking.
Peter Bauke Boorsma werd op 15 juli 1944 geboren in Bergen. Na de middelbare school in Alkmaar ging hij economie studeren aan de Vrije Universiteit. In 1973 promoveerde hij in de economische wetenschappen op een onderzoek naar oligopolie, een marktvorm waarbij een klein aantal grote aanbieders het overgrote deel van de markt in handen heeft.
Een jaar na zijn promotie werd hij hoofd van de afdeling Begrotingsvoorbereiding op het ministerie van Financiën. De wetenschap bleef trekken en na vier jaar werd Peter Boorsma lector openbare financiën aan de Universiteit Twente en later hoogleraar, iets wat hij al wilde worden sinds zijn studie, vertelde hij aan NRC Handelsblad. Hij sloot zijn wetenschappelijke carrière in Enschede af als directeur van de masteropleiding risicomanagement.
In 1982 werd hij lid van het CDA omdat hij het no-nonsense beleid van Lubbers en Ruding als een verademing ervoer. Toen hij op zijn 43ste lid van de Eerste Kamer werd voor het CDA, koos zijn fractie hem als financieel woordvoerder en specialist op het gebied van volksgezondheid. Hij sprak met gezag, ook al riepen zijn opvattingen soms spanningen op bij de regeringen waarvan zijn partij deel uitmaakte. In het debat stond hij bekend als voortvarend en vasthoudend, en tegelijk vriendelijk en voorkomend.
Al snel nadat hij zijn intrede had gedaan in de senaat kwam Boorsma in aanvaring met de kabinetten-Lubbers II en III. In 1988 kapittelde hij Onno Ruding: de sanering van de overheidsuitgaven ging veel te langzaam en van privatisering kwam nauwelijks iets terecht. Boorsma pleitte voor een deltaplan om de overheidsopgaven terug te dringen. "Linkser dan links", noemde hij twee jaar later de eerste Miljoenennota van Rudings opvolger Kok. Hij hekelde vooral het feit dat het kabinet-Lubbers III de lastendruk te hoog liet oplopen. Zijn kritische optredens als coalitiesenator vielen op. Er verschenen artikelen met als kop "Senator Boorsma is jong en wil wat" en "Ambitieus en ontwapenend".
Zelf zei hij over zijn invulling van het Kamerlidmaatschap: "Mijn ideaal is 'speaking truth to power' en ik wil niet op voorhand al gaan matigen en nuanceren. Dat is de dood in de pot." Om daaraan toe te voegen: "We zijn volksvertegenwoordigers en moeten ervoor waken dat we geloofwaardig blijven. De Eerste Kamer mag geen jaknikkersclub zijn en ook niet voor het eerste het beste tegenwindje opzijgaan."
Boorsma was acht jaar voorzitter van de commissie voor Financiën en twee jaar eerste ondervoorzitter. Bij zijn afscheid van de senaat in 2003 zei Eerste Kamervoorzitter Braks dat het "misschien een goed idee zou zijn als de Eerste Kamer in deze tijden van bezuinigingen nog eens een beroep doet op zijn deskundigheid als hoogleraar openbare financiën".
Peter Boorsma was een wetenschapper en volksvertegenwoordiger die met lef en intuïtie de kloof tussen burger en politiek minder groot maakte. Dat ons respect voor zijn persoon en zijn verdiensten voor de samenleving en de Nederlandse parlementaire democratie tot steun mag zijn voor zijn familie en vrienden.
Ik verzoek eenieder om een moment stilte in acht te nemen.
(De aanwezigen nemen enkele ogenblikken stilte in acht.)
De voorzitter:
Dank u wel. Ik nodig u uit om de condoleances over te brengen aan de familie. Wij gaan rond 13.45 uur verder met de stemmingen. Let u daarbij op de stemmingsbel.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Aan de orde zijn de vastgestelde notulen van de plenaire vergadering van 9 juni 2026 die ter inzage liggen bij de Griffie. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich hiermee heeft verenigd.
Daarnaast ligt een lijst bij de Griffie ter inzage met door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstellen en de commissies waaraan ik deze wetsvoorstellen heb toegewezen.
Aan de orde is de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026) (36885).
Dit wetsvoorstel wordt zonder beraadslaging en zonder stemming aanvaard.
De voorzitter:
Verlangt iemand aantekening? Dat is het geval. De heer Dessing van Forum voor Democratie.
De heer Dessing i (FVD):
Voorzitter, dank u wel. Wij willen graag aantekening bij deze Implementatiewet kapitaalvereisten 2026.
De voorzitter:
Dank u wel.
De leden van de fractie van FVD wordt conform artikel 88 van het Reglement van Orde aantekening verleend dat zij geacht willen worden zich niet met het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026) (36885) te hebben kunnen verenigen.
Stemming Wet herziening bedrag ineens
Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen in verband met de herziening van de mogelijkheid tot afkoop in de vorm van een bedrag ineens alsmede tot wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet herziening bedrag ineens) (36154).
(Zie vergadering van 9 juni 2026.)
De voorzitter:
Dan zijn aan de orde de stemmingen. Ik heet de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, die namens de regering bij de stemmingen aanwezig is, nogmaals van harte welkom. De leden Paulusma en Becker zijn namens de Tweede Kamer aanwezig bij de stemming over het initiatiefvoorstel. Dat zal straks ter stemming worden gebracht. Ik heet hen van harte welkom.
Hebben voldoende leden de presentielijst getekend? Dat is het geval.
Wij stemmen als eerste over het wetsvoorstel 36154, Wijziging van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen in verband met de herziening van de mogelijkheid tot afkoop in de vorm van een bedrag ineens alsmede tot wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet herziening bedrag ineens.
Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is het geval. De heer Van Rooijen van 50PLUS.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Voorzitter. Het wetsvoorstel bedrag ineens plaatst 50PLUS voor een groot dilemma. Uiteraard gunnen we alle gepensioneerden het keuzerecht om eenmalig 10% op te nemen van hun pensioenvermogen. 50PLUS maakt zich echter grote zorgen over de moeilijke keuze voor AOW'ers met een heel klein pensioen. Voor deze groep blijft er van het bedrag ineens na belasting maar 30% of nog minder over. Dat komt vooral doordat de toeslagen aanzienlijk kunnen dalen als je eenmalig een hoger inkomen hebt. Er ontstaat ook grote onzekerheid over de hoogte van hun pensioen in de toekomst. Door de opname van 10% gaat immers hun toekomstige pensioen dalen over een langere periode, als men gezond blijft. Wij zijn blij dat de minister heeft toegezegd de gevolgen voor hun toekomstig pensioen te onderzoeken. Alles afwegende stemt 50PLUS toch tegen het wetsvoorstel, omdat het voor AOW'ers met een klein pensioen te ingewikkeld is. Ze kunnen een verkeerde keuze maken. Aan spijtoptanten willen wij niet komen.
De voorzitter:
De heer Dessing van Forum voor Democratie.
De heer Dessing i (FVD):
Voorzitter, dank u wel. Wij hebben een iets andere stemverklaring. Zoals gesteld in het debat zijn wij het niet eens met de beleidsprioritering, die heeft geleid tot het uitstel dat nu voorligt. Onze fractie maakt zich zorgen dat uitstel leidt tot afstel en vreest alle andere fiscale wijzigingen, die van kracht zijn op het moment dat deze wet eindelijk ingaat. Onder protest zal onze fractie toch voor dit wetsvoorstel stemmen.
De voorzitter:
Dank u wel.
We stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, Volt, de ChristenUnie, het CDA, de SGP, D66, FVD, de VVD, de PVV, JA21, BBB, Fractie-Van de Sanden, Fractie-Beukering en Fractie-Walenkamp voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, de PvdD, Fractie-Visseren-Hamakers, 50PLUS, OPNL en Fractie-Van Gasteren ertegen, zodat het is aanvaard.
Stemming Wijziging van de Paspoortwet in verband met de ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart
Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Paspoortwet in verband met de ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart (36643-(R2202)).
De voorzitter:
Dan stemmen wij over wetsvoorstel 36643-R2202, Wijziging van de Paspoortwet in verband met de ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart.
Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is het geval. Mevrouw Van Langen-Visbeek.
Mevrouw Van Langen-Visbeek i (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Voor de BBB staat de kracht van de regio voorop. De BBB strijdt in de Tweede Kamer via een motie van de heer Tuinman en samen met de Gedeputeerde Staten van Fryslân al lange tijd voor het zichtbaar maken van het Fries op onze identiteitskaarten en paspoorten. Dat de regering zich star verschuilt achter internationale ICAO-regels en weigert om stappen te zetten om de status van het Fries te verhogen naar die van een officiële landstaal in heel Nederland is wat ons betreft een enorme gemiste kans voor de erkenning van onze oudste landstaal, het Fries. Als "naam", "nom" en "name" op het paspoort staan, oftewel in het Nederlands, Frans en Engels, waarom dan geen "namme", in het Fries? Omdat dit wetsvoorstel in de basis vooral een juridisch-technische operatie is en de aanvraagprocedures in de praktijk niet wijzigen, zal de BBB-fractie voor dit wetsvoorstel stemmen, maar onze strijd voor het Fries op het paspoort gaat onverminderd door.
Foarsitter, tige tank.
De voorzitter:
Dank u wel.
Wij stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat dit wetsvoorstel met algemene stemmen is aanvaard.
Stemming Wet op de Nederlandse identiteitskaart
Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Regels in verband met de uitgifte van de Nederlandse identiteitskaart (Wet op de Nederlandse identiteitskaart) (36644).
De voorzitter:
Dan stemmen wij over het wetsvoorstel 36644, Regels in verband met de uitgifte van de Nederlandse identiteitskaart, de Wet op de Nederlandse identiteitskaart.
Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is niet het geval.
Wij stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat dit wetsvoorstel met algemene stemmen is aanvaard.
Invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief
Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief (36783).
De voorzitter:
Dan stemmen wij over het wetsvoorstel 36783, Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief.
Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is het geval. De heer Baumgarten van JA21.
De heer Baumgarten i (JA21):
Voorzitter. Wanneer mensen feitelijk als werknemer werken maar als zelfstandige worden ingehuurd om kosten en verplichtingen te ontlopen, moet daartegen worden opgetreden. Wel willen wij aantekenen dat de regeldruk op werkgevers en opdrachtgevers weer dreigt toe te nemen en de flexibilisering van de arbeidsmarkt afneemt. We kunnen niet eindeloos doorgaan met het verzwaren van de regeldruk zonder dat dit gevolgen heeft voor het ondernemingsklimaat en het verdienvermogen van Nederland. Alles overwegende constateert de fractie van JA21 dat het wetsvoorstel voldoende is ingeperkt, waardoor wij met het wetsvoorstel kunnen instemmen.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Mevrouw Ramsodit voor een stemverklaring.
Mevrouw Ramsodit i (GL-PvdA):
Voorzitter. Onze fractie steunt dit wetsvoorstel, omdat het een stap is naar een betere bescherming voor werkenden en schijnzelfstandigheid helpt tegen te gaan. Wel betreuren wij dat de verduidelijking van arbeidsrelaties uit het oorspronkelijke wetsvoorstel is geknipt. Daardoor raakt de wetgeving over arbeidsrecht verder versnipperd, terwijl meer duidelijkheid over het onderscheid tussen werknemerschap en ondernemerschap nodig is. Met deze kanttekening stemmen wij voor het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Dank u wel.
Wij stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, Volt, de ChristenUnie, het CDA, de SGP, D66, de SP, de PvdD, de VVD, de PVV, JA21, BBB, Fractie-Van de Sanden, Fractie-Visseren-Hamakers, 50PLUS, Fractie-Beukering, Fractie-Walenkamp, OPNL en Fractie-Van Gasteren voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat het is aanvaard.
Stemming Begroting Economische Zaken 2026
Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2026 (36800-XIII).
De voorzitter:
Dan stemmen wij over het wetsvoorstel 36800-XIII, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2026.
Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is het geval. De heer Panman van BBB.
De heer Panman i (BBB):
Voorzitter. Wij hebben zowel een stemverklaring voor de begrotingsstaten van EZ als voor die van KGG. Deze behandel ik in één keer. De BBB-fractie is uitermate terughoudend om in de Eerste Kamer tegen een begroting te stemmen. Met betrekking tot KGG concludeerde de Algemene Rekenkamer op 20 mei in zijn jaarverslag dat "het lastig te beoordelen is wat er met het geld uit het Klimaatfonds is bereikt. Ook de financiële verantwoording van de middelen uit het Klimaatfonds (de rechtmatigheid, betrouwbaarheid en ordelijkheid van de financiële informatie) is ondoorzichtig." Een soortgelijke conclusie trok de Rekenkamer ten aanzien van de EZ-begroting. De BBB-fractie oordeelt dat de begrotingsstaten van EZ en KGG wederom onduidelijk zijn waar het gaat om doelstellingen en de effectiviteit. Ook in deze begrotingen vinden we onvoldoende verband tussen uitgaven en resultaten. We hebben ook zorgen over de rechtmatigheid van bestedingen van middelen. De BBB-fractie heeft zorgvuldig afgewogen of ze de begrotingsstaten EZ en KGG kan steunen. Niet steunen brengt immers ook schade toe aan de effectiviteit van economisch beleid. Onder de aanname dat de bevindingen van de Rekenkamer ter harte worden genomen, zal de BBB-fractie toch voor de begrotingen stemmen.
De voorzitter:
Dank u wel.
Wij stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de ChristenUnie, het CDA, de SGP, D66, de VVD, de PVV, JA21, BBB, Fractie-Van de Sanden, 50PLUS, Fractie-Walenkamp, OPNL en Fractie-Van Gasteren voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de fracties van Volt, de SP, FVD, de PvdD, Fractie-Visseren-Hamakers en Fractie-Beukering ertegen, zodat het is aanvaard.
Stemming Begroting Klimaat en Groene Groei 2026
Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) voor het jaar 2026 (36800-XXIII).
De voorzitter:
Dan stemmen wij over het wetsvoorstel 36800-XXIII, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) voor het jaar 2026. Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is niet het geval.
We stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de ChristenUnie, het CDA, de SGP, D66, de VVD, BBB, Fractie-Van de Sanden, 50PLUS, OPNL en Fractie-Van Gasteren voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de fracties van Volt, de SP, FVD, de PvdD, de PVV, JA21, Fractie-Visseren-Hamakers, Fractie-Beukering en Fractie-Walenkamp ertegen, zodat het is aanvaard.
Stemming motie Wet strafbaarstelling conversiehandelingen
Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij de behandeling van het Voorstel van wet van de leden Paulusma, Becker, Westerveld, Dobbe en Kostić tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het strafbaar stellen van handelingen gericht op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit (Wet strafbaarstelling conversiehandelingen),
te weten:
-
-de motie-Schalk c.s. over het aanhouden van de behandeling tot na een extra voorlichting door de Raad van State (36178, letter I).
(Zie vergadering van 2 juni 2026.)
De voorzitter:
Dan stemmen wij over de motie 36178, letter I, de motie van het lid Schalk c.s. over het aanhouden van de behandeling tot na een extra voorlichting door de Raad van State.
Wenst een van de leden een stemverklaring over af te leggen? Dat is niet het geval.
Wij stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt de motie-Schalk c.s. (36178, letter I).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, FVD, de PVV, JA21, BBB, Fractie-Beukering en Fractie-Walenkamp voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, Volt, de ChristenUnie, het CDA, D66, de SP, de PvdD, de VVD, Fractie-Van de Sanden, Fractie-Visseren-Hamakers, 50PLUS, OPNL en Fractie-Van Gasteren ertegen, zodat zij is verworpen.
Stemming Wet strafbaarstelling conversiehandelingen
Aan de orde is de stemming in verband met het Voorstel van wet van de leden Paulusma, Becker, Westerveld, Dobbe en Kostić tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het strafbaar stellen van handelingen gericht op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit (Wet strafbaarstelling conversiehandelingen) (36178).
(Zie vergadering van 2 juni 2026.)
De voorzitter:
Ten slotte stemmen wij over wetsvoorstel 36178, het Voorstel van wet van de leden Paulusma, Becker, Westerveld, Dobbe en Kostić tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het strafbaar stellen van handelingen gericht op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit, ofwel de Wet strafbaarstelling conversiehandelingen. Er is vorige week om een hoofdelijke stemming gevraagd.
Wenst een van de leden een stemverklaring af te leggen? Dat is het geval. Mevrouw Bezaan van de PVV.
Mevrouw Bezaan i (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Dwang, intimidatie en psychische druk om iemands seksuele geaardheid of genderidentiteit te veranderen, wijst de PVV-fractie af. Mensen moeten vrij zijn om zichzelf te zijn. Juist daarom moet een strafwet helder en zorgvuldig zijn. Naar het oordeel van de PVV-fractie laat dit wetsvoorstel te veel ruimte voor interpretatie. Daardoor kunnen ook gesprekken, opvattingen en keuzes die onder de vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, gewetensvrijheid en ouderlijke verantwoordelijkheid vallen, onder druk komen te staan. Omdat volgens de PVV-fractie het strafrecht alleen mag worden ingezet bij duidelijke en scherp afgebakende normen, zal mijn fractie tegen dit wetsvoorstel stemmen; niet om dwang te legitimeren, maar om fundamentele vrijheden te waarborgen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Beukering van de Fractie-Beukering.
De heer Beukering i (Fractie-Beukering):
Voorzitter. Laat er geen misverstand over bestaan: gedwongen conversietherapie, vernedering, intimidatie of psychische druk op kwetsbare mensen wijs ik af. Niemand mag onder druk worden gezet om te worden wie hij of zij niet is. Juist daarom moet de wetgever heel precies zijn. Het strafrecht is het zwaarste instrument van de Staat. Dan moet glashelder zijn welk gedrag strafbaar is en waar de grens ligt. Bij dit wetsvoorstel is die helderheid er onvoldoende. Begrippen als "stelselmatig", "indringend", "onderdrukken" en "genderidentiteit" zijn naar mijn oordeel te ruim en te onzeker. Daardoor kunnen ook pastorale gesprekken, opvoedkundige keuzes, gewetensbezwaren en kritische opvattingen over genderidentiteit in een strafrechtelijke gevarenzone terechtkomen. De vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, gewetensvrijheid en ouderlijke verantwoordelijkheid zijn geen bijzaak, maar kernwaarden van onze rechtsstaat. Ook opvattingen die schuren, moeten in vrijheid kunnen worden uitgesproken. Daarom stem ik tegen dit wetsvoorstel; niet omdat ik dwang wil beschermen, maar omdat ik de vrijheid wil beschermen tegen een te ruim strafrecht.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Schalk van de SGP.
De heer Schalk i (SGP):
Voorzitter, dank u wel. De verwerpelijke conversiepraktijken die de indieners willen verbieden, zijn al strafbaar. Met deze wet wordt de term "conversietherapie" opgerekt, waardoor ook goede gesprekken in mentoraat of pastoraat eronder vallen, zodra deze als stelselmatig of indringend worden ervaren. Zelfs ouders kunnen strafbaar worden gesteld.
Door het debat werd voor mij duidelijk dat kinderen die twijfelen aan hun gender op alle leeftijden mogen starten met sociale transitie. Als 12-jarigen mogen ze starten met puberteitsremmers en vanaf 16 jaar mogen ze starten met hormoontherapie, waardoor hun lichaam onherstelbaar beschadigd wordt. Maar een minderjarige die worstelt met zijn genderidentiteit, mag niet om hulp vragen met het oogmerk te zijn zoals God het bedoeld heeft toen Hij in den beginne man en vrouw zeer goed geschapen heeft. Dat is de wereld op zijn kop. Deze wet zet kwetsbare jongeren in de kou. Daar werkt mijn fractie niet aan mee. De SGP zal dus tegenstemmen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik verzoek de leden zo dadelijk duidelijk hun stem met het woord "voor" dan wel "tegen" uit te brengen, zonder enige bijvoeging.
In stemming komt het wetsvoorstel.
Vóór stemmen de leden: Van Langen-Visbeek, Lievense, Van der Linden, Martens, Van Meenen, Meijer, Moonen, Musa, Nicolaï, Oplaat, Panman, Perin-Gopie, Petersen, Ramsodit, Recourt, Rietkerk, Van Rooijen, Roovers, Rosenmöller, Van de Sanden, Steenkamp, Straus, Thijssen, Van Toorenburg, Veldhoen, Visseren-Hamakers, Vogels, Vos, Van Wijk, Van Aelst-den Uijl, Van Apeldoorn, Bakker-Klein, Van Ballekom, Baumgarten, Van Bijsterveld, Bovens, Crone, Dittrich, Doornhof, Fiers, Van Gasteren, Van der Goot, Van Gurp, Hartog, Holterhues, Janssen, Janssen-van Helvoort, Jaspers, Kaljouw, Kanis, Karaaslan-Kilic, Karimi, Klip-Martin, Kluit, Koffeman, Kroon en Lagas.
Tegen stemmen de leden: Marquart Scholtz, Van den Oetelaar, Schalk, Van Strien, Talsma, Walenkamp, Beukering, Bezaan, Dessing, Goossen, Van Hattem, Huizinga-Heringa, Kemperman, Van Kesteren en Van Knapen.
De voorzitter:
Ik constateer dat dit wetsvoorstel met 57 stemmen voor en 15 stemmen tegen is aanvaard.
Hiermee zijn we gekomen aan het einde van de stemmingen. Ik schors de vergadering voor enkele ogenblikken, zodat u de initiatiefnemers kunt feliciteren.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII) voor het jaar 2026 (36800-XVII).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van de eerste termijn van de Kamer van de behandeling van het wetsvoorstel 36800-XVII, de vaststelling van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp voor het jaar 2026.
De beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van Strien van de fractie van de PVV.
De heer Van Strien i (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De begroting waar we vandaag over spreken kreeg een meerderheid in de Tweede Kamer dankzij de PVV, JA21, 50PLUS en Mona Keijzer. De minister was ervan op de hoogte dat deze oppositiepartijen fel gekant zijn tegen extra geld voor UNRWA en ze stemden dan ook alleen voor de begroting nadat het amendement-Kröger/Teunissen over het structureel verhogen van de bijdrage aan de VN-organisatie UNRWA naar 19 miljoen euro met 118 van de 150 stemmen, een overgrote meerderheid, werd verworpen.
De weerstand van de PVV tegen UNRWA — andere partijen zullen wel voor zichzelf spreken — is niet alleen gelegen in het feit dat we bezwaar hebben tegen een erfelijke steun aan de Palestijnen, één groep dus, maar is ook ingegeven door de onthullingen van de betrokkenheid van UNRWA-medewerkers bij de terreuraanslagen van Hamas op Israël op 7 oktober 2023. Van de negentien personen die door een VN-bureau van intern toezicht aan een intern onderzoek werden onderworpen, zijn er slechts negen ontslagen. Voor de overige tien verdachten gold geen ontslag, omdat het bewijs daarvoor te mager bevonden werd. Zij mochten aanblijven. "Een paar rotte appels", noemde de leiding van de VN-hulporganisatie voor de Palestijnen de berichten over haar medewerkers die actief zijn voor Hamas en zelfs actief deelnamen aan het bloedbad van 7 oktober 2023. Inmiddels is bekend dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken maar liefst 1.500 UNRWA-medewerkers onderzoekt wegens banden met de terreurbeweging en wordt overwogen om UNRWA aan te wijzen als terroristische organisatie. Dat is niet omdat daar niets aan de hand zou zijn. Van het bloedbad van 7 oktober 2023 kennen we inmiddels details die te gruwelijk zijn om hier aan te halen. Deelname van een substantieel aantal UNRWA-medewerkers hieraan kan en mag dan ook niet leiden tot extra geld voor deze organisatie.
De stemming in de Tweede Kamer was echter nog maar juist geweest of minister Sjoerdsma van Ontwikkelingssamenwerking trok toch maar gelijk de portemonnee voor UNRWA. Het boeide hem kennelijk niet dat de Tweede Kamer hier faliekant op tegen was. Sjoerdsma is de grote minister die er wel even voor zou zorgen dat deze organisatie dit jaar toch 19 miljoen euro krijgt. Dat is 8 miljoen meer dan gepland. Het extra geld voor UNRWA was een duidelijk gebaar aan links Nederland. Kennelijk hoopte de minister hiermee misschien hun steun voor zijn begroting in de Eerste Kamer te krijgen. Maar dat bleek niet genoeg. De linkse partijen wilden eigenlijk de koppeling van 0,7% van het nationaal inkomen aan ontwikkelingshulp terug, zodat er naast de reusachtige aanslagen op de begroting door asiel, klimaat en defensie nog een paar miljard extra uitgegeven zou worden, waardoor de belastingbetaler, de hardwerkende Nederlander, en het bedrijfsleven nog verder op een houtje kunnen bijten en het land nog verder uitgekleed zou worden.
Daarom is er nu een dealtje gesloten dat de totale begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor 2026 met 380 miljoen euro verhoogt. Daarvan komt 202 miljoen uit middelen die eigenlijk pas in 2031 beschikbaar zouden komen. De overige 178 miljoen euro komt uit potjes voor 2028 en 2029, maar die zullen ongetwijfeld nog aangevuld moeten worden. Voor de gewone Nederlander is niets mogelijk. Om de VVD mee te krijgen in wat Wouter de Winther in De Telegraaf treffend "creditcardboekhouden" noemt, krijgen zij een terreurwetje toegestopt.
Voorzitter. De PVV vindt het gesjoemel van deze minister en dit kabinet schandalig. We zien achterkamertjespolitiek en schaduwdealtjes met PRO, of hoe ze zichzelf ook noemen, waarmee 380 miljoen extra wordt vrijgemaakt voor corrupte derdewereldlanden, terwijl jongere Nederlanders geen huur- of koophuis kunnen vinden, waardoor ze geen fatsoenlijk bestaan kunnen opbouwen en terwijl hun ouders de boodschappen en de energierekening niet kunnen betalen. Dat alles is voor de PVV onaanvaardbaar. Deze operatie vindt ook nog plaats door geld in te zetten dat eerst nog moet binnenkomen. Er wordt geld uitgegeven dat er gewoonweg niet is en dat zelfs uit de begroting van een volgend kabinet moet komen. "Progressief" heet dat: gaten vullen met een doorschuifsysteem.
Voorzitter. De VVD hobbelt er weer achteraan. Verantwoord begroten wordt deze keer ingeruild voor de kans op steun van D66 voor een terreurwet. We moeten nog zien hoe dit uitpakt, maar de PVV zal in ieder geval tegen deze begroting stemmen. Ik wil bij dezen gelijk aankondigen dat wij bij deze begroting ook om een hoofdelijke stemming vragen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Schalk van de SGP.
De heer Schalk i (SGP):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Vele eeuwen geleden was er een sociaal vangnet voor de allerarmsten, eigenlijk op een heel eenvoudige manier. Een boer mocht de hoeken van zijn land niet maaien. Alles wat op het land vergeten werd of wat een beetje afzijdig stond, moest hij laten staan. Dat kon verzameld worden door de armen. Het is een mooi Bijbels beeld. Daar zat ook nog een heel mooie sociale controle op, want de hele goegemeente kon zien of je je aan dat gebod hield en op welke wijze je aan die opdracht gestalte gaf: een beetje karig of ruimschoots. U ziet het voor u: een rijke boer die zijn knechten de opdracht gaf om een mooi stukje tarwe te laten staan of de nog rijkere boer die krap langs de hoeken van zijn land maaide en daarmee zogenaamd aan de opdracht had voldaan. Aan dat laatste moest ik denken bij de karige manier waarop we in Nederland omgaan met het zogenoemde ODA-budget, waarop ik mijn inbreng wil toespitsen.
Het hoofddoel van ODA is de verbetering van de economische ontwikkeling en welvaart van ontwikkelingslanden, vastgesteld met de ODA-landenlijst. De internationale afspraak om te streven naar een minimumpercentage van 0,7 van het bruto nationaal inkomen staat sinds 1970. Het gaat hier dus om een internationale afspraak. Het is op z'n minst een schande dat Nederland als een van de rijkere landen van de wereld deze afspraak niet nakomt, maar het is ook gewoon karig. Wat is dat toch hier in Nederland? We hebben vaak de mond vol over anderen, maar door onszelf wordt een internationale afspraak niet gehandhaafd.
Laten we eens kijken naar toen, naar vorig jaar, en naar het nu van vandaag. Toen werden er grote woorden gesproken, onder anderen door mevrouw Karimi van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ik citeer: "Dit is een beschamende uitholling van rechtvaardigheid en solidariteit uit welbegrepen verlicht eigenbelang". Vandaag zou ze kunnen zeggen: dit is een beschamende uitholling van rechtvaardigheid en solidariteit uit welbegrepen verlicht partijbelang.
En nu? Nu ligt er een brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking met een nadere toelichting op de afspraken die het kabinet met GroenLinks-Partij van de Arbeid heeft gemaakt over de BHO-begroting voor 2026. Toen heeft de SGP een motie ondersteund van de ChristenUnie met als dictum: "verzoekt de regering de huidige systematiek, waarbij het ODA-budget gekoppeld is aan het bni, structureel te waarborgen."
En nu? Nu is de koppeling niet hersteld, maar is er een truc verzonnen om eenmalig het gat te dichten, een soort wanhoopspoging om de begroting door de beide Kamers te trekken. Toen heeft de fractie van de SGP, bij monde van mijn collega Marc de Vries, hier ook een stevig punt van gemaakt. We hebben de begroting destijds met hangen en wurgen gesteund, maar wel met de boodschap van mijn collega dat als de koppeling niet zou worden hersteld, we de komende begroting niet zouden kunnen steunen. En nu? Nu is die koppeling niet hersteld, maar wordt er een exercitie uitgevoerd die het voor de komende jaren nóg moeilijker maakt om de koppeling te herstellen.
Toen is de begroting uiteindelijk gesteund, overigens na hoofdelijke stemming, met 44 stemmen voor, van SGP, CDA, PVV, FVD, VVD, JA21, BBB en 50PLUS; je zou kunnen zeggen de rechterflank. Er waren destijds 31 stemmen tegen van de linkerflank, met OPNL, GroenLinks-Partij van de Arbeid, D66, Volt, SP, Partij voor de Dieren en ChristenUnie. Hoe dan ook, toen heeft de waarschuwing geklonken: koppeling terug, want anders hebben we volgend jaar een probleem. En nu? Welnu, die koppeling is niet terug. Ik ben dus benieuwd wat al die fracties nu gaan doen, zeker die vorig jaar zelfs al tegen hebben gestemd, met vaak grote woorden en diepe verwijten.
Mevrouw de voorzitter. Het lijkt erop dat GroenLinks-Partij van de Partij bereid is om een deal te sluiten met een eenmalige kasschuif. We hebben een compleet overzicht gezien van waar het geld vandaan wordt gepulkt. Het is allemaal toekomstig geld dat naar voren wordt gehaald om nu maar een begroting door beide Kamers te halen. Zo wordt er 178 miljoen uit Oekraïnesteun gehaald die in 2028/2029 zou worden verstrekt. Verder valt ook de Ukraine Partnership Facility van 17 miljoen op en het evangeliseren, nee, het "egaliseren", niet het "evangeliseren" — dat is weer heel wat anders — dus het egaliseren van de wisselkoersreserve van 33 miljoen binnen het ODA-budget. Dat wordt uit latere jaren gehaald. Er wordt dus 228 miljoen uit het toekomstige ODA-budget gehaald en dit jaar slechts 152 miljoen toegevoegd. Op die bezuiniging van 319 miljoen van vorig jaar is dit natuurlijk een schijntje.
Klopt het, vraag ik aan de minister, dat er ogenschijnlijk een deal van 380 miljoen ligt maar 228 miljoen hiervan een greep uit de toekomstige kas is? Het totale budget wordt vrijgemaakt uit verscheidene potjes door de kasschuiven. Maar, vraag ik aan de minister, dat is toch gewoon allemaal toekomstig geld? Hoe gaat de minister in de toekomst dat gesprek aan? Krijgt hij dan te horen: ja, je hebt het geld al in 2026 uitgegeven, dus dit jaar krijg je minder? Wat als dit kabinet, dat nog niet echt op stoom lijkt te komen, voortijdig aan zijn eind komt? Kortom, het geld van nu komt uit de potjes van morgen. Hiermee creëren we een schuifkabinet.
Als dit kabinet die boer was uit de oudheid, dan zei het kabinet vorig jaar tegen de armen: ik maai dit jaar zelf twee van de vier hoeken af. Dit jaar zegt het kabinet: ik maai weer zelf twee hoeken af, maar ik geef één hoek terug uit het graan dat ik volgend jaar wellicht zal gaan oogsten; dan heb ik dus drie hoeken te maaien. Dat snapt toch niemand meer?
Voorzitter. Een ander heikel punt is het UNRWA-geld. Hoe zit dat nu precies? Klopt het dat de minister in september bij de suppletoire begroting zal voorstellen om alsnog geld voor deze omstreden UNRWA te reserveren? Het lijkt mij uiterst onverstandig dat de minister met een dergelijk voorstel komt. Hij zit nu al in een penibele situatie met het ODA-budget en lag onder vuur vanwege dat UNRWA-budget. Zou het niet, zeg ik tegen de minister, verstandiger zijn om rust in deze portefeuille terug te brengen?
Mevrouw de voorzitter. Ik ben benieuwd naar de antwoorden van de minister. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Koffeman van de Partij voor de Dieren.
De heer Koffeman i (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. We leven in tijden van hoop en vrees, niet alleen bij het wereldkampioenschap, maar ook bij het smeden van meerderheden om voorstellen van het minderheidskabinet toch van voldoende steun te verzekeren. De overeenkomst is de hit van Rob Kemps van de Snollebollekes: van links naar rechts, naar rechts, naar rechts, naar links. De minister heeft zich van de steun voor deze begroting proberen te verzekeren bij verschillende politieke flanken, maar ideaal lijkt dat niet te zijn. Het kabinet creëert een zelfbenoemde parallelle werkelijkheid: er is een deal met de VVD voor een wetsvoorstel om de verheerlijking van terrorisme strafbaar te stellen en een kasschuif voor een groter budget voor ontwikkelingssamenwerking als voorschot op een onzekere toekomst. Vorige week zei de minister in de Tweede Kamer dat die schaduwdeal geen onderdeel was van de afspraken met PRO. Schriftelijk laat hij weten het daarbij te houden. Volgens vicepremier en VVD-leider Yeşilgöz is er geen link tussen beide zaken en is er ook geen uitruil geweest. Het gebeurde alleen in hetzelfde timeframe, parallel en tegelijk. Wat is de waarheid? Mijn fractie gelooft niet in parallelle werkelijkheden. Tegelijkertijd zijn er partijen in dit huis die de begroting zeggen te steunen op basis van een deal die volgens het kabinet niet bestaat. Mijn fractie wil graag van de minister weten hoe het nou zit.
Voorzitter. Laveren heeft zijn grenzen. Wat de Partij voor de Dieren betreft vraagt de politiek niet om steeds weer naar links of naar rechts te bewegen, maar om koersvastheid en om een heldere visie op wat Nederland in de wereld wil betekenen waaraan wordt vastgehouden. Juist die koersvastheid mist de fractie van de Partij voor de Dieren in deze begroting. Die spanning zien we ook terug in de manier waarop ontwikkelingssamenwerking steeds nadrukkelijker wordt ingezet als instrument van migratiebeleid. Door ontwikkelingsgeld te gebruiken voor opvang in de regio en zelfs voor terugkeerhubs, blijft er minder geld over voor de oorspronkelijke doelstelling van ontwikkelingssamenwerking, namelijk het bestrijden van armoede, het versterken van bestaanszekerheid en het voorkomen van conflicten.
Voorzitter. Er bestaat nog veel onduidelijkheid over de plannen voor de terugkeerhubs. Heeft de minister nu wel of geen plannen om terugkeerhubs te realiseren? Ik wil liever geen reflectie daarop in termen van: ja, maar voor dit jaar zijn ze er nog niet. Ik wil graag horen wat de plannen voor de terugkeerhubs zijn. Het vorige kabinet probeerde die alsnog te realiseren in Oeganda. Welke concrete plannen heeft dit kabinet en met welke andere Europese landen wordt daaraan gewerkt?
Voorzitter. De fractie van de Partij voor de Dieren maakt zich zorgen over het opvangen van afgewezen asielzoekers buiten de EU, niet alleen omdat daarmee ontwikkelingsbudgetten worden ingezet voor een ander doel dan waarvoor ze bedoeld zijn, maar ook omdat dergelijke constructies fundamentele vragen oproepen over mensenrechten, rechtsbescherming en vrijwilligheid. Nederland presenteert zich internationaal als verdediger van mensenrechten. Hoe verhoudt dat zich tot de plannen waarbij mensen buiten Europa worden ondergebracht in terugkeerhubs, waarvan de juridische en humanitaire waarborgen allerminst duidelijk zijn? We weten dat in Oeganda op homoseksualiteit de doodstraf staat. Kan de minister uitleggen hoe dergelijke plannen verenigbaar zouden kunnen zijn met de mensenrechtenverplichtingen die Nederland zegt te verdedigen?
Voorzitter. Een tweede zorg betreft de financiële onderbouwing van deze begroting. Het kabinet maakt gebruik van kasschuiven en haalt budgetten uit de toekomst naar voren om problemen van vandaag op te lossen. Maar "wie dan leeft, wie dan zorgt" is geen solide vorm van besturen. Ontwikkelingssamenwerking vraagt juist om langdurige commitment en betrouwbaarheid. Partners kunnen geen gezondheidszorg opbouwen, natuur beschermen of onderwijs verzorgen op basis van tijdelijke kunstgrepen. De vraag aan de minister is daarom hoe hij voorkomt dat deze begroting een voorschot neemt op een toekomst die financieel allerminst zeker is.
Voorzitter. De kern van onze zorg betreft de voortdurende afbraak van het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking maakt de wereld uiteindelijk onveiliger. Wie investeringen in voedselzekerheid, gezondheidszorg, onderwijs, klimaatadaptatie en conflictpreventie terugschroeft, vergroot de kans op instabiliteit, humanitaire crises en gedwongen migratie. Wat de fractie van de Partij voor de Dieren verbaast, is dat ontwikkelingssamenwerking wordt behandeld als een kostenpost, terwijl preventie juist buitengewoon effectief zou kunnen zijn om grote kosten in de toekomst te vermijden. Iedere euro die wordt geïnvesteerd in conflictpreventie levert een veelvoud daarvan op aan vermeden kosten voor oorlog, humanitaire hulp, wederopbouw, opvang van vluchtelingen en veiligheidsmaatregelen. Waarom kiest het kabinet er dan voor om juist te bezuinigen op een van de meest effectieve instrumenten die we hebben om conflicten en instabiliteit te voorkomen? Het zijn juist landen als Rusland en China die hun geopolitieke macht vergroten door in de gaten te springen die wij op een continent als Afrika laten ontstaan. Ontwikkelingssamenwerking is geen liefdadigheid. Het is verstandig veiligheidsbeleid. "Welbegrepen eigenbelang" zou Alexis de Tocqueville dat noemen.
Voorzitter. Daarmee kom ik op de koppeling tussen het ODA-budget en het bruto nationaal inkomen. De Kamer heeft zich inmiddels driemaal uitgesproken voor het herstel van die koppeling: eerst via de motie-Huizinga-Heringa in deze Kamer, vervolgens via de motie-Hirsch in de Tweede Kamer en daarna via de motie-Holterhues opnieuw in deze Kamer. Toch blijkt uit de antwoorden van de minister op schriftelijke vragen dat het kabinet ervoor kiest deze moties niet uit te voeren. Als de minister ze niet uitvoert, kan hij dan duidelijkheid geven waarom hij ze niet uitvoert? De koppeling wordt niet structureel hersteld en de extra bezuiniging die voortvloeit uit de gewijzigde berekeningsmethode blijft overeind. Daardoor verdwijnen de komende jaren opnieuw honderden miljoenen euro's uit het ontwikkelingsbudget.
Waarom legt het kabinet drie expliciete uitspraken van het parlement naast zich neer? Welke argumenten zijn volgens de minister zo zwaarwegend dat hij afwijkt van een wens die inmiddels meermaals door beide Kamers is bevestigd? Waarom houdt het kabinet zich wel aan de NAVO-norm van 5% van het bruto nationaal product? Die vraag stelde ik ook al tijdens een interruptie aan collega Karimi. De samenstellende partijen van haar partij zouden zo'n verhoging van de NAVO-norm in het verleden altijd hebben veroordeeld en zouden altijd hebben vastgehouden aan de OESO-norm van 0,7%. Is de minister het met mijn fractie eens dat dit een politieke keuze is? Kan hij daarop reflecteren, ook in termen van vrede en veiligheid?
Voorzitter. Deze keuze komt bovendien op een bijzonder ongelukkig moment. De forse bezuinigingen op USAID door president Trump hebben wereldwijd geleid tot het wegvallen van programma's voor gezondheidszorg, voedselhulp, ziektebestrijding en humanitaire ondersteuning. Juist in kwetsbare regio's zijn daardoor gaten ontstaan in de bestrijding van infectieziekten. Bij voorbaat werd er door wetenschappers al gewaarschuwd voor een ebola-uitbraak, en kijk waar we nu staan: we zijn zover. Tegelijkertijd bezuinigt het kabinet ook in Nederland op pandemische paraatheid. Is de minister van mening dat ontwikkelingslanden voldoende worden beschermd tegen infectieziekten als ebola, cholera, tyfus en mpox, en geldt dat ook voor Nederland? Graag een reactie.
Voorzitter. Daarnaast maakt de fractie van de Partij voor de Dieren zich zorgen over de bezuinigingen op diplomatie en consulaire dienstverlening. Minister Klever bezuinigde daar de afgelopen jaren 10% op. Hoogleraar humanitaire studies Thea Hilhorst zei daarover vorig jaar in een deskundigenbijeenkomst: als je een ei hebt geklutst, kun je het niet meer ontklutsen. Oftewel: als ambassades worden gesloten, consulaten verdwijnen, lokale medewerkers vertrekken en netwerken worden afgebroken, gaat er veel meer verloren dan alleen een begrotingspost. Dan verdwijnen kennis, contacten en vertrouwen die soms tientallen jaren hebben gekost om op te bouwen. Dat herstel je niet eenvoudig door later opnieuw geld beschikbaar te stellen. Kan de minister daarom aangeven hoeveel er de komende jaren precies wordt bezuinigd op diplomatieke en consulaire dienstverlening? Welke ambassades, consulaten-generaal of andere posten worden geraakt? Waarom is juist voor deze locaties gekozen, en welke eerder aangekondigde bezuinigingen zijn inmiddels teruggedraaid of worden teruggedraaid? Graag een toelichting.
Voorzitter. Dan het handelsbeleid. De fractie van de Partij voor de Dieren maakt zich zorgen over het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Mercosur. De Europese Commissie heeft via een opsplitsing van het akkoord delen van het verdrag al op 1 mei voorlopig in werking laten treden, zonder de goedkeuring van het Europees Parlement of het oordeel van het Europees Hof van Justitie af te wachten. Wat vindt de minister van deze gang van zaken? Deelt hij de opvatting dat een handelsverdrag met zulke verstrekkende gevolgen voor landbouw, natuur, klimaat, dierenwelzijn en mensenrechten alleen legitimiteit kan hebben wanneer er sprake is van volledige democratische controle en parlementaire betrokkenheid? Kan de minister toezeggen dat Nederland zich binnen de Europese Unie zal verzetten tegen iedere poging om parlementaire goedkeuring te omzeilen of democratische controle te beperken?
Tot slot een laatste vraag over Oekraïne. Er wordt gesproken over "niet-militaire steun" aan Oekraïne, maar we dragen eerder bij aan escalatie dan aan de-escalatie van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne. Hoe zinvol is het in dat geval om extra geld voor wederopbouw te leveren? Of gaat het kabinet, naast het bieden van wapensteun, zich ook actief inzetten voor vredesbesprekingen en de-escalatie? Graag een toelichting van de minister. De Partij voor de Dierenfractie pleit met nadruk voor niet-militaire steun in de meest letterlijke zin van het woord.
Voorts zijn wij van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.
De heer Hartog i (Volt):
Toch een verduidelijkende vraag over Mercosur. De heer Koffeman lijkt het idee te creëren dat er geen democratische controle zou zijn op het Mercosur-akkoord. Is de heer Koffeman het met mij eens dat dit geen probleem van democratische controle is, maar gewoon een voorlopige inwerkingsstelling van het handelsgedeelte? Dat is namelijk iets anders dan het opsplitsen van een akkoord.
De heer Koffeman (PvdD):
Ja, ik ben het met u eens dat het een voorlopige inwerkingtreding van het handelsgedeelte is, maar ik ben het niet met u eens dat dat geen democratische controle zou behoeven. Ik denk dat zo'n akkoord goedgekeurd zou moeten worden door de parlementaire instituties in plaats van dat het al voorlopig in werking zou moeten treden.
De heer Hartog (Volt):
De heer Koffeman weet dat dit gewoon een prerogatief is van de Commissie, dat democratisch is gegeven aan de Commissie via de gebruikelijke handelsprocedures. Dus stelt de heer Koffeman dan voor dat we over het verdrag moeten gaan onderhandelen, zodat dit veranderd wordt?
De heer Koffeman (PvdD):
Tja, wat mij betreft zou dat verdrag niet door moeten gaan, want ik zie daar vooral nadelen in, maar daar ga ik niet in m'n eentje over. Het lijkt mij goed om dat verdrag in z'n geheel te laten beoordelen door het Europees Parlement en het dan pas wel of niet in te voeren. En het lijkt me goed om het niet een beetje in te voeren.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Hartog.
De heer Hartog (Volt):
Mijn vraag was niet duidelijk. Het gaat mij dus niet om het Mercosur-verdrag, maar om de democratisch vastgestelde procedures die gewijzigd zouden moeten worden. Daar is dan waarschijnlijk ook weer een verdragsverandering van de EU voor nodig. Dat betreft dus niet Mercosur. Is dat wat de heer Koffeman wenst?
De heer Koffeman (PvdD):
Ik denk dat ook in EU-verband parlementaire controle de boventoon zou moeten voeren. Dat is in dit geval niet zo.
Mevrouw Moonen i (D66):
Is de heer Koffeman het met de fractie van D66 eens dat eigenlijk het vorige kabinet zwaar heeft bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking?
De heer Koffeman (PvdD):
Zeker.
Mevrouw Moonen (D66):
Mooi.
De heer Koffeman (PvdD):
Wij waren daar een groot tegenstander van.
Mevrouw Moonen (D66):
Ja, wij ook. Wij hebben destijds dus ook tegen die begroting gestemd. Is de heer Koffeman het ook met mij eens dat deze minister — we kunnen het nog hebben over de mate waarin — in ieder geval pogingen onderneemt om een deel van die bezuiniging teniet te doen? U gaat daar namelijk niet op in, valt mij op, terwijl die voorbeelden er wel zijn.
De heer Koffeman (PvdD):
Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Alleen, ik kan me er minder bij voorstellen dat D66, zoals ook werd aangestipt door collega Hartog, in de vorige periode bij een hoofdelijke stemming met nadruk afstand nam van het beleid dat nu eigenlijk gesteund wordt. Men zegt: de steun van D66 maar ook van PRO is nodig voor een aantal essentiële zaken in de begroting; dat geldt zowel voor een NAVO-norm van 5% als voor een ODA-budget van 0,7% van het bruto nationaal product. De D66-fractie heeft het dus nu in handen om af te dwingen dat er ten minste 0,7% structureel naar de allerarmsten gaat. Maar als je nu akkoord gaat met een lapmiddel, zodat er volgend jaar een nieuwe discussie moet ontstaan over wel of geen 0,7%, met een verwachte uitkomst van "geen 0,7%", dan denk ik dat je nu slecht werk levert.
Mevrouw Moonen (D66):
Ik ga hier zo dadelijk in mijn betoog op in.
De heer Koffeman (PvdD):
Ik zie daarnaar uit. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Ballekom van de VVD.
De heer Van Ballekom i (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Voordat ik begin aan mijn inbreng, even een woordje vooraf. Ik ben vanochtend bewust niet ingegaan op de ongepaste en oneigenlijke aantijgingen richting mijn partij. Ik ben ook niet ingegaan op opmerkingen die selectieve verontwaardiging tentoonspreiden. Gelukkig heeft de heer Beukering daar aandacht voor gevraagd. Maar het stilzwijgen van mij betekent niet dat ik daarmee instem; absoluut niet. Ik vind het ongepast.
Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):
Ik neem aan dat u bedoelt dat de drie onderwerpen die ik in mijn betoog heb genoemd, volgens de VVD bezijden de waarheid zijn. Of bedoelt u iets anders?
De heer Van Ballekom (VVD):
Ik bedoel het in meer algemene zin, mevrouw.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
"Algemene zin" is een beetje te breed; daar kun je geen debat over voeren. Ik heb drie punten naar voren gehaald. De leider van uw partij en ook de woordvoerder in de Tweede Kamer hebben daarover gesproken. Daar kunt u ook gewoon rapporten, notulen en alles over lezen. Welk van die drie onderwerpen is bezijden de waarheid?
De heer Van Ballekom (VVD):
Mag ik voortgaan met mijn betoog, voorzitter?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
U begint met te zeggen dat er iets ongepast is, en als we duidelijkheid vragen over wat ongepast is, geeft u geen antwoord. Zo kennen wij de VVD niet.
De heer Van Ballekom (VVD):
Uw opmerkingen behoeven geen antwoord, mevrouw.
Voorzitter. Ik kan mij niet aan de indruk ont…
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dan moet ik de conclusie trekken dat blijkbaar alles wat ik gezegd heb correct is, dat uw zwijgen inderdaad instemmen is en dat u er geen antwoord op heeft.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Van Ballekom (VVD):
Mag ik mijn betoog beginnen?
Voorzitter. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit debat deels is veroorzaakt door de gang van zaken in de Tweede Kamer. Maar het evangelie van Johannes, hoofdstuk 8, vers 7, leert ons: wie zonder zonden is, werpe de eerste steen. Het besluitvormingsproces aan het Bezuidenhout verdiende niet de schoonheidsprijs. Maar goed, de minister, die de VVD overigens van harte welkom heet in deze Kamer, heeft daarvoor uitgebreid zijn excuses aangeboden. En dan zeggen we bij de VVD: zand erover, we drinken een biertje en we gaan over tot de orde van de dag.
Voorzitter. Wat is dan die orde van de dag? Wat is dan de visie van mijn partij op deze orde? Dat is klip-en-klaar: je bezuinigt niet op humanitaire noodhulp aan instanties zoals UNICEF, het Rode Kruis en het Wereldvoedselprogramma, want dan zak je door het ijs. Ook de bevolking in Gaza kan wat hulp gebruiken, in mijn visie en in de visie van mijn partij, maar daar moeten dan wel condities aan verbonden worden. De noodhulp moet de bevolking ten goede komen en niet in handen komen van terroristische organisaties zoals Hamas. De vraag aan de minister is hoe dat het beste verzekerd kan worden.
Voorzitter. Dan specifiek over UNRWA. De minister heeft gesteld dat de hulp onder voorwaarden wordt hervat en dat extra controles worden ingevoerd. Wat zijn dan die voorwaarden en wat houden die extra controles in? Als het geld besteed wordt aan voedsel, gezondheidszorg en medische noodhulp, dan heeft mijn partij al heel wat minder zorgen. Maar UNRWA verzorgt ook onderwijsprogramma's, en als je daar kennis van neemt, dan word je niet vrolijk; dat kan ik iedereen verzekeren. Graag een specifieke reactie van de minister. Is hij bereid de extra gelden die worden uitgetrokken op een alternatieve manier te besteden als deze zekerheden niet kunnen worden gegeven? Een alternatieve besteding zou kunnen zijn: het Rode Kruis of het Wereldvoedselprogramma.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Ik stond al een tijdje bij de interruptiemicrofoon. Over UNRWA zullen we het ook niet eens worden, maar ik wil even terug naar een eerder moment in het betoog van de heer Van Ballekom. Het was mij overigens niet duidelijk op wie hij doelde in het begin van zijn betoog, toen het ging over bepaalde opmerkingen die gemaakt waren. Maar goed, dat laten we eventjes voor wat het is. De heer Van Ballekom had het ook over wat er aan de overzijde is gebeurd, wat dan te maken zou hebben met het debat van vandaag. Het heette overigens ooit "de overzijde", maar dat is al enige tijd niet meer het geval. Dat is de Tweede Kamer. Van mevrouw Karimi hoorde ik vanmorgen dat de Eerste Kamerfractie van GroenLinks-PvdA ook betrokken was bij de deal tussen PRO en het kabinet, of daar in ieder geval van op de hoogte was. Geldt dat ook voor de VVD-fractie in de Eerste Kamer?
De heer Van Ballekom (VVD):
Dat zou ik niet weten: of wij bij die deal betrokken waren. Ik ben geconfronteerd met wat nu voorligt en daar heb ik een mening over.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Nou, ik neem aan dat als de VVD-fractie in de Eerste Kamer ervan op de hoogte was, u het wel zou weten. Daarom vroeg ik het net. Ik begrijp dus dat u daar niet van op de hoogte was, maar dat u het nu doet met wat voorligt. Het was in ieder geval niet een deal waar ook de VVD-fractie in de Eerste Kamer bij betrokken was?
De heer Van Ballekom (VVD):
Ik ben daar persoonlijk niet bij betrokken geweest. Nee, absoluut niet.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Van Apeldoorn.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ja, tot slot. Dat geldt ook voor de zogenaamde schaduwdeal, die gaat over het voortzetten van de wet die zou moeten leiden tot strafbaarstelling van terrorismeverheerlijking?
De heer Van Ballekom (VVD):
Ik ga alleen maar in op de begroting en ik ga niet in op mogelijke wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht om iets op een gegeven ogenblik strafbaar te stellen. Dat is een ander debat in een andere context. Ik wil me dus beperken tot het debat dat we vandaag voeren.
De voorzitter:
U zet uw betoog voort.
De heer Van Ballekom (VVD):
Ik heb het voldoende gehad over de noodhulp en de hulp aan de noodlijdende bevolking in Gaza.
Voorzitter. Dan de omvang van de begroting. Die is volgens mijn partij minder relevant. Wereldwijd voldoen slechts vier landen aan de norm van 0,7% van het bni. Het gemiddelde ligt op 0,26% en daar zitten en blijven wij ruim boven, maar daar gaat het mijn partij helemaal niet om. Het gaat mijn partij om de resultaten die geboekt kunnen worden. Daarbij wil ik drie punten naar voren brengen.
Dit is al sinds jaar en dag de focus van het liberale beleid: trade instead of aid. Vandaar ook dat de VVD zo ingenomen is met de combinatie Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. De bevordering van de wereldhandel en het afsluiten van multilaterale handelsverdragen levert een win-winsituatie op. Als bijvoorbeeld Afrikaanse landen producten willen verkopen aan de Unie, dan hebben wij daar kennelijk behoefte aan en hebben zij kennelijk wat te bieden. Het stimuleert de economie in beide richtingen, ook omdat Nederland heel wat te bieden heeft, wellicht niet aan dezelfde landen maar in het algemeen. Het blijft overigens niet beperkt tot economische stimulering. Er zijn ook veel andere positieve bijeffecten, zoals verbetering van de kwaliteit van wetgeving en versterking van de middenklasse, om twee voorbeelden te noemen.
Voorzitter. In dit verband hoor ik overigens weinig kritiek meer over de plofkippen en de zo gevreesde desastreuze effecten van het CETA-verdrag, dat wij met zo veel moeite in deze Kamer hebben geratificeerd. Dat is gebeurd met behulp van de heer Koole van de Partij van de Arbeid, waarvoor ik nogmaals onze hartelijke dank aan hem wil uitspreken, aan hem persoonlijk. Ik ben er nog steeds erg trots op dat het ons destijds gelukt is dit proces in deze Kamer af te ronden. Ik zou er niet aan moeten denken de Canadezen van ons te vervreemden, zeker niet in de huidige internationale turbulente omstandigheden. Eén les, minister: we moeten streven naar pure handelsverdragen zonder noodzakelijke ratificatie in meer dan 40 Europese parlementen. Want er is altijd wel een parlement dat partijbelang laat prefereren boven het landsbelang of het belang van de Unie. Die criticasters schieten zich natuurlijk zelf in de voet, meneer Hartog. Met de gemengde verdragen is namelijk ook geprobeerd om elementen zoals milieubeleid en consumentenbescherming te koppelen aan een handelsbeleid. Maar ja, het is kennelijk problematisch voor sommigen; irrationele politieke kortzichtigheid kan ongewenste resultaten opleveren.
Dan kom ik bij het tweede punt naast de handel: de betalingsbalanssteun. Het Nederlandse …
De voorzitter:
Nog even op dit punt, de heer Hartog.
De heer Hartog i (Volt):
Ik probeer toch de feiten een beetje te corrigeren. De heer Van Ballekom heeft het namelijk over gemengde verdragen. Dan gaat het over elementen die wel handel zijn en elementen die niet handel zijn. De voorbeelden die hij noemt, sociale zaken en milieuzaken, zijn onderdeel van het handelspolitieke deel van het verdrag. Ik begrijp dus eerlijk gezegd niet wat de heer van Ballekom bedoelt met die scheiding. Is de heer Van Ballekom het dan met mij eens dat als er aparte handelsverdragen zullen zijn, er ook milieucomponenten en sociale componenten in zullen zitten?
De heer Van Ballekom (VVD):
Als het gemengde verdragen zijn die ratificatie behoeven in 40 nationale parlementen, moeten we dat zo veel mogelijk zien te voorkomen.
De heer Hartog (Volt):
Ik denk dat ik gewoon constateer dat de heer Van Ballekom ernaast zit, want gemengde verdragen gaan over investeringen en andere dingen, niet over milieu en sociale zaken. Die laatste zijn onderdeel van de handelsverdragen. We hebben het vaak over handel en milieu, handel en sociale zaken. De heer Van Ballekom staat toe dat er ook milieuelementen in de pure handelsverdragen zullen zitten.
De heer Van Ballekom (VVD):
Mag ik daarop reageren met een tegenvraag?
De voorzitter:
Dat kan nog.
De heer Van Ballekom (VVD):
Waarom hebben wij hier dat CETA-verdrag moeten ratificeren? Omdat het niet een puur handelsverdrag is. We moeten dat zien te voorkomen, omdat het wel eens mis kan gaan in een van die 40 Europese parlementen. Sommige landen hebben meer dan één parlement. Het land dat ik heel goed ken, heeft er zelfs vijf.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Van Ballekom (VVD):
Ik was bij de betalingsbalanssteun. Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid moet zich niet bezighouden met betalingsbalanssteun en begrotingssteun. Wij hebben de expertise noch het ambtelijk apparaat om te voorkomen dat het geld in verkeerde handen terechtkomt. We hebben daarvoor de EU en liever nog het IMF. Zij hebben de capaciteit en de ervaring om de landen die steun nodig hebben en het pad naar economische groei willen inslaan, te adviseren op welke manier de economische groei het best kan worden hersteld. We moeten niet alles willen doen om te voorkomen dat we last krijgen van ons geweten.
Daarmee kom ik automatisch op het derde punt: investering en projectfinanciering. Het zal u bekend in de oren klinken. Daaraan kan naar onze visie meer aandacht worden besteed. Projectfinanciering in samenwerking met de Nederlandse overheid, het Nederlands bedrijfsleven en de internationale financiële organisaties kan een substantieel verschil maken. Maak meer gebruik van die regionale ontwikkelingsbanken, de Wereldbank, de EBRD en de EIB. We zijn daar aandeelhouder. Buit dat uit. Ik heb nooit begrepen waarom wij geen aandeelhouder zijn van de Caribische Developmentbank. Met oog op ondersteuning van dat deel van het Koninkrijk aan de overkant van de plas zou dat toch een substantieel verschil kunnen maken en het kost nauwelijks geld.
Voorzitter. Dit zijn slechts enkele voorbeelden waarmee we met minder geld toch meer impact kunnen hebben op de ontwikkeling van de landen die het verdienen. De 0,7% is niet heilig, de resultaten tellen. Met de oorspronkelijke begroting had mijn fractie geen problemen. Nu daar met de aanvullende kasschuif via een nota van wijziging ruim 300 miljoen aan wordt toegevoegd, bijten we door de zure appel heen. Dat heeft overigens niets te maken met de kwaliteit, uitvoerbaarheid of handhaafbaarheid van wetgeving, wat we hier in deze Kamer zouden moeten bespreken. Nee, het is het negeren van het politieke primaat aan het Bezuidenhout. Daar ligt het politieke primaat en daar hoort het ook te liggen. De Eerste Kamer schuift in onze visie langzaam op van een Kamer van reflectie naar een Court of Appeal. In de ogen van de VVD is dit een zorgelijke ontwikkeling.
Samenvattend: we accepteren de kasschuif, omdat het geld richting opvang in de regio en de noodhulp gaat. Er zijn jammer genoeg vele noden in de huidige turbulente wereld. Maar nogmaals, minister, zoals eerder gevraagd, het moet wel de noodlijdende bevolking ten goede komen. Wij hopen dat u ons daarvan kunt verzekeren, daarbij ingaand op de gestelde vragen waarvan wij de antwoorden met belangstelling tegemoetzien.
Dank u wel.
De heer Schalk i (SGP):
Ik heb eerst even zitten kijken in Johannes 8 waar die prachtige woorden van de Here Jezus klonken. Iets verderop in het hoofdstuk zag ik dat die woorden werden gesproken bij de schatkist. Dat is misschien in dit verband ook nog een aardige gedachte, maar dat was niet mijn vraag. Mijn vraag gaat over het onderwerp waarover de heer Van Ballekom zorgvuldig heeft gesproken, de UNRWA-gelden. Dat doe ik, omdat hij heeft gezegd dat hij zelf niet betrokken was bij de deal die nu met GroenLinks-PvdA is gemaakt, terwijl wij vanmorgen wel hebben gehoord dat het ophogen van de UNRWA-gelden onderdeel van die deal is. Zo heb ik het vanmorgen allemaal begrepen. Heeft de heer Van Ballekom dat ook zo begrepen en betekent dat iets voor de wijze waarop de VVD kijkt naar deze deal?
De heer Van Ballekom (VVD):
Zoals ik al gezegd heb, ben ik niet persoonlijk betrokken geweest bij deze onderhandelingen. Vandaar dat ik ook de vragen stel aan de minister. Hij kan ze naar alle waarschijnlijkheid heel helder beantwoorden.
De heer Schalk (SGP):
Dat betekent dat we zo meteen antwoorden krijgen die duidelijk maken of de minister het inderdaad als onderdeel van die deal heeft. Dan kunnen we nader kijken wat we daarmee moeten als Kamer. Dat is eigenlijk wat de heer Van Ballekom zegt, toch?
De heer Van Ballekom (VVD):
Als de antwoorden van de minister niet duidelijk zijn, heb ik altijd nog een tweede termijn om de vragen te herhalen.
De heer Koffeman i (PvdD):
Ik wilde graag nog een verhelderende vraag stellen aan collega Van Ballekom over plofkippen, CETA en ook de investeringsbanken en particuliere banken die bij dergelijke deals betrokken zijn. U pleit ervoor om dat vaker te laten gebeuren. De boeren in Nederland hebben grote problemen met bijvoorbeeld het Oekraïneverdrag, omdat er plofkipfabrieken in Oekraïne door Nederlandse banken en investeringsvehikels gesteund werden. Nederlandse boeren kunnen daar slecht mee concurreren. Hetzelfde geldt voor CETA en voor Mercosur. Vlees uit Brazilië komt onder de meest beroerde omstandigheden tot stand. Wij willen dat vlees kennelijk hebben, als ik u goed begrepen heb. Waar staat u dan in termen van "solidair zijn" met de Nederlandse ondernemers, de Nederlandse boeren, die aan allerlei regels moeten voldoen? Die regels zijn al niet heel zwaar, maar ze moeten toch aan regels voldoen. Hoe ziet u dat ten opzichte van de Braziliaanse en Oekraïense boeren, die niet aan die regels hoeven te voldoen en de Nederlandse markt kunnen overspoelen met, in uw woorden, plofkippen?
De heer Van Ballekom (VVD):
Dat klopt niet, meneer Koffeman. Dat weet u ook wel, want dat hebben we besproken tijdens het debat over de ratificatie van het CETA-verdrag. Alle goederen die de Unie, en dus ook Nederland, binnenkomen, moeten voldoen aan de Europese kwaliteitseisen en -normen. Daar moet toezicht op worden gehouden. Dat het toezicht soms tekortschiet, hebben wij meer aan onszelf te danken dan aan iets anders. Als dat zo is, moet het toezicht versterkt worden, om dat te voorkomen. Want dat is oneigenlijke concurrentie en daar is mijn partij ook erg op tegen.
De heer Koffeman (PvdD):
Maar dat is wel de praktijk. U weet dat bijvoorbeeld MHP uit Oekraïne in Nederland "plofkipfabrieken", slachterijen en verpakkingsinstellingen, heeft gevormd om gemakkelijker om de regels heen te komen. In uw pleidooi dat daar streng toezicht op moet zijn, vinden we elkaar. Ik hoop heel erg dat u zich ervoor gaat inzetten om die strenge regels toepasbaar en handhaafbaar te maken.
De heer Van Ballekom (VVD):
Daar heb ik me al voor ingezet, maar vandaag spreken we niet over de handel met Oekraïne. Daar is de Europese Investeringsbank ook bij betrokken geweest. We hebben er alles aan gedaan om te voorkomen dat hier sprake is van oneigenlijke praktijken. Van steun bij dit proces kunt u verzekerd zijn. Dat steunt mijn partij.
De heer Koffeman (PvdD):
Fijn, dan zijn we het daarover eens.
De heer Van Ballekom (VVD):
Mevrouw Visseren; er kan geen debat voorbij gaan zonder een leuke vraag van mevrouw Visseren.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dank u wel, meneer Van Ballekom, voor het compliment. De heer Van Ballekom zei dat hijzelf niet betrokken was geweest bij de onderhandelingen met PRO over deze begroting.
De heer Van Ballekom (VVD):
Ik ben maar een heel eenvoudig Eerste Kamerlid, dat niet overal bij betrokken is, jammer genoeg.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Waren er andere collega's van de Eerste Kamerfractie van de VVD betrokken bij die onderhandelingen?
De heer Van Ballekom (VVD):
Niet dat ik weet.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Zou u dat voor de tweede termijn voor mij willen uitzoeken?
De heer Van Ballekom (VVD):
Waarom zou ik dat willen uitzoeken? We worden hier geconfronteerd met een begroting. Daar heb ik mijn visie op gegeven. Die begroting kunnen wij aanvaarden. Ik heb zelfs gezegd dat we door de zure appel heen bijten. Maar omdat het de noodhulp in de wereld ten goede komt, gaan wij daarmee akkoord. Daar wil ik het bij houden. Of er een deal is gesloten, linksom of rechtsom, weet ik niet. Misschien kan de minister daarop ingaan, maar ik ga daar niet op in.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Ik deed een beetje mee aan de lacherigheid om dit debatje, maar eigenlijk is het heel serieus. We hebben namelijk vernomen dat verschillende dossiers, en de onderhandelingen daarover, aan elkaar gekoppeld zijn, met name door de VVD. Ik probeer te begrijpen hoe de totstandkoming is geweest van de deal met PRO en de deal over de andere beleidsterreinen die hierbij zijn betrokken. Vandaar mijn vraag aan de heer Van Ballekom: was de Eerste Kamerfractie van de VVD betrokken bij die onderhandelingen, in de breedste zin des woords, dus over de begroting en over het erbij betrekken van andere beleidsdossiers?
De heer Van Ballekom (VVD):
Voor zover mij bekend niet.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Daar moet ik het mee doen, vrees ik.
De heer Van Ballekom (VVD):
Ja, dat lijkt mij ook.
De voorzitter:
Ja, daar moeten we het mee doen. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van Gasteren. Hij spreekt mede namens de Fractie-Van de Sanden.
De heer Van Gasteren i (Fractie-Van Gasteren):
Dank u wel, voorzitter. Senator Van Ballekom zei al: de Eerste Kamer is gevormd als chambre de réflexion, kamer van heroverweging, die de wetgeving bewaakt met een distantie tot de dagelijkse politiek. Onze fracties willen dan ook ver weg blijven van een inhoudelijk oordeel over de besteding van de begroting, want dat is het werk van de Tweede Kamer. Ook de behandeling van de UNRWA-kwestie en alles daaromheen vinden wij het werk van de Tweede Kamer. In lijn met de VVD: zand erover.
De inlichtingenplicht jegens deze Kamer, volgens artikel 68 van de Grondwet, is echter een eigen, zelfstandige verantwoordelijkheid van de minister tegenover deze senaat. Vandaar de vraag: kan de minister garanderen dat hij geen verdere vergelijkbare plannen heeft en dat er politiek noch ambtelijk overleg gaande is over inhoudelijke begrotingsaanpassingen die deze Kamer nog niet kent?
"Ken uzelf" is een tijdloze oproep tot zelfreflectie die vandaag bijzonder van toepassing is, niet alleen op het kabinet, maar eigenlijk op onze Kamer. De afspraak tussen het kabinet en GroenLinks-Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer is niet alleen een politieke transactie, het is een aantasting van de constitutionele architectuur van dit huis. Artikel 67, lid 3 van de Grondwet zegt namelijk: de leden stemmen zonder last. Dat beginsel gaat terug tot 1798 en is verankerd in de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk, de eerste Nederlandse Grondwet, als breuk met de Republiek der Zeven Provinciën waar de afgevaardigden terug moesten naar het thuisfront om toestemming te vragen voor enige afwijking van hun stemgedrag.
Volksvertegenwoordigers vertegenwoordigen nu dus het hele volk en niet een partijlijn, niet een coalitieakkoord en zeker niet een financiële afspraak met een kabinet. De gemaakte afspraak staat dan ook haaks op de opzet en de tekst van de Grondwet. De distantie tot de dagelijkse politiek verdwijnt totaal als senatoren, in dit geval van GroenLinks-Partij van de Arbeid, geacht worden als volgzame schaapjes voor de begroting te stemmen.
Daarnaast vindt de VVD in de Tweede Kamer de aanpassing van de begroting blijkbaar alleen acceptabel als D66 bij een andere wet niet dwarsligt. Nog meer schaapjes. Het is precies het mechanisme dat de Grondwet verbiedt: een externe last die de stemvrijheid van een senator bepaalt. Juridisch is het natuurlijk niet afdwingbaar, maar het is een politiek-morele binding. Is de minister bereid om publiekelijk te erkennen dat deze constructie, hoe politiek begrijpelijk ook voor een minderheidskabinet, de Eerste Kamer instrumentaliseert als stembureau en daarmee de constitutionele distantie ondermijnt die deze Kamer juist haar gezag geeft?
Voorzitter. Het gaat om 380 miljoen euro, gereserveerd voor de komende jaren. Een kasschuif is echter bedoeld als uitvoeringstechnisch instrument. Het verwachte kasritme van een voorziene uitgave sluit niet aan op de begrotingsreeks. Het is eigenlijk een administratieve correctie op de werkelijkheid. Het beleid bestaat al, de verplichting bestaat al, alleen het kasmoment klopt niet. Bij deze kasschuif van 380 miljoen is de volgorde omgekeerd. De kasschuif is niet de uitkomst van een beleidsuitvoering, maar die is het instrument van een politieke deal. Dit is in strijd met het doel van het instrument. De begrotingsregels zijn niet ontworpen om politieke compromissen te financieren buiten de normale cyclus om. De suppletoire begroting is bedoeld voor onvoorziene wijzigingen in de uitvoering, niet voor het accommoderen van coalitieonderhandelingen achteraf. Door het als kasschuif te presenteren, wordt die discussie gereduceerd tot een technische mutatie terwijl het inhoudelijk een nieuw politiek besluit is. De minister van Financiën had dit kunnen of wellicht moeten weigeren.
Vraag nummer één: acht de minister deze werkwijze rechtmatig en waarom? Is deze politieke kasschuif een nieuw middel waar dit kabinet vaker gebruik van gaat maken? Wat betekent dit voor onze parlementaire controle en behandeling? Welke projecten voor 2027 en 2028 worden hierdoor leeggehaald? Zijn er andere afspraken of gesprekken binnen zijn portefeuille die nog niet openbaar zijn, bijvoorbeeld voor volgend jaar of over structurele verhogingen in latere jaren?
Voorzitter. Het regeerakkoord spreekt ook de ambitie uit om stapsgewijs naar 0,7% van het bni voor ontwikkelingssamenwerking te gaan. De Rekenkamer berekende dat volledig herstel ongeveer 400 miljoen euro per jaar vereist. De dekking ontbreekt nu in deze begroting. Hoe gaat het kabinet dit gat dichten?
Voorzitter. Daarnaast geldt dat Nederland in toenemende mate ontwikkelingssamenwerkingsgelden kanaliseert via de Verenigde Naties en de Europese Unie. Schaalvoordelen zijn er zeker, maar er is minder parlementaire controle vanuit dit huis. Welke afwegingscriteria hanteert de minister en hoe waarborgt hij de parlementaire verantwoording over de gelden die via derden worden besteed?
Over ontwikkelingssamenwerkingsgeld voor landen waar bestuurders banden onderhouden met georganiseerde criminaliteit, heb ik grote zorgen. Sierra Leone is een actueel voorbeeld. Beschikt de minister over een proactief toetsingskader? Hoe ziet dat eruit?
Voorzitter. Ontwikkelingssamenwerking en handelsbevordering — dat kwam net al aan de orde — hoeven geen tegenpolen te zijn. Nederland heeft expertise van wereldklasse op het gebied van water, agri, logistiek en ICT, met zowel ontwikkelingswaarde als economisch rendement voor het Nederlandse bedrijfsleven. Welk deel van de begroting is concreet gekoppeld aan opdrachten waarbij Nederlandse bedrijven structureel kunnen meedingen?
Voorzitter. Deze begroting heeft een bewogen traject achter de rug, maar bovenal stelt ze een vraag die deze Kamer zichzelf moet stellen. Zijn wij een chambre de réflexion die onafhankelijk de kwaliteit van de wetgeving bewaakt, of zijn we een stembureau waarvan de uitkomst vooraf wordt bepaald door anderen elders? Die vraag is overigens aan ons, niet aan de minister.
We zien de reactie van de minister tegemoet.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Van Bijsterveld van JA21.
Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst welkom aan de minister in dit huis.
Voorzitter. Het kan wél. De minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft bij de totstandkoming van deze begroting feilloos aangetoond hoe je zowel links als recht in de gordijnen jaagt. De minister zal vandaag ongetwijfeld hopen een beter lot te treffen dan minister Staal in 1907 toen zijn Oorlogsbegroting door de senaat werd verworpen. Ook toen moest een minderheidskabinet, het kabinet-De Meester, voortdurend manoeuvreren tussen steun van de linkerzijde en van de rechterzijde. Ook toen hield het kabinet zich in de Eerste Kamer steevast aan eigen beleidsambities ondanks eerdere toezeggingen in de Tweede Kamer. Als de minister de begroting had gelaten voor wat die was en als hij na aanvaarding ervan in de Tweede Kamer niet had besloten om alsnog in 2026 geld vrij te maken voor UNRWA, had hij niet te maken gehad met een ontevreden oppositie in beide Kamers, had hij geen suppletoire begroting hoeven in te dienen en had deze Kamer vandaag niet hoeven te debatteren over een onvolledige begroting.
Voorzitter. Vandaag voeren wij dit debat namelijk zonder dat we een goed overzicht hebben van het volledige kratje bier, om in de metaforen van mijn collega Hoogeveen te blijven. Er hangt inmiddels voor 380 miljoen euro aan aanvullende afspraken en toezeggingen boven deze begroting die niet in het voorliggende stuk is verwerkt. Het is zeer merkwaardig dat de minister in de Tweede Kamer eerst een koers over rechts probeerde uit te stippelen, terwijl hij in de Eerste Kamer overstag lijkt te gaan door steun van de linkerzijde te willen vergaren. Waar de minister zich eerst star vastklampte aan het coalitieakkoord, draaide hij later bij om te verklaren dat hij zich zou beteren. Deze belofte heeft echter niet lang standgehouden, doordat hij zichzelf nog verder heeft ingegraven door een deal te sluiten met GroenLinks-PvdA om extra geld vrij te maken voor ontwikkelingshulp.
Het probleem hierbij is echter dat geld uit de toekomst naar voren wordt gehaald om in 2026 te spenderen, met de onoverzichtelijke begrotingsgevolgen van dien. Daarmee is het voor deze Kamer moeilijker geworden een inhoudelijk oordeel te vellen over de begroting die vandaag voorligt, niet alleen omdat een volledig plaatje ontbreekt, maar ook omdat er met middelen wordt geschoven tussen de begrotingsjaren en departementen. Politieke afspraken en ambities uit het coalitieakkoord dreigen schijnbaar zwaarder te wegen dan een ordentelijke begrotingsbehandeling. De minister heeft hiermee eigenhandig voor een onoverzichtelijke en chaotische begrotingsbehandeling gezorgd, waar we in september met de behandeling van de suppletoire begroting nog over zullen debatteren in deze Kamer.
Voorzitter. Dit debat draait bovendien niet alleen om de BHO-begroting zelf, maar ook om de manier waarop je als minderheidscoalitie samenwerkt met de oppositiepartijen. Als de minister zich bij zijn oorspronkelijke begroting had gehouden, had hij veel politieke ellende kunne voorkomen. JA21 had in dat geval de begroting gesteund, waar veel in zat waarin wij onszelf herkenden. JA21 steunde het oorspronkelijke oogmerk van de begroting, waarin de focus op ontwikkelingshulp werd verlegd naar de focus op handel. Het is dan ook veelzeggend dat het handelen van deze minister een schaduw werpt over de inhoudelijke behandeling van deze begroting.
Voorzitter. Enige zelfreflectie zou gepast zijn, maar die heeft mijn fractie nog niet kunnen ontdekken. Wie de verklaringen van de minister leest, krijgt vooral de indruk dat hij vindt dat hij de situatie uiteindelijk redelijk heeft gemanaged. "Een voorbeeld van hoe het wel moet", dixit Sjoerdsma over Sjoerdsma. Mijn fractie vermoedt dat weinig ministers erin slagen zichzelf zo'n compliment te geven op hetzelfde moment dat zij een suppletoire begroting van honderden miljoenen euro's nodig hebben om hun oorspronkelijke begroting overeind te houden. Het gaat om geld uit 2028 en 2029, en maar liefst 202 miljoen euro wordt zelfs uit 2031 naar voren gehaald. 2031! Een volledige kabinetsperiode verder. Het gaat bovendien niet om abstracte begrotingsruimte; een deel van deze middelen was oorspronkelijk door de minister van Buitenlandse Zaken gereserveerd voor onder meer niet-militaire steun aan Oekraïne, opvang in de regio en terugkeer- en wederopbouwprojecten voor Syriërs.
Kan deze minister uitleggen waarom deze toekomstige beleidsruimte moest worden opgeofferd om een politieke meerderheid voor zijn begroting te organiseren? Niemand in deze Kamer weet hoe Nederland er dan voor staat. Niemand weet welke internationale crises zich dan hebben aangediend. Niemand weet welke begrotingsprioriteiten een volgend kabinet zal moeten stellen. Toch wordt deze begrotingsruimte vandaag opgeslokt. Waarom? Omdat deze minister zijn zaken niet op orde heeft. Mijn fractie vraagt zich dan ook af of die afwijking het waard was.
Waar het amendement-Eerdmans/Stoffer het doel had om structurele steun aan UNRWA af te bouwen en in te zetten op diversificatie van hulporganisaties, wil de minister de bijdrage aan UNRWA ophogen. Op 13 mei jongstleden stelde de minister nog dat er onvoldoende bewijs was voor banden tussen UNRWA en Hamas. Tegelijkertijd blijkt, niet eens een maand later, te weten 12 juni jongstleden, dat Christian Saunders, de waarnemend chef van UNRWA, met onmiddellijke ingang 70 medewerkers van UNRWA in Gaza heeft ontslagen wegens directe banden met Hamas. Dit is mogelijk maar het topje van de ijsberg, aangezien uit onderzoek van UN Watch blijkt dat er minimaal 1.500 extra medewerkers van UNRWA in Gaza zijn die mogelijk banden met Hamas hebben, wat neerkomt op ongeveer 13,5% van alle UNRWA-medewerkers in Gaza. Hoe rijmt de minister zijn stellingname in de brief van 13 mei met deze ontwikkelingen? Welke aanvullende feiten zouden voor de minister wél aanleiding zijn om de Nederlandse steun aan UNRWA te heroverwegen? En is de minister nog steeds van mening dat meer geld naar UNRWA, en niet diversificatie, de juiste richting is?
Voorzitter. Mijn fractie heeft grote moeite met de handelswijze van deze minister. Wat begon als een begroting die op een meerderheid kon rekenen, is door zijn eigen handelen uitgegroeid tot een politiek hoofdpijndossier. Door af te wijken van het oorspronkelijke oogmerk van deze begroting heeft de minister niet alleen een onoverzichtelijk begrotingsproces gecreëerd, maar ook afbreuk gedaan aan zijn eigen geloofwaardigheid. In zijn poging steun te vergaren aan zowel de linker- als de rechterzijde is hij erin geslaagd veel partijen ontevreden te maken door een mengelmoes van aanvullende afspraken, kasschuiven en schaduwdeals. Deze episode is géén voorbeeld van hoe het wel moet. Daarom vraag ik de minister tot slot heel erg rechtstreeks: vindt hij nou wérkelijk dat hij deze begroting goed heeft behandeld?
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Huizinga-Heringa van de ChristenUnie.
Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. De begroting die we vandaag behandelen, kent een lange, bewogen aanloop. Dat past bij de net zo bewogen situatie in de wereld. Het afgelopen jaar is het aantal brandhaarden in de wereld toegenomen. Tegelijkertijd is de beschikbare hulp in kwetsbare regio's extreem geslonken, met rampzalige gevolgen. Het plotseling stopzetten van USAID veroorzaakte in kwetsbare regio's wereldwijd een toename van economische chaos, instabiliteit en geweld, zo laat onderzoek zien. Als het tij niet keert, dreigen deze wereldwijde bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking in 2030 meer dan 20 miljoen levens te kosten.
Mijn fractie was daarom blij met het nieuws dat het nieuwe kabinet wil breken met de ingezette koers van minister Klever, maar mijn fractie ziet nog niet helder hoe de koers van dit kabinet er wel uitziet. Het kabinet wil ontwikkelingssamenwerking strategischer inzetten, leest mijn fractie in de recent verschenen beleidsbrief. Wat bedoelt de minister met "strategisch"? Ziet het kabinet ontwikkelingssamenwerking uitsluitend als een verlengstuk van buitenlandse handel, als iets waar wij direct profijt van hebben? Of ziet het daarnaast ook een plicht voor Nederland om bij te dragen aan wereldwijde welvaart en stabiliteit? Wat voor betekenis heeft "een meer strategische inzet" voor vergeten conflicten in de wereld? Graag hoort mijn fractie een toelichting van de minister. We zijn benieuwd naar zijn visie op ontwikkelingssamenwerking.
Voorzitter. Het kabinet schrijft in het regeerakkoord stappen te willen zetten richting de 0,7%-norm, de OESO-norm. Toch wordt de oorspronkelijke koppeling tussen het bruto nationaal inkomen en het ODA-budget, die van oudsher was vastgeklikt aan de OESO-norm, niet hersteld. De versoberde koppeling van het kabinet-Schoof wordt in stand gehouden. Dat wringt. Met de motie-Huizinga en de motie-Holterhues gaf de Eerste Kamer tot twee keer de brede oproep om de oorspronkelijke systematiek achter de koppeling structureel te herstellen. Deze koppeling is echt nodig om het ODA-budget stabiel te houden, om een buffer te hebben om onverwachte ontwikkelingen op te vangen, zonder dat lopende projecten eronder leiden. De oproep vanuit maatschappelijke organisaties is helder. Het politieke draagvlak is er. Wanneer gaat dit minderheidskabinet deze moties uitvoeren?
Onlangs kwam naar buiten dat er incidentele middelen aan de begroting van dit lopende jaar worden toegevoegd. Op het eerste gezicht klinkt dat hoopgevend, maar de 380 miljoen waar het om gaat, blijkt te bestaan uit kasschuiven op de begroting van BHOS en andere departementen. Er komen per saldo niet meer middelen beschikbaar voor OS. In plaats daarvan wordt een wissel getrokken op toekomstige begrotingen. De minister verdedigt deze kasschuiven met de opmerking dat juist nu de noodzaak van ontwikkelingshulp groot is. Maar is het niet zo dat ngo's en andere maatschappelijke organisaties juist gebaat zijn bij een consistente lijn, zowel qua beleid als budgettair? De Adviesraad Internationale Vraagstukken benadrukte niet voor niets het belang van een stabiel en voorspelbaar ODA-budget. Een fluctuerende begroting maakt het moeilijk om meerjarig te werken en doelstellingen te behalen. En een eenmalige verhoging, die toekomstige begrotingen lekschiet, is uiteindelijk echt niet behulpzaam. Daarnaast zal de wereld er over twee jaar waarschijnlijk niet veel vrediger uitzien dan nu. De brandhaarden van vandaag zijn morgen nog niet geblust. Het belang van ontwikkelingssamenwerking zal naar alle waarschijnlijkheid niet afnemen, maar alleen maar toenemen. Kunnen we het ons dan wel veroorloven om nu alvast gaten in toekomstige begrotingen te laten ontstaan? Graag een reactie van de minister.
Voorzitter. De ODA-uitgaven gaan weliswaar omhoog, maar hoeveel van deze extra uitgaven gaan daadwerkelijk naar ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's? De stijging waarover de minister spreekt, blijkt voor een deel het gevolg van administratieve keuzes, onder andere door het vooraf meetellen van Oekraïne-uitgaven en hogere kosten van asielopvang. Mijn fractie is overigens blij met de asielcap die dit kabinet toepast. De uitgaven aan eerstejaarsasielopvang mogen hooguit 10% van het ODA-budget beslaan. Maar de Oekraïne-uitgaven blijven het budget voor ontwikkelingssamenwerking belasten. Zoals het er nu naar uitziet, wordt de niet-militaire steun aan Oekraïne volgend jaar volledig gedekt uit de OS-begroting. Dat is 419 miljoen euro die niet meer uitgegeven kan worden aan andere OS-projecten. Onze steun voor Oekraïne staat als een paal boven water, maar het wringt dat dit ten koste gaat van andere essentiële projecten in kwetsbare regio's, die ook onze steun hard nodig hebben. Graag een reactie van de minister.
Voorzitter, kortom: het mag duidelijk zijn dat mijn fractie teleurgesteld is dat nog steeds niet duidelijk is hoe de in deze Kamer aangenomen motie-Holterhues zal worden uitgevoerd. Voor dit jaar is er weliswaar een verhoging die in de buurt van 0,7% komt, maar deze verhoging is incidenteel en wordt gerealiseerd door kasschuiven. Voor de komende jaren lijkt het erop dat er maar een hele kleine stap vooruit zal worden gezet in de richting van die 0,7%. Mijn fractie betreurt dat.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Visseren-Hamakers.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dank, voorzitter. Het kabinet-Jetten heeft ervoor gekozen de structurele bezuinigingen van het kabinet-Schoof op ontwikkelingssamenwerking niet terug te draaien. Dit zijn bezuinigingen van zo'n 2,4 miljard euro per jaar vanaf 2027. De zogenaamde structurele intensivering van ontwikkelingssamenwerking van 257 miljoen door dit kabinet is dus hopeloos onvoldoende om die bezuinigingen ongedaan te maken.
Voorzitter. Mijn fractie, die de Partij voor de Dieren vertegenwoordigt in de Eerste Kamer, vindt het ongelofelijk dat een kabinet met het CDA en D66 dit laat gebeuren, vooral omdat die partijen nog vorig jaar de motie steunden die uitspreekt dat Nederland zich zou moeten houden aan de internationale norm dat 0,7% van het bruto nationaal inkomen aan ontwikkelingssamenwerking zou moeten worden besteed. De minister stelt dat de koppeling van ontwikkelingssamenwerking aan het bruto nationaal inkomen wordt hersteld. Dat zou een mooie eerste stap zijn, maar is dit echt zo en is dit structureel? Graag een reactie van de minister.
Tegelijkertijd kiest het kabinet er dus bewust voor om zich niet te houden aan de internationale norm van 0,7%, terwijl een meerderheid van de Tweede en Eerste Kamer zich hier vorig jaar nog voor heeft uitgesproken. Het kabinet heeft dus niet de intentie om deze moties uit te voeren. De minister stelt in het schriftelijk overleg dat de wens van de Eerste Kamer goed is gehoord. Hij is goed gehoord, maar er is niet geluisterd, moet ik constateren. Bovendien gaat een gedeelte van de zogenaamde intensivering van 257 miljoen helemaal niet naar ontwikkelingssamenwerking, maar naar asielopvang en niet-militaire steun aan Oekraïne.
De Partij voor de Dieren vindt het belangrijk om te investeren in asielopvang en steun aan Oekraïne; laat daarover geen misverstand bestaan. Maar het kabinet zet niet alleen de grootschalige bezuinigingen van het vorige kabinet door, maar gebruikt het OS-geld ook voor andere doelen. Hiermee blijft nog minder budget over voor daadwerkelijke ontwikkelingssamenwerking. Daarom heeft mijn fractie de volgende vragen aan de minister. Is de minister bereid om op Prinsjesdag plannen te presenteren om de bezuinigingen van het kabinet-Schoof op ontwikkelingssamenwerking ongedaan te maken? En is hij bereid om op Prinsjesdag plannen te presenteren die voldoen aan de 0,7%-norm?
Voorzitter. Ontwikkelingssamenwerking betekent internationale solidariteit en compassie. Het betekent zorg dragen voor de mensen in de wereld die het het zwaarst hebben. Het betekent noodhulp in conflictgebieden, voedselhulp bij acute honger en voedselonzekerheid, en medische zorg tijdens epidemieën. Het betekent investeren in vrouwenrechten en gendergelijkheid, en het betekent het ondersteunen bij klimaatadaptatie in landen die vaak zelf het minst hebben bijgedragen aan klimaatverandering. Zoals de minister zelf zegt in het schriftelijk overleg worden met name lage-inkomenslanden en fragiele staten relatief hard geraakt door de mondiale bezuinigingen op OS vanwege hun afhankelijkheid van ontwikkelingssamenwerking, terwijl de noodzaak van ontwikkelingssamenwerking in deze tijden van conflicten en klimaatverandering alleen maar groter wordt. Mede daarom vindt de Partij voor de Dieren dat niet 0,7% maar 1% van het bruto nationaal inkomen naar ontwikkelingssamenwerking zou moeten gaan. Kan de minister reflecteren op zijn eigen constatering dat met name mensen in de meest kwetsbare landen worden getroffen door de bezuinigingen op OS? En vindt hij, samen met de Partij voor de Dieren, dat deze instabiliteit juist om meer OS vraagt in plaats van om minder?
Voorzitter. De deal die het kabinet met PRO, of GroenLinks-PvdA, heeft gesloten in een poging om de begroting door de Eerste Kamer te loodsen betreft alleen 2026. Voor de jaren erna is er niets geregeld. Bovendien is de deal een klassiek geval van een sigaar uit eigen doos: het voor 2026 vrijgemaakte geld betreft OS-budget voor toekomstige jaren. Ook ging de VVD er alleen mee akkoord door de deal met PRO te koppelen aan de afspraak dat D66 het verzet zou staken tegen een voorstel om het verheerlijken van terrorisme strafbaar te stellen. PRO zegt niet van deze afspraak binnen het kabinet te hebben geweten. Mevrouw Karimi heeft dat vanochtend nog bevestigd.
Voorzitter. Wat betekent deze manier van zakendoen voor andere onderhandelingen met de oppositie? Is het kabinet wel een te vertrouwen onderhandelingspartner, vraag ik de minister. Hoe kan een partij die afspraken wil maken met het kabinet om het beleid op een bepaald onderwerp te verbeteren, zeker weten dat deze afspraak niet een achteruitgang op andere dossiers betekent? Is de minister bereid om namens het kabinet toe te zeggen dat alle aspecten van de gemaakte afspraken, ook als ze andere dossiers betreffen, op tijd openbaar worden gemaakt, zodat de partijen, alles overziend, een oordeel kunnen vellen over het totaalpakket?
Voorzitter. D66 stelde in het schriftelijk overleg een belangrijke vraag. Het is jammer dat mevrouw Moonen er nu niet is. In hoeverre kan de norm van 1,5% voor bredere weerbaarheid worden ingezet voor ontwikkelingssamenwerking? Mijn antwoord zou zijn: uiteraard kan dat. Volgens de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden 2023-2029 is veiligheid veel breder dan alleen territoriale en fysieke veiligheid. Het gaat ook om ecologische veiligheid, economische veiligheid, sociale en politieke stabiliteit en de internationale rechtsorde en stabiliteit. Hier valt dus letterlijk een wereld te winnen door investeringen in brede veiligheid die ook bijdragen aan ontwikkelingssamenwerkingsdoelen. De minister antwoordde in het schriftelijk overleg dat dit inderdaad verder kan worden verkend. Dat is mooi. Zou de minister kunnen toezeggen om deze verkenning mee te nemen in de voorbereidingen voor Prinsjesdag?
Voorzitter. Ik kijk uit naar de reactie van de minister. Voorts ben ik van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Dessing van Forum voor Democratie.
De heer Dessing i (FVD):
Voorzitter, dank. Dank ook voor de aanwezigheid van de minister.
Miljarden aan humanitaire hulp, ongeacht het Nederlandse belang: dat is de kern van de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Terwijl de Nederlandse bevolking zucht onder steeds zwaardere lasten, acteert deze regering als pinautomaat voor de hele wereld door miljarden weg te geven aan het buitenland. Het is de vertrouwde toon van een Nederland dat overal ter wereld een betrouwbare, genereuze en strategische partner moet zijn. Handelsmissies naar Afrika en Latijns-Amerika, Global Gateway-projecten, migratiepartnerschappen, opvang in de regio, de EU delegated cooperation en miljarden aan humanitaire hulp. We geven dus onder andere geld om migratie naar Nederland te voorkomen, terwijl de instroom van vluchtelingen onverminderd doorgaat en de kosten van deze migratie dus boven op de uitgaven van de opvang in de regio komen, die dus duidelijk niet werkt. De stroom van immigranten is nog niet voor een fractie verminderd door onze buitenlandse steun.
Wij van Forum van Democratie zeggen: dit beleid is onverantwoord, omdat het per saldo onze eigen inwoners armer maakt. Deze begroting ondermijnt de mogelijkheden van de gewone Nederlander om sociaal, maatschappelijk en economisch te floreren. Nederland is een klein land met grote ambities, maar die ambities mogen nooit ten koste gaan van de eigen bevolking. Een derde van ons inkomen komt uit het buitenland. Dat is waar, maar dat rechtvaardigt niet dat wij ons belastinggeld blijven weggeven terwijl de fundamenten van onze eigen samenleving kraken.
Zo wordt er in deze begroting ook gesproken over intensivering van hulp aan groeimarkten en strategische partnerschappen voor grondstoffen en halfgeleiders. We herformuleren hiermee ontwikkelingshulp als handelsrelaties, met de hoop dat er wederzijdse belangen gediend worden. Maar zou het ook niet kunnen dat in de praktijk in veel gevallen Nederlands belastinggeld risico's afdekt voor grote bedrijven, terwijl de middenklasse thuis de rekening betaalt via hogere lasten en uitgeholde eigen voorzieningen? Zijn handelsrelaties wel echt in het voordeel van de Nederlandse ondernemers en producenten?
Voorzitter. Wij hebben bijvoorbeeld vragen gesteld over Mercosur. Dit verdrag opent de Europese markt voor grote hoeveelheden goedkoop rundvlees, suiker, soja, gevogelte en andere producten uit Brazilië, Argentinië, Paraguay en Uruguay. Boeren daar produceren tegen veel lagere kosten. Daar zijn minder strenge milieuregels, geen stikstofnormen, geen dierenwelzijnsstandaarden op ons niveau en lagere lonen, vaak met ontbossing als neveneffect. Ondertussen moeten Nederlandse boeren en tuinders voldoen aan de strengste regels ter wereld, zoals de Green Deal, nitraatrichtlijnen en stikstof- en mestbeleid, terwijl hun producten worden weggedrukt door importen die aan lagere standaarden voldoen. De voordelen van betere markttoegang tot de Mercosur-landen zouden volgens de onderzoeken het grootst zijn voor de maakindustrie en de dienstensector. Er zouden ook exportkansen liggen voor bijvoorbeeld de zuivelsector. Maar de rundvlees- en pluimveesector zullen door de toename van import naar verwachting meer concurrentie ervaren, wat gevolgen heeft voor de productiewaarde en voor inkomens. In reactie hierop wordt gesteld dat geïmporteerde producten aan de strengste EU-regels voor voedselveiligheid en andere relevante productnormen moeten voldoen. Ook gelden er zeer strenge vrijwaringsmaatregelen, die genomen kunnen worden wanneer er een ernstige verstoring van de interne markt zou plaatsvinden of zou dreigen. Daarnaast zou de Europese Commissie financiële compensatie onder het Meerjarig Financieel Kader hebben voorgesteld voor het geval boeren te maken krijgen met een ernstige verstoring als gevolg van toegenomen handel. Met andere woorden, deze sectoren zijn overgeleverd aan de EU om niet een aanzienlijk nadeel te ondervinden van Mercosur.
In een eerdere beantwoording wordt dit vervolgens nog scherper gesteld. Ik citeer: "De EU kan een ander land niet dezelfde eisen opleggen voor productie zoals die gelden binnen de EU. Dit doet inbreuk op het zogenaamde right to regulate. De EU zou een dergelijke inbreuk ook niet accepteren. Tegelijkertijd kunnen handelsakkoorden, zoals het EU-Mercosur-akkoord, juist bijdragen aan het verkleinen van verschillen in productiestandaarden door bijvoorbeeld afspraken te maken over arbeids- en milieustandaarden en over het aangaan van de dialoog over productiestandaarden."
Wij hebben de volgende vragen aan de minister. In hoeverre is het realistisch dat de EU onze boeren tegemoetkomt wat betreft eerlijke concurrentie? Is het niet naïef om te denken dat het akkoord en een dialoog kunnen leiden tot het verkleinen van verschillen en betere standaarden? Hoever denkt de minister dat de invloed van de EU daadwerkelijk reikt als het vooralsnog niet eens lukt om ons eigen migratiebeleid onder controle te krijgen?
Voorzitter. Wij pleiten voor selectieve, wederkerige en strategische handel die onze voedselzekerheid, soevereiniteit en economische veerkracht versterkt, niet voor een haast doctrinaire vrijhandel die onze kwetsbare sectoren opoffert. Voedselzekerheid zou nationale veiligheid moeten zijn. Een land dat afhankelijk wordt van import uit instabiele regio's met lagere standaarden zet zijn eigen bevolking op het spel bij crises, oorlogen of handelsconflicten. We verliezen veerkracht, cultuur en zelfvoorziening.
Voorzitter. Forum voor Democratie gelooft in een ander uitgangspunt: Nederland eerst. Ik heb het dan over een soeverein, welvarend en zelfverzekerd Nederland dat zijn eigen burgers beschermt, de lasten verlaagt, de publieke voorzieningen op orde brengt en alleen dan, en uitsluitend op basis van harde wederkerigheid, internationale samenwerking aangaat. De prioriteiten in deze begroting keren dat uitgangspunt juist om. In plaats van de eigen economie weerbaar te maken door lastenverlaging en regeldrukreductie, kiezen we voor meer diplomatieke toolboxen. In plaats van de eigen arbeidsmarkt en sociale cohesie te versterken, spreiden we Nederlandse expertise over de wereld. In plaats van de Nederlandse belastingbetaler rust te gunnen, blijven we miljarden uittrekken voor projecten waarvan het directe rendement hoogst onzeker is.
Wij roepen het kabinet daarom op tot radicaal andere keuzes. Stop met het subsidiëren van buitenlandse welvaart op kosten van de eigen bevolking. Bouw de oneindige globaliseringsdrang af. Bescherm onze agrarische sector. Heronderhandel of blokkeer schadelijke verdragen als Mercosur en focus op eerlijke, strategische handel die Nederland sterker maakt. Investeer in het floreren van Nederlanders: lagere belastingen, betaalbare woningen, toegankelijke zorg, excellent onderwijs en een economie die primair dient aan de eigen burgers en boeren.
Voorzitter. Alleen een sterk en welvarend Nederland kan een goede partner zijn. Een uitgehold Nederland is voor niemand iets waard, ook niet voor de landen die wij nu zo graag helpen.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Van Toorenburg van het CDA.
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
O, wat is de verleiding groot om ook uitvoerig te spreken over het tamelijk bijzondere proces dat aan deze begrotingsbehandeling voorafging, maar ik denk dat de minister ook zonder onze recensie zijn eigen beeld wel kan vormen. In de interrupties is er ook al het een en ander over gezegd.
Maar we willen wel terugkijken naar de begrotingsbehandeling van vorig jaar, waarin de motie-Huizinga-Heringa is aangenomen met onze steun. Dienaangaande schrijft de minister namelijk eerst dat hij die motie niet uitvoert. Later staat in het tweede verslag te lezen dat het vorige kabinet hier al uitvoering aan heeft gegeven door het ODA-budget te koppelen aan de ontwikkelingen van het bni en dit jaarlijks bij de voorjaarsnota toe te passen op basis van ontwikkelingen van het bni tussen de laatste CPB-ramingen. Dat maakt dat de motie-Huizinga-Heringa wellicht wel is uitgevoerd, maar de minister zegt dat het niet zo zou zijn. Het is bijna een woordenspel.
De opdracht van deze Kamer was helder: wij willen stap voor stap terug naar 0,7%, in de wetenschap dat er voor direct herstel geen ruimte was en nu helaas ook nog niet is. Maar door nu vast geld uit te geven dat voor de toekomst was bedoeld, is het probleem helemaal niet opgelost. Als CDA vrezen wij zelfs dat het probleem daarmee alleen maar groter is geworden. Een aantal organisaties heeft heel erg duidelijk gemaakt dat, met de schade die was berokkend in het vorige kabinet, het nu juist belangrijk is om langjarig commitment te tonen. Door nu vast geld van de toekomst naar voren te halen zonder te benadrukken dat er stap voor stap wordt toegewerkt naar die 0,7%, wordt het alleen maar ingewikkelder om langjarige commitments aan te gaan. Deze minister moet ons vandaag echt heel duidelijk maken op welke manier hij tracht te komen tot die 0,7%. De schade is anders namelijk niet hersteld. Met de truc van het naar voren halen van geld is het alleen maar onduidelijker geworden wat dit voor de toekomst betekent. Juist een serieus ontwikkelingssamenwerkingsbeleid vraagt om langjarig commitment. Waarom hameren we daar zo op? Niet omdat we het spel van de Tweede Kamer willen herhalen. Het gaat juist om de vraag of het beleid uitvoerbaar is. Het gaat om het beleid dat deze minister ons presenteert, met de middelen die daaraan verbonden zijn. Dat is ook in de geest van artikel 90 van onze Grondwet. Daar zitten onze zorgen.
Voorzitter. Wij snappen heel goed dat je niet vandaag alles kunt oplossen wat in de vorige periode is stuk gemaakt, maar we zijn kritisch op het beeld alsof het beter is om het geld naar voren te halen. We willen graag een reflectie van de minister op dit punt.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Ik denk dat mevrouw Van Toorenburg van de CDA-fractie en ik het eens zijn dat het naar voren halen van het geld uiteindelijk een truc is en dat dat het probleem niet oplost. De koppeling wordt op geen enkele manier hersteld. Mogelijk kan men later in grotere problemen komen, omdat men dan met een gat zit dat weer moet worden gevuld. Het is nog maar de vraag hoe dat gaat gebeuren. Dan zullen al die maatschappelijke organisaties misschien in nog meer problemen komen dan nu het geval is. Maar als je dat politiek weegt, betekent dat dan niet dat de deal die dit kabinet, deze minister, met PRO in de Tweede Kamer heeft gesloten, eigenlijk gewoon een slechte deal is?
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik geef aan dat ik me daar heel grote zorgen over maak. Het beeld is nu dat er extra middelen komen, maar die extra middelen komen uit de begroting van jaren later. Organisaties zijn nu wel blij — natuurlijk zijn zij blij met extra geld — maar zij kunnen zich vervolgens niet langjarig committeren aan bepaalde programma's. En dat is juist wat we willen met elkaar. We willen een effectief buitenlandbeleid, en niet zomaar hier en daar wat geld rondstrooien. Wij zijn daar dus kritisch op. Wij hebben gevraagd, en we vragen het vandaag opnieuw, op welke manier we stap voor stap voor stap — het kan helaas niet nu — komen tot die 0,7%.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Dan vermoed ik dat de CDA-fractie in de Eerste Kamer, net als de VVD-fractie in de Eerste Kamer, niet op de hoogte was van deze deal of daar niet bij betrokken was. Ik vraag mij toch af hoe de CDA-fractie dit uiteindelijk politiek weegt. Er ligt nu een begroting voor. Er is een brief waarin wordt uitgelegd dat er een wijziging van de suppletoire begroting komt. Dat is dus de kasschuifoperatie. Daarover zegt mevrouw Van Toorenburg: dat is eigenlijk volstrekt onvoldoende. Wat heeft zij dan van de minister nodig om haar er toch toe te bewegen te zeggen dat deze begroting de steun van de CDA-fractie verdient? Vooralsnog heb ik van de CDA-fractie geen redenen gehoord om voor deze begroting te kunnen zijn.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Het leuke is dat er voor mij één hele spannende verleiding in deze nieuwe plannen zit. Dat is namelijk dat de initiatiefwet die ik destijds in de Tweede Kamer ter bespreking had, namelijk het strafbaar stellen van het verheerlijken van terroristisch geweld, hier blijkbaar in gefietst is. Hoera! Dat wordt dus wel een hele grote verleiding. Tegelijkertijd willen wij natuurlijk graag vandaag van deze minister horen …
Voorzitter. Ik blijf me ergeren aan het feit — daar kan de interruptie niets aan doen — dat we de minister niet zien als we hier staan. Deze zaal is echt vreselijk. Ik heb het vaker gezegd: ik vind het heel onbeleefd om het debat zo te voeren. Ik ga het nu dus toch nog een keer zeggen: doe iets aan die camera's, alstublieft. Maar goed, ik heb u afgeleid.
Ik wil dus graag van deze minister horen op welke manier hij gaat knokken voor die weg terug naar die 0,7%, want dat zijn wij als beschaafd land de wereld verschuldigd en het past ook bij artikel 90 van onze Grondwet. Wat ik vandaag dus graag van deze minister wil horen, is: hoe gaat hij knokken voor dat stap voor stap terugbrengen naar die 0,7%? Ik heb ook aangegeven dat ik niet gelukkig ben met de deal die nu voorligt.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Van Apeldoorn.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ja, tot slot, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ik begrijp dat de CDA-fractie het nog in het midden laat of zij uiteindelijk voor of tegen zal stemmen, maar dat de verleiding in ieder geval is om misschien toch voor te stemmen vanwege de schaduwdeal die ervoor zal zorgen dat die wet voor de strafbaarstelling van de verheerlijking van terrorisme wel bij de Tweede Kamer wordt ingediend. Ik zal alleen maar zeggen: felicitaties richting GroenLinks-PvdA. Dat onderstreept nog eens een keer hoe deze deal tot stand is gekomen. Of we daar blij mee kunnen zijn of niet, is denk ik uiteindelijk een politieke afweging, maar de mening van de SP-fractie hierover is duidelijk.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Er zijn verschillende aspecten aan "een beschaafd land zijn". We begrenzen namelijk ook bepaalde verheerlijkingen. Maar laten we gewoon heel eerlijk zijn: het is natuurlijk leuk om het er af en toe hier even in te fietsen. Laten we heel eerlijk zijn: ik begrijp ook het feit dat heel veel organisaties ons zeggen "steun dit wel want er komt tenminste geld bij". Dat is dus het dilemma dat wij als CDA hebben: we zien dat er geld bij komt, maar het is eigenlijk van de toekomst geleend geld. Daarom is het dus belangrijk dat wij van de minister horen op welke manier hij stap voor stap, zoals ook in het coalitieakkoord staat, komt tot die 0,7%.
Mevrouw Moonen i (D66):
Ik hoor heel goed wat mevrouw Van Toorenburg zegt. Het spreekt me ook aan dat het een stap-voor-stapbenadering moet zijn. Ik ga daar straks in mijn betoog ook op in. Mijn vraag gaat over het volgende. U gebruikt het woord "truc", de truc van de kasschuif. Daar verzet ik me wel een beetje tegen, want kasschuiven zijn van alle tijden. Minister Schreinemacher heeft 'm ingezet, minister Ploumen heeft 'm ingezet, om de grootste noden in de wereld te kunnen lenigen, om daar betekenisvol in te kunnen zijn. Heel veel departementale begrotingen zetten 'm in. De kasschuif mag alleen worden ingezet met toestemming van de minister van Financiën. Dus het woord "truc"… Het is een heel veel voorkomend principe voor noden in het nu. Ik vond dat mevrouw Karimi er een heel goed betoog over had. Het is ook niet bedoeld als "strooigeld". Dat was een tweede woord dat u gebruikte. Zoals ook heel duidelijk blijkt uit het schrijven van de minister en ook uit het betoog van mevrouw Karimi … Ik zal daar straks in mijn eigen betoog ook op ingaan. U zei er zelf gelukkig ook iets over: over die grote noden in de wereld nu.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Wat het ingewikkeld maakt, is dat ik echt wil blijven bij de rol van de Eerste Kamer. De keuze "meer of minder geld" is dus eigenlijk meer voor de Tweede Kamer. Als ik dan kijk naar de doelen van dit programma, dan zie ik dat het echt, ook wat deze minister daarover heeft gezegd, ademt "laten we doen wat effectief is". Je wil een goede partner zijn. Die doelen lijken met deze deal uit het oog verloren te zijn en dat baart mij zorgen. Het is niet het feit dat er extra geld komt; dat wil ik graag. Maar we horen ook van organisaties dat ze nu helemaal geen langjarige afspraken kunnen maken. Daarom wil ik van deze minister horen hoe hij invulling gaat geven aan wat ook in het coalitieakkoord staat, namelijk stap voor stap terug naar die 0,7%. Ik wil dus eigenlijk juist een stapje terug doen en niet hetzelfde zeggen als de Tweede Kamer. Ik kijk echter naar de doelen van deze begroting, de doelen in de aanvullende brief. Dan ben ik bang dat die niet dichterbij komen met deze kasschuif.
Mevrouw Moonen (D66):
Dank voor deze toelichting. Ik begrijp nu beter wat mevrouw Van Toorenburg bedoelt. Tegelijkertijd, D66 heeft heel veel contact gehad met Oxfam Novib, Cordaid en veel organisaties die wereldwijd actief zijn, juist voor die meest kwetsbare mensen ter wereld. U heeft dit volgens mij ook gedaan. Ik heb veel positieve reacties teruggekregen — ik zal daar zo in mijn betoog nog meer van duiden — vanwege de grote noden die er nu zijn. Dat gaat echt wel over die doelen en hoe je nu betekenisvol kunt zijn in een wereld waar heel veel andere mensen de steun aan het terugtrekken zijn.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Dat is absoluut waar. Daarom was het ook zo schrijnend wat het vorige kabinet deed. Verschillende organisaties — u heeft het ook gelezen — hebben het de "perfect storm" genoemd. Dat raakt ons ook, alleen is dit niet echt een oplossing. En dat is een beetje het probleem.
De voorzitter:
Voordat ik de heer Schalk het woord geef: ik heb om 16.15 uur een harde pauze, omdat er daarna een aantal commissies beginnen. Ik heb nog u en twee andere sprekers. Laten we met z'n allen proberen om om 16.15 uur te schorsen. Het zou heel fijn zijn als u uw interrupties heel bondig kunt houden.
De heer Schalk i (SGP):
Ik zal het onmiddellijk voor mezelf herformuleren. Ik denk dat we het met elkaar eens zijn dat het doel is om mensen te helpen. Wat mij triggert, is het feit dat mevrouw Van Toorenburg heel eerlijk antwoord geeft op een van de vragen, namelijk dat ze wel erg verleid wordt om voor te gaan stemmen, omdat de strafbaarstelling van terrorismeverheerlijking erin gefietst is, terwijl GroenLinks-PvdA zo blij is dat de UNRWA-begroting weer zal worden hersteld. Zijn die twee doelen niet enorm strijdig met elkaar? We weten wat de UNRWA betekent.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Dat vind ik nou echt een thema waar de Tweede Kamer zich op stuk kan bijten. Ik denk ook dat het politieke keuzes zijn. Ik vind het niet aan ons om dat punt erbij te halen. Wij zijn daar ook heel kritisch op en de SGP weet dat. Ik kijk nu naar deze begroting en de gekozen oplossing. En omdat in deze Kamer een paar keer heel kritisch werd gezegd dat er aan de deal iets verschrikkelijks kleeft, namelijk de strafbaarstelling van het verheerlijken van terroristisch geweld, dacht ik: yes. Dan maakt iedere keer mijn hart een vreugdesprong. Andere mensen hebben voor mijn thema hebben geknokt. Beter kan je het niet hebben in de politiek.
De heer Schalk (SGP):
Dat snap ik. Ik vind het een mooie draai. Maar laat me ook heel helder zijn: we spreken vandaag over een deal, hoe je het ook wendt of keert. Je kunt het politiek noemen of niet, maar deze Kamer is een politiek orgaan. Als een onderwerp ons niet zo goed bevalt, kunnen we niet zeggen: doe dat maar in de Tweede Kamer. Het onderwerp is hier aan de orde gekomen en dus mogen we er met elkaar over spreken. Dit is juist belangrijk, omdat het onderdeel is van zo'n belangrijk wetsvoorstel waarvan we allemaal de doelen onderstrepen, namelijk dat mensen geholpen worden. Nu gebeurt het op een manier waarop we zo meteen enorm in de problemen kunnen komen. Net als ik heeft ook mevrouw Van Toorenburg voorgerekend dat we zo meteen 2 miljard nodig hebben, plus nog een keertje die 380 miljoen. Hoe krijgen we dat ooit voor elkaar? En ondertussen wordt het wel geknoopt aan een onderwerp dat we liever niet bespreken, maar dat wel onderdeel van de deal is.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Dat was een heel gek onderdeel van de deal. In eerste instantie werd gezegd "het gaat daar niet heen" en vervolgens gaat het daar wel heen. Dat werkt voor ons heel erg onduidelijk. Het CDA geeft vandaag aan dat wat nu voorligt, iets is wat de diverse organisaties aan de ene kant heel graag willen — het geld om hun werk te kunnen doen — en aan de andere kant geen enkel zicht biedt op de toekomst. Daarom wil ik vandaag van de minister horen hoe hij terugbouwt naar die 0,7%. Over sommige van die andere politieke dingen kan ik een vreugdedansje maken en andere zaken laat ik aan de Tweede Kamer. So be it.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Schalk (SGP):
Een laatste opmerking, die niet eens meer een vraag hoeft te zijn. Bij haar eerste inbreng bracht mevrouw Karimi dit thema al in. Dat was voordat ze erover bevraagd werd. Dat wilde ik hier heel graag even gestipuleerd hebben.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
En toen keken mijn collega en ik elkaar aan en dachten we: doe dat nou niet. Dat dachten wij allebei. Want het was een soort verknoping, waarvan wij dachten: ach, maak het nou niet meteen zo ingewikkeld!
Mevrouw Karimi i (GL-PvdA):
Ik ben natuurlijk blij met de inzet van het CDA om 0,7% werkelijk te realiseren. Daar knokken wij al lang voor. Ik ben ook heel blij dat u nu tegen de minister zegt dat u echt bij de volgende begroting wilt horen hoe dat gerealiseerd is. Ik hoop dat u het ook wilt zien. Mag ik mevrouw Van Toorenburg vragen wat tegenspreekt dat er dit jaar extra geld beschikbaar is, waardoor die 0,7%-systematiek van de berekening hersteld is? Dat gaat dus niet om het bedrag, maar om de systematiek van de berekening. Ten tweede zegt ze dat organisaties daardoor niet kunnen plannen. Dat is gewoon niet waar. Als organisaties geld krijgen, of het nu multilaterale of andere maatschappelijke organisaties zijn, hebben zij gewoon een beschikking voor drie, vier of vijf jaar. Er is dus al commitment aangegaan. Van noodhulp weten wij dat het altijd kortlopende toezeggingen zijn. Er worden dus gewoon een heleboel dingen aan elkaar geknoopt die niet waar zijn. Klopt dat?
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Nee, dat klopt niet. Dat is niet waar. Wij krijgen namelijk wel van diverse organisaties te horen dat zij zich zorgen maken over het feit dat ze geen langjarig commitment kunnen aangaan, omdat het geld naar voren is getrokken. Daar maken wij ons zorgen over. Waarom ik het zo benadruk, is omdat we een beetje een halleluja-sfeer kregen. Het was alsof de begroting was gered, want er kwam geld bij. Dan denk ik: nee, dit is niet de manier waarop we dit met elkaar zouden moeten doen. Probeer ervoor te zorgen dat we stap voor stap naar die 0,7% gaan en dat organisaties niet hoeven te zeggen: beste vrienden, we hebben weer wat geld gekregen, maar dit was het geld dat we straks hadden moeten krijgen, dus een langjarig commitment kunnen we niet aangaan. Dat is onze zorg, juist omdat het kabinet in de Tweede Kamer en hier steeds aangeeft dat we een effectief buitenlandbeleid willen hebben. Dat betekent dus dat we systematischer middelen willen geven aan organisaties waaraan we ons kunnen verbinden. Het is dus niet een beetje geld hier en daar geven, maar juist dat structurele. Dat moet stap voor stap. Dat wordt door de deal van het geld naar voren halen niet dichterbij gebracht. Dat is onze visie. Ik kijk er dus anders naar. We zijn het nog niet eens.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Ik begrijp dat mevrouw Van Toorenburg er anders naar kijkt, maar het moet toch ook feitelijk kloppen? Wij proberen niet alleen opinies te hebben en feitenvrij te debatteren, maar op basis van de feiten. Het feit dat de organisaties geen langjarig commitment kunnen aangaan, is omdat er gewoon te weinig geld beschikbaar is. Er is überhaupt te weinig geld beschikbaar. Onze vorige regering heeft meer dan 2 miljard gekort. De huidige regering bouwt daarop voort. En wereldwijd is er minder geld. Dat snap ik. Maar dat er nu extra geld beschikbaar is en dat dit nog een extra zorg is en de kwaliteit aantast, dat bestrijd ik. Ik vind dat dit feitenvrij politiek bedrijven is. Dat betreurde ik. Mevrouw Van Toorenburg is het toch met mij eens dat onze strijd erom moet gaan dat wij dit jaar die koppeling gerealiseerd hebben en dat die koppeling gewoon doorgezet wordt voor de komende jaren?
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Laat duidelijk zijn wat ons standpunt is, maar als ik mevrouw Karimi geen gelijk geef, vind ik het jammer dat er toch een soort discussie ontstaat alsof ik feitenvrij politiek bedrijf. Nee, ik kijk naar de feiten. Er is geen extra geld gekomen. Er is geld van de toekomst naar voren gehaald, waardoor de organisaties weten dat het geld er in de toekomst in ieder geval niet meer is. Dat baart ze zorgen. Wij zeggen: zorg voor die stap voor stap. Dat hebben we met elkaar afgesproken, ook in het regeerakkoord. Het geld naar voren halen, is niet de oplossing. Dat een heleboel organisaties "pfoe, nu hebben we tenminste geld" zeggen, verleidt ons om toch voor deze wet te stemmen. Dit is dus geen oplossing. Nogmaals, dat de verheerlijking van terroristisch geweld daarmee strafbaar wordt: yes, topidee!
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van Apeldoorn van de fractie van de SP.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Voorzitter. Wereldwijd dreigt de armoede, mede als gevolg van de roekeloze Amerikaans-Israëlische agressieoorlog, weer toe te nemen. Conflicten in een steeds instabielere wereld leiden tot humanitaire crises van een historische omvang. Het menselijk leed in Gaza, waar het genocidale geweld door Israël voortduurt, maar ook in Sudan en in Congo, dat kampt met een grootschalige ebola-uitbraak, is onvoorstelbaar. Volgens de VN hebben wereldwijd bijna 240 miljoen mensen dringend humanitaire hulp nodig. UNICEF waarschuwt dat meer dan 200 miljoen kinderen in 2026 afhankelijk zullen zijn van noodhulp.
Terwijl de noden hoger zijn dan ooit loopt de hulp wereldwijd terug, vooral door het enorme gat dat Trump in het mondiale ODA-budget heeft geslagen. Naast deze historische humanitaire crises staat de ontwikkeling van veel landen in het mondiale Zuiden steeds verder onder druk. Door Trumps oorlog in het Midden-Oosten — laten we hopen dat de deal van zondag echt duurzaam blijkt te zijn — hebben we wereldwijd te maken met een nieuwe energiecrisis en een dreigende voedselcrisis, en dreigen arme landen opnieuw dieper in de schulden te raken. Ik neem aan de minister deze zorgen deelt, maar ik hoor graag zijn reflectie.
De mondiale kloof tussen arm en rijk wordt daarmee weer groter. Terwijl de vooruitgang in de armoedebestrijding vrijwel tot stilstand is gekomen, groeit het aantal miljardairs onverminderd door, met een steeds extremere concentratie van rijkdom. Volgens Oxfam is alleen al de groei van de vermogens van de rijkste 1% van deze wereld genoeg om de armoede wereldwijd vele malen uit te bannen. Deze wereld van extreme ongelijkheid, met in grote delen oplopende armoede, wordt daardoor alleen maar onveiliger en instabieler. Oorlogen leiden tot meer armoede en een stagnerende ontwikkeling, die weer nieuwe crises en conflicten creëren, met grote vluchtelingenstromen tot gevolg. Zo ontstaat een vicieuze cirkel.
Wereldwijd is het aantal conflicten groter dan op enig moment sinds de Tweede Wereldoorlog. Volgens de nieuwste UNHCR-cijfers zijn er mondiaal 118 miljoen ontheemden. Dat is een verdubbeling in tien jaar tijd. Internationale solidariteit met arme landen is niet alleen een morele plicht, maar ook een kwestie van welbegrepen verlicht eigenbelang. Solidariteit is voor de SP een kernwaarde, zoals naastenliefde en barmhartigheid dat zijn voor de christelijke partijen. De SP ziet het belang van een stabielere, vreedzamere wereld en een leefbaardere planeet. Dat is een gedeeld belang van arm en rijk, van het Zuiden en van het Noorden.
Intussen geeft de wereld een recordbedrag uit aan defensie. Vorig jaar was dat 2.885 miljard dollar. Dit is een cijfer van het SIPRI. Dit kabinet gaat structureel 19 miljard euro extra aan defensie uitgeven. Onderzoek van onder andere het IMF laat zien dat geld uitgeven aan conflictpreventie enorm effectief en doelmatig is, misschien wel doelmatiger dan defensie-uitgaven. Kan de minister aangeven hoeveel Nederland via de BHOS-begroting uitgeeft aan conflictpreventie en hoe zich dat verhoudt tot het Defensiebudget?
Voorzitter. Ik gaf net al aan dat ik denk dat deze minister onze zorgen deelt. Toch verdedigt hij hier een PVV-begroting. Dat is een begroting die dit allemaal ontkent, die juist onderdeel is van een trend van afkalvende solidariteit, nationalisme, eigen volk eerst, angstige kortzichtigheid en een kille, botte bezuinigingspolitiek die niet alleen immoreel is, maar die ook onze eigen belangen schaadt. Deze begroting is een erfenis van het vorige, radicaal-rechtse kabinet, dat de bijl zette in het budget voor ontwikkelingssamenwerking, tijdelijk omgedoopt tot "ontwikkelingshulp", met een structurele bezuiniging van 2,4 miljard euro vanaf 2027. Dit kabinet draait daarvan slechts 257 miljoen euro structureel terug, nog niet eens een tiende. Erkent de minister dat het overgrote deel van deze monsterbezuiniging blijft staan? Kan hij uitleggen waarom dit kabinet deze historische bezuiniging vrijwel ongewijzigd laat?
Terwijl we straks 5% van ons nationaal inkomen aan defensie uitgeven, geven we nog geen 0,5% van ons bni uit aan ontwikkelingssamenwerking. Dit is het geval terwijl Nederland zich al decennia heeft gecommitteerd aan de OESO-norm van 0,7%. Meer dan een jaar geleden nam deze Kamer een door de ChristenUnie ingediende motie aan die het kabinet verzoekt de koppeling aan het bni op basis van die norm te herstellen. Het kabinet weigert tot op heden die motie uit te voeren, dus ook van mijn kant toch nog een keer de vraag: waarom? Wat is de politiek-inhoudelijke motivering? Op welke grond meent het kabinet de meerderheid van deze Kamer te kunnen negeren?
De regering spreekt van "een betekenisvolle stap" richting de 0,7%; het ging hier vanmorgen ook al over in verschillende interruptiedebatjes. De eigen cijfers laten echter zien dat het ODA-percentage stijgt van 0,44% naar slechts 0,47% in 2030, terwijl het ODA-budget voor 0,7% structureel met 3,7 miljard euro zou moeten stijgen. Hoe kan de minister hier nu spreken van "een betekenisvolle stap"? Wie houdt hij dan voor de gek? Met de inmiddels gesloten PRO-deal daarbij meegenomen — ik kom daar zo nog op terug — wil ik graag aan de minister vragen welk percentage van het bni in 2026 en in de vijf jaren daarna, dus tot en met 2031, aan ontwikkelingssamenwerking wordt uitgegeven. Graag een precies antwoord.
Voorzitter. Dan ga ik naar de vandaag al veel besproken "sigaar uit eigen doos"-deal. Laat ik meteen mijn ongemak schetsen. Deze deal staat niet op de agenda vandaag. Voor ons ligt de begroting van BHOS. De deal is niet met mijn fractie gesloten — anders was ik er uiteraard niet zo kritisch op — maar met de Tweede Kamerfractie van PRO. Toch wordt hij nu bij dit debat betrokken en hebben we er een brief over gekregen van de minister. Allereerst: wat vindt de minister van dit proces? Er is vandaag al meerdere malen gesproken over het proces. Zijn begroting lijkt dankzij deze deal op het laatste moment gered, maar een schoonheidsprijs verdient het proces wat ons betreft niet. En dan heb ik het alleen nog maar over het procedurele aspect.
Het is vooral de inhoud die enorm teleurstelt. Het is vandaag al uitgebreid gewisseld, dus ik hou het kort. Feit is dat dit een pure kasschuifoperatie is. Wat er nu bij komt, gaat er in latere jaren, vooral in 2031, weer vanaf. Per saldo levert dit over de hele periode niets op. "Wie dan leeft, wie dan zorgt", hoorde ik een collega-senator, die de deal steunt, in de krant zeggen. Welke garantie hebben we dat er dan ook wordt gezorgd en wordt geleverd? Geen enkele, is het korte antwoord. Kan de minister dat bevestigen?
Sterker nog, de afspraak is dat dat geld uit de BHOS-begroting zelf moet blijven komen. Coalitiepartner VVD is hier heel helder over: er komt geen cent bij. Als je het over de gehele kabinetsperiode bekijkt, gaat er dus geen euro extra naar ontwikkelingssamenwerking anders dan de intensivering die al gedaan was. Wat er nu bij komt, gaat er straks dus gewoon weer vanaf. Erkent de minister dat? De noden zullen straks niet kleiner zijn. Hoe gaat de minister hiermee om? Heeft hij hier al een plan voor? Waar gaat hij dan op bezuinigen? Welk deel van zijn beleid kan hij dan niet uitvoeren? Wat zal dat betekenen voor zijn opvolger?
De helft van het naar voren gehaalde geld gaat ook nog eens naar Oekraïne. Het gaat om 178 miljoen euro aan niet-militaire steun. Dit wordt gefinancierd door dit bedrag weg te halen uit de Oekraïnebudgetten van 2028 en 2029. Oekraïne verdient steunt. Ook mijn fractie heeft die mening, maar dit is niet waar het ontwikkelingsbudget voor bedoeld is. Bovendien is het niet duidelijk waar het overige naar voren gehaalde geld precies aan besteed gaat worden. Graag meer duidelijkheid hierover van de minister.
Voorzitter. U zult al wel begrepen hebben dat mijn fractie het onbegrijpelijk vindt dat PRO deze deal heeft gesloten. Wat deze deal extra moeilijk te verteren maakt, is dat er buiten PRO om tussen VVD en D66 ook nog een schaduwdeal is gesloten die ervoor zorgt dat de wat mijn fractie betreft foute wet om verheerlijking van terrorisme strafbaar te stellen, toch wordt ingediend. Het is tekenend voor dit kabinet. Er komt geen extra geld voor ontwikkelingssamenwerking, alleen maar geld uit de toekomst. Dankzij deze kasschuif lijkt de begroting van de minister het toch te gaan halen. In ruil voor deze nepconcessie van de VVD zitten we misschien straks opgescheept met een wet die op gespannen voet staat met de rechtsstaat. Was de minister van tevoren op de hoogte van deze schaduwdeal en is hij er expliciet mee akkoord gegaan?
Voorzitter. De wereld staat in brand. Geweld, armoede en honger teisteren vele gebieden. Talloze miljoenen zijn gevlucht of ontheemd. Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp zullen geen onmiddellijk einde maken aan al dit leed, maar zijn wel hard nodig om de ergste noden te lenigen en mensen en landen weer perspectief te geven. Daarom kan mijn fractie geen genoegen nemen met deze PVV-begroting, met een kabinetsbeleid dat de draconische bezuinigingen van het kabinet-Schoof niet teniet doet en dat nu met de PRO-deal enkel wat geld naar voren haalt. Het is een begroting die de koppeling aan de OESO-norm op geen enkele manier herstelt, terwijl daarvoor in deze Kamer een meerderheid bestaat. Dit maakt het moeilijk verteerbaar voor mijn fractie. Dat zeg ik ook tegen de collega's aan de linkerzijde die deze begroting wel willen steunen.
Intussen kijk ik uit naar de beantwoording van de minister.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag tot slot het woord aan mevrouw Moonen van D66.
Mevrouw Moonen i (D66):
Voorzitter. Vorige week sprak ik hier in de Hall met Laura, Merlijn en Joyce, Nederlandse jongeren die zich inzetten voor een eerlijke, gezonde en veilige toekomst voor alle jongeren, voor de organisatie ONE. Ik denk dat een aantal anderen van jullie hen ook hebben ontmoet. Vol vuur vroegen ze mij om te zorgen dat Nederland blijft investeren in internationale samenwerking vanuit medemenselijkheid en solidariteit, én vanuit strategisch belang. Nederland is geen eiland. Onze veiligheid, gezondheid, welvaart en welzijn hangen af van veiligheid, gezondheid, welvaart en welzijn in de rest van de wereld. Deze jongeren hadden uitstekend hun huiswerk gedaan. Elke dollar die wordt geïnvesteerd in de internationale alliantie levert 50 dollar op door ziekte en overlijdens te voorkomen. Elke dollar — je kunt ook "euro" zeggen — die je gebruikt voor het voorkomen van een conflict kan wel tot 100 euro elders besparen op toekomstige uitgaven voor defensie, noodhulp en opvang van vluchtelingen en ontheemden. Elke euro die wordt uitgegeven aan ontwikkelingssamenwerking levert de Nederlandse economie het dubbele op aan extra export en banen. Ik heb hun manifest dus ondertekend, omdat ik achter hun werk en huiswerk stond.
Voorzitter. Collega's noemden het ook al. Het vorige kabinet heeft keihard bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking: 2,4 miljard. Dat is de erfenis — begin er maar aan — waarmee onze minister de Kamers in ging. Dat was het startpunt. Wij kijken iets anders aan tegen hetgeen dat vandaag voorligt. Wij zien dat, door wat hier gebeurt, dit jaar 430 miljoen extra euro's uitgegeven kunnen worden aan ontwikkelingssamenwerking. Dat is de 329 miljoen die ontstaat door de kasschuiven, wat een vrij gebruikelijk instrument is. Als ik kijk naar de begroting van Infrastructuur en Waterstaat, zie ik een permanente kasschuif van aanleg naar beheer en onderhoud. We doen er allemaal vrij bijzonder over, maar het is een heel veel voorkomend iets, waar de minister van Financiën altijd toestemming voor moet geven. Daarbij wil ik aangeven dat het wel belangrijk is — daar kom ik later op terug — dat je ook naar je structurele ritme kijkt, maar het doen van een kasschuif is niet zo heel bijzonder. Daarnaast is er 107 miljoen minder aan opvangkosten voor asiel. Opgeteld is dat 430 miljoen.
Dat geld gaat naar de plekken in de wereld waar de nood op dit moment het hoogst is. Het Wereldvoedselprogramma van de VN voorspelde in maart van dit jaar dat 45 miljoen mensen in acute honger komen door de blokkade van de Straat van Hormuz. Dit getal is een hele zware onderschatting, is inmiddels bekend. Het wordt nog veel erger. Dan hebben we het dus over noden van volwassenen en kinderen, en grote sterfte op veel plekken in de wereld. We kennen de situaties in Sudan, Congo, Oekraïne en Gaza. Maar het geldt ook voor andere plekken in de wereld. Dat is dus een verschrikkelijk vooruitzicht, ook vanuit menselijk medeleven en barmhartigheid.
De heer Schalk i (SGP):
Ik zou eigenlijk een verhelderingsvraag willen stellen over die 107 miljoen. Tot nu toe zaten we op 380 miljoen, maar er is ineens weer 107 miljoen bij gekomen. De vraag is natuurlijk: is dat geld inderdaad al beschikbaar of is dat wensgeld?
Mijn tweede vraag is de volgende. Ik ben het met mevrouw Moonen eens dat er heel vaak een kasschuif wordt gebruikt, maar dat is meestal op het moment dat je binnen een begroting ergens onderbesteding dreigt te hebben en dus geld overhoudt, terwijl je het ergens anders nodig hebt. Nu trekken we drie, vier, vijf jaar van tevoren geld uit, maar dat geld bestaat nog niet eens. Die kasschuif is in dit geval dus toch wel heel bijzonder. Dat vraag ik aan mevrouw Moonen.
Mevrouw Moonen (D66):
Ik begrijp heel goed wat de heer Schalk betoogt. Het is inderdaad zo: je kunt bij Financiën meevallers wegstrepen tegen tegenvallers en onderuitputting wegstrepen tegen uitputting. Hier wordt inderdaad geld van verdere jaren in de toekomst naar voren gehaald. Maar — daar zal ik ook in mijn betoog op ingaan — ik zie wel een minister die echt vecht voor het belang van internationale samenwerking en een wereld die steeds onzekerder en onveiliger wordt. De minister moet straks zelf maar aangeven … Hij heeft de noden van nu opgelost met deze kasschuif, maar daar is het laatste woord nog niet over gezegd, want hij heeft ook zeker ambities voor de komende jaren. Ik ben het namelijk met veel sprekers eens — mevrouw Van Toorenburg sprak daar ook over — dat organisaties baat hebben bij iets meer langetermijnzekerheid dan dat ene jaar. Maar voor nu is dit wat voorligt.
Op uw eerste vraag, over die 107 miljoen: dat zijn de lagere opvangkosten voor asiel. Dat is eigenlijk een soort meevaller. Dan geef je minder uit dan je had begroot. Daar komt die 107 miljoen vandaan.
De heer Schalk (SGP):
Ik heb toch weer twee vragen. Is die 107 miljoen nu al vrijgevallen? Of is dat wensgeld, omdat we een minister van Asiel hebben die allerlei maatregelen neemt? Dat was de eerste vraag.
De tweede is: is mevrouw Moonen het met mij eens dat we dan in het wilde weg kunnen graaien uit de toekomst? Voor hetzelfde geld zeggen we: een bepaald ministerie hebben we over twintig jaar niet meer nodig, dus laten we dat geld maar alvast gaan gebruiken.
Mevrouw Moonen (D66):
Laat ik eerst op de eerste vraag ingaan. Zoals ik het zie, is dat geen wensgeld. Die 107 miljoen komt echt uit asielopvangkosten die lager uitvallen. Dat is dus geen wensgeld, maar een feitelijkheid.
De tweede vraag van de heer Schalk. Ik zou het woord "graaien" niet willen gebruiken. Hier worden kasschuiven voorgesteld om die enorm grote noden in de wereld te verlichten. Die noden en dat vooruitzicht zijn verschrikkelijk. Veel sprekers hebben dat ook betoogd. Voor mij is het ook geen abstractheid. Ik kom zelf uit een familie waarvan de helft bestaat uit artsen die wereldwijd werken. De generatie daarboven bestond vooral uit missionarissen en zusters die naar de armste plekken in de wereld gingen. Dan heb ik het over plekken als Mali, eilanden in Indonesië, Brazilië … Ik heb een deel van mijn leven besteed aan het opzoeken van deze mensen. Ik heb gewerkt in een ziekenhuis in Mali. Als je daar werkt en dat ziet, dan ben je levens aan het redden. Dan kijk je wel anders naar deze bedragen. Dan begrijp je beter de nood in het nu. We kunnen allemaal wel zeggen "het zijn kasschuiven", maar ik zie gezinnen en kinderen voor me die, als er niet wordt ingegrepen, overlijden in het nu. Dat vind ik een hele sterke motivatie van deze minister en deze regering om de barmhartigheid in het nu te zetten. Die nood is nu hoog en die moet nu worden geledigd, want anders sterven er miljoenen mensen. Daar gaat dit debat over.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Schalk.
De heer Schalk (SGP):
Waar we het in ieder geval over eens zijn, is dat het over mensen gaat. Ik heb diep respect voor mensen die als arts of als missionaris of wat dan ook waar ook ter wereld zitten. Daar zijn we het natuurlijk meteen over eens. Waar het wel over gaat, is dat barmhartigheid niet stopt op het moment dat je zegt: we hebben nu een probleem opgelost. Je mag namelijk ook kijken naar de langjarige barmhartigheid. Die komt onder druk te staan op het moment dat we straks eigenlijk nog 2 miljard moeten bijplussen plus deze 380 miljoen. Volgend jaar gaan we nog een keer voor de bijl.
Mevrouw Moonen (D66):
Ik begrijp wat de heer Schalk zegt. Ik reageer op wat nu voorligt. We bespreken de begroting die vandaag voorligt. Zo werkt het in deze Kamer; je bespreekt de wet die voorligt. Maar voor de volgende jaren hoor ik heel goed wat de heer Van Schalk zegt. Mevrouw Van Toorenburg had het daar ook over. Zij hebben natuurlijk gelijk. Mevrouw Karimi had het daar ook over. Uiteindelijk moet je wat langetermijnzekerheid hebben. Voor iedere volgende begroting zal geknokt moeten worden, in de boezem van de regering, denk ik inderdaad. Maar ik zie ook een minister die daarvoor gaat. In die zin ben ik dus hoopvoller voor volgende jaren, ook gelet op wat hierover in het coalitieakkoord staat. Daarin staat ook echt: we zetten stevig in op ontwikkelingssamenwerking en we willen stappen zetten richting de internationale OESO-norm. Dat heeft de coalitie afgesproken. Dat heeft hier nog heel weinig aandacht gekregen vandaag, maar zo'n akkoord staat natuurlijk wel ergens voor. Daar hebben de partijen hun handtekening onder gezet. Het sluit ook zeer aan op het verkiezingsprogramma van D66. Denk ook aan het betoog van mijn collega Fatimazhra Belhirch, die we natuurlijk zeer respecteren. De lijn is in die zin bij ons niet anders geworden.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Collega Moonen begon haar betoog door te verwijzen naar de megabezuiniging die er stond in het vorige kabinet, het kabinet met de PVV-minister. Dat was een bezuiniging van 2,4 miljard, waar D66 — het is al eerder gememoreerd in deze Kamer — erg fel tegen was. Nu zegt collega Moonen: deze minister zet zich hard in voor internationale samenwerking, waaronder ook ontwikkelingssamenwerking. Ik denk dat je dan toch ook boter bij de vis moet doen. Mijn vraag is: hoeveel van de 2,4 miljard bezuiniging structureel staat nog steeds in de boeken met het huidige kabinet, met deze minister die zich er zo hard voor inzet?
Mevrouw Moonen (D66):
Zeker. In ieder geval komt er vanaf volgend jaar 257 miljoen structureel bij — dat is dus ieder jaar — voor humanitaire hulp, klimaat, onderwijs, vrouwenrechten en het maatschappelijk middenveld. Dat is nu al duidelijk. Dan kunt u inderdaad betogen dat dat niet het gat van die 2,4 miljard dichten is. Ik kan namelijk zelf ook rekenen. Maar we zullen zien. We bespreken vandaag wat er nu voorligt, de wet die nu voorligt. We zullen volgend jaar de wet bespreken die dán voorligt. Gelet op het coalitieakkoord en op de inspanning die de regering zich dus getroost, ben ik hoopvoller. Dat is wat ik erover kan zeggen.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Collega Moonen zegt het zelf al: 257 miljoen. We kunnen inderdaad allebei rekenen. Dat is dus 10%. Dus 90% van die structurele bezuiniging blijft gewoon overeind.
Mevrouw Moonen (D66):
Eigenlijk weten we dat niet. We hebben het namelijk vandaag over de begroting die vandaag voorligt.
De voorzitter:
Mevrouw Moonen, de heer Van Apeldoorn was nog niet klaar. Ik wil u toch echt vragen om wat korter te vragen en korter te antwoorden.
Mevrouw Moonen (D66):
Voorzitter, we bespreken vandaag …
De voorzitter:
De heer van Apeldoorn was nog niet klaar met zijn vraag.
Mevrouw Moonen (D66):
Gaat uw gang.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ik wil daar misschien nog één zin aan toevoegen, omdat ik mevrouw Moonen steeds hoor zeggen dat er significante stappen worden gezet. Maar mevrouw Moonen erkent dus nu zelf ook dat het grootste gedeelte, het overgrote deel van die bezuiniging gewoon blijft staan. Dus 257 miljoen van 2,4 miljard is het verschil. Nou, dat kunnen we allebei uitrekenen. Mevrouw Moonen verwijst naar het coalitieakkoord, maar die 257 miljoen komt voort uit het coalitieakkoord. Dat is de vertaling van die inzet op ontwikkelingssamenwerking. Dus wil mevrouw Moonen dan het coalitieakkoord openbreken?
Mevrouw Moonen (D66):
Ik citeerde een zin uit het akkoord. De zin luidt en die citeer ik: "We investeren in ontwikkelingssamenwerking en zetten daarmee een stap richting de internationale OESO-norm." Dat is de ambitie van de regering. Daar staat niet "eenmalig". Daar staat niet dat we dat … "een stap". Dat is wat er staat. Daar hebben de partijen hun handtekening onder gezet. Wij als Kamer zullen proberen om hen te houden aan wat daar staat.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Apeldoorn.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ik heb het coalitieakkoord ook gelezen, dus ik weet wat daarin staat. Maar het gaat natuurlijk om de financiële vertaling daarvan. Uit de beantwoording van de minister van onze vragen in de eerste en tweede ronde blijkt dat de stap die wordt gezet, een stap is van 0,44% van het bni naar 0,47% van het bni. Dat is een hele kleine stap. Mevrouw Moonen en de minister kunnen die "betekenisvol" noemen, maar dat is nog heel erg ver weg van die 0,7%. Dat is gewoon hoe het eruitziet voor de komende jaren in deze kabinetsperiode. We gaan dus nog lang niet richting die 0,7%. Deze "betekenisvolle stap" is een stapje van 0,03%.
De heer Hartog i (Volt):
Mevrouw Moonen heeft het over hoop, maar ik denk dat er ook de angst is dat er volgend jaar met steun van D66 en de partijen die ontwikkelingshulp niet zo belangrijk vinden een begroting wordt aangenomen met heel veel bezuinigingen. Dat is mijn angst. Daarom zijn wij vandaag ook tegen deze begroting.
Maar mijn vraag gaat over de kasschuif. Ik hoorde een heel verhaal over dat dit ook bij bruggen gebeurt. Ja, bij bruggen kun je het inderdaad niet altijd precies plannen. Ik heb een concrete vraag: welke ramp van 2031, die oorspronkelijk in 2031 was gepland, heeft dit jaar plaatsgevonden of gaat dit jaar plaatsvinden?
Mevrouw Moonen (D66):
Wat zei u als eerste? Welke ramp? Wat zei u? Ik verstond u niet goed.
De heer Hartog (Volt):
In de oorspronkelijke begroting was ook noodhulp gepland. Daar zitten rampen in. Het project "ramp" is nu van 2031 naar 2026 verschoven. Ik vraag aan mevrouw Moonen over welke ramp dat gaat.
Mevrouw Moonen (D66):
Ik heb het woord "ramp" niet gebruikt, maar uw collega's hebben al aan de minister gevraagd wat de kasschuif betekent voor de komende jaren. Ik wacht de antwoorden van de minister af. Die vraag is al gesteld door de collega's.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Moonen (D66):
Ik moet even kijken waar ik was gebleven. Ik heb al hele stukken gedaan.
Door internationale handel en samenwerking blijft Nederland bruggen bouwen in de wereld, worden partnerschappen versterkt en willen we ons profileren als een betrouwbare partner, die actief bijdraagt aan een veiligere wereld, stabiliteit en welvaart.
Voorzitter. Mijn fractie kijkt positiever naar de brief van 4 juni 2026, omdat de oppositie en coalitie een manier hebben gevonden om geld in het nu te vinden, gelet op de noden van nu.
Ik kom helemaal aan het einde. Wij spreken de verwachting uit dat deze begroting een nieuwe standaard zet voor de komende jaren en dat het kabinet, de oppositie en de coalitie er samen voor zullen zorgen dat er structureel meer geld beschikbaar komt. Bovenal hoop ik namens de fractie van D66 dat de hulp de mensen snel zal bereiken, daar waar het nodig is, om mensenlevens te redden.
De voorzitter:
Dank u wel. Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Dan schors ik de vergadering tot 17.00 uur.
De vergadering wordt van 16.29 uur tot 16.59 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het antwoord van de regering in de eerste termijn. Ik geef het woord aan de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Ik geef hem het woord.
Minister Sjoerdsma i:
Voorzitter, dank. Uiteraard ook een woord van dank van mij aan deze Kamer voor haar betrokkenheid bij deze begroting maar ook bij de wereld om ons heen en voor de gestelde vragen.
Om te beginnen: waar gaat deze begroting eigenlijk over? Nederland is een groot land, omdat wij ons actief engageren met diplomatie, defensie, handel, ontwikkelingssamenwerking en Europese samenwerking. Dat doen we vanuit idealen en dat doen we vanuit welbegrepen eigenbelang. We zijn ook een klein land, want we zijn kwetsbaar voor wat er in de wereld gebeurt en afhankelijk van internationale samenwerking voor onze veiligheid, welvaart en vrijheden. Ik zou durven zeggen dat mijn begroting die grootheid en die kleinheid weerspiegelt. Ja, sommigen van u hebben gezegd: dit is niet de begroting van dit kabinet, maar ze is opgesteld door het vorige kabinet. Dat is waar, maar het is ook een begroting die toch weerspiegelt dat wij grote belangen hebben in de wereld en dat wij opkomen voor mensen in nood.
Laten we niet vergeten dat Nederland hiermee ook de afgelopen jaren internationaal gezien wordt. Dat is van belang, want de wereld is verre van stabiel. Velen van u hebben dat ook aangegeven. Er zijn meer interstatelijke conflicten. Wereldwijd moeten grote aantallen mensen vluchten van huis en haard. Handelstarieven lijken van dag tot dag te veranderen. Onze banen en vrijheden staan daarmee onder druk. Het geopolitieke krachtenveld verandert razendsnel. Ook klimaatverandering eist tegenwoordig haar tol. In deze wereld is het niet verbazingwekkend dat burgers onzekerder worden. Het is onze taak, de taak van de overheid, om hun daar waar dat nodig is en waar dat kan bescherming te bieden. Wat er gebeurt bij de Straat van Hormuz laat ook zien hoe urgent dat is. Het raakt mensen hier in Nederland in de portemonnee. Het zet de wereld op spanning, maar het maakt ons ook onzeker over alles waar wij van afhankelijk zijn. Dan heb ik het nog niet over de mensen in het Globale Zuiden.
Voorzitter. Daar gaat het over bij mij in deze begroting vandaag: onze burgers bescherming bieden en burgers elders bescherming bieden met buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking. Ik ben ook blij met deze begrotingsbehandeling vandaag zodat ik dat uitgebreid kan toelichten. Ik zou willen beginnen, voordat ik bij de befaamde blokjes kom, met kort stil te staan bij datgene wat er in de Tweede Kamer recent is gewisseld over de suppletoire begroting. Dat wil ik netjes hier uiteenzetten, zodat dat in aanvulling op de brieven die u ook hebt ontvangen, natuurlijk in kopij, helder is.
Misschien allereerst de suppletoire begroting zoals die vanuit het kabinet is verstuurd. Er is 108 miljoen euro toegevoegd aan de begroting van dit jaar uit het verdeelartikel. Die 108 miljoen gaat onder andere naar programma's om klimaatverandering tegen te gaan, naar vrouwenrechten en naar programma's op het gebied van handel, in het bijzonder in grondstoffen, kritieke grondstoffen. Het gaat ook naar programma's op het gebied van veiligheid en democratie.
Daarnaast is er dankzij de afspraken met de oppositiepartij PRO — in de Tweede Kamer; hier heet die kennelijk nog steeds GroenLinks-Partij van de Arbeid, zo begreep ik net uit het debat — netto 328 miljoen euro toegevoegd aan deze begroting. Dat bedrag komt uit '28/'29. Dat zijn Oekraïnegelden die naar voren zijn gehaald. Ook is er 202 miljoen naar voren gehaald uit 2031, het jaar na deze kabinetsperiode. Voor de duidelijkheid: wat gebeurt er met dat geld? De facto — dat is ook gezegd door de vertegenwoordiger van GroenLinks-PvdA hier vandaag — betekent dat dat de omvang van de begroting is hersteld alsof de koppeling met 0,7 nooit is losgelaten. Ik zeg daarbij: dat is incidenteel voor dit jaar, 2026, en niet structureel. Dat is ook correct weergegeven in deze Kamer. Dat is één.
Twee. Waar gaat die afspraak eigenlijk over? Ik vond dat dat door enkelen van u zeer treffend werd gezegd. Die gaat over de grootste crisis waar Nederland zich nu in de wereld voor gesteld ziet. Die gaat over Oekraïne, onze bondgenoot, die het momentum heeft tegen Rusland en die onze steun ook richting de aankomende winter ontzettend hard nodig heeft. Die 178 miljoen euro aan Oekraïnesteun, niet militaire steun, die wij naar voren halen, is ontzettend belangrijk. Die wordt ook ontzettend gewaardeerd door onze Oekraïense bondgenoten.
Daarnaast gaat er 100 miljoen euro naar noodhulp. De noden van deze wereld zijn ook door velen van u terecht aangehaald. De vertegenwoordiger van de VVD hamerde erop, maar ook anderen. Die noden zijn ontzettend groot. Ik sprak de afgelopen weken met de bazen, de chefs, van de grootste hulporganisaties op deze wereld. Zij zeiden mij allemaal unisono: "We zitten in een perfect storm. Nog nooit was het aantal vluchtelingen of ontheemden zo groot. Nog nooit was de hoeveelheid hulp zo laag. Nog nooit hadden wij zulke zorgen." Met andere woorden, de noodhulp die hier is toegevoegd, is dus inderdaad van cruciaal belang.
Daarnaast is 50 miljoen uitgetrokken voor opvang in de regio. Dat gaat met name naar Libanon. Dat is een land dat al heel veel Syrische vluchtelingen opvangt, maar nu te maken heeft met ongeveer 1 miljoen ontheemden die gevlucht zijn uit het zuiden. Dat gaat over het opvangen van de allerkwetsbaarsten. Het gaat ook over het voorkomen van grote migratiestromen. Daarnaast is er 25 miljoen euro voor wederopbouw in Syrië, onder andere bedoeld om vrijwillige terugkeer te bevorderen, en 27 miljoen euro — dat is ook door enkelen van u genoemd — om bijvoorbeeld infectiebrandhaarden zoals ebola in de DRC en Oeganda te bestrijden.
Met andere woorden, essentieel aan deze afspraak is dat het Nederland in staat stelt om in tijden van hele grote nood iets te doen voor mensen elders, maar tegelijkertijd ook voor onze mensen. Dat zou ik willen herhalen in deze introductie: deze begroting ziet op solidariteit, maar ook op eigenbelang. Daarmee hoop ik de wat meer progressieve partijen en de wat meer conservatieve partijen in deze Kamer te kunnen verbinden met de doelen van deze begroting.
Ik moet ook zeggen — dat zal ik hier herhalen; dat heb ik ook in de Tweede Kamer gedaan — dat ik GroenLinks-Partij van de Arbeid erkentelijk ben voor het willen maken van deze afspraken. De vertegenwoordigster van JA21 zei: u heeft daarover gezegd dat u het een fantastisch voorbeeld vond. Dat sloeg niet op mijzelf. Dat sloeg op de houding van deze oppositiepartij, die bereid was om in deze tijd niet de politieke positie centraal te stellen, maar de positie in de wereld en de noden, met wat daarvoor nodig is. Die oppositiepartij was bereid om een compromis te sluiten met het kabinet. Ik weet dat het niet het compromis is dat die partij volledig voor ogen had, maar toch zette zij op deze manier een stap naar voren. Dat is één.
Twee. Enkelen van u hebben ook gevraagd hoe ik naar het proces kijk. Ik heb daar ook in de Tweede Kamer bij stilgestaan. Ik deed dat plenair, maar ook in een commissiedebat. Daar heb ik gezegd, en dat zeg ik nu ook tegen de vertegenwoordigster van JA21, dat ik in dat proces zelf fouten heb gemaakt. Daar sta ik ook voor. Niet alles is gegaan zoals ik dat graag had gezien. Daar kan ik van alles over zeggen. Dat heb ik ook in de Tweede Kamer gedaan. Wat ik zelf heel mooi vond en waar ik ook dankbaar voor ben, is de bereidheid van onder anderen de fractievoorzitter van JA21 in de Tweede Kamer, die zei: daar staat een streep onder en we moeten uiteindelijk ook door. Dat vind ik belangrijk vandaag. Dat "doorgaan" gaat over deze begroting. Het gaat niet over mij. Het gaat over de voorliggende begroting.
Dan kom ik bij uw vragen. Bij de beantwoording van de vragen houd ik de volgende kopjes aan: meer algemene vragen, vragen over de begroting en het bni, vragen over beleidsthema's, vragen over UNRWA en daarna vragen over handel. Ik sluit niet uit dat er nog een kopje overig is. Dat heeft dan niet zo veel te maken met de waarde die ik aan uw vragen hecht, maar dat komt doordat ik simpelweg geen kopje daarbij kon bedenken.
Het is toch goed om te zeggen dat de begroting die voor u ligt zeer omvangrijk is. Het is nog steeds meer dan 0,5%. We zijn nog steeds een van de grootste donoren wereldwijd. Ik begrijp goed wat er gezegd is over de bezuinigingen van het vorige kabinet. Tegelijkertijd is het ook een begroting waar ik volledig achter kan staan, gelet op wat hier nu gebeurt. Een aantal van u — dat was volgens mij ook de vertegenwoordiger van de SGP, als ik het wel heb — heeft gevraagd wat er gebeurt als de begroting wordt weggestemd, met de impliciete veronderstelling dat we dan terugvallen op de begroting van vorig jaar. Dat is niet het geval. Het is goed om te beseffen dat het kabinet dan onverwijld een nieuwe begroting moet maken, die eerst door de Tweede Kamer en dan door de Eerste Kamer zal moeten gaan. Het is ook goed om te beseffen dat alle uitgaven die gepland staan dan onrechtmatig worden en dat dat gevolgen heeft voor nieuwe verplichtingen die in deze begroting vervat zijn. Dat zijn er toch een paar, en die zou ik graag even benoemen.
Een half miljard voor het maatschappelijk middenveld, ongeveer 200 miljoen voor het bedrijfsleven en nog enkele bedragen op het gebied van noodhulp kunnen dan geen doorgang vinden. Dat betekent simpelweg dat die uitgaven niet gedaan kunnen worden. Dat zijn serieuze gevolgen, ook voor de echte wereld, ook als het mij wel zou lukken. In alle eerlijkheid: ik weet niet of het mij zou lukken om in enkele weken voor het zomerreces een nieuwe begroting te maken en daarover overeenstemming te bereiken met de Eerste en Tweede Kamer. Dat is geen sinecure. We zijn nu in juni bij u in de Eerste Kamer. Dat heeft ook een serieuze hoeveelheid tijd gekost.
Voorzitter. Dan zou ik graag willen beginnen met de beantwoording van het kopje met de meer algemene vragen.
De voorzitter:
U heeft eerst een vraag van de heer Van Apeldoorn.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
De minister waarschuwt voor de gevolgen als wij deze begroting hier niet aannemen. Dat begrijp ik vanuit zijn positie wel, maar ik hecht er toch aan om vanuit de positie van de Eerste Kamer te benadrukken dat het aan het kabinet is om ervoor te zorgen dat er een begroting ligt die op steun van deze Kamer kan rekenen. Het lijkt er nu op dat die steun er is. Wat mijn fractie betreft zou die steun er niet moeten zijn. Maar wat betreft de gevolgen: als wij de begroting hier wel zouden verwerpen, is dat niet alleen de verantwoordelijkheid van deze Kamer, maar ook van het kabinet. Als u dan met een beter voorstel was gekomen, had mijn fractie deze begroting mogelijk ook gesteund. Ik hecht er toch waarde aan om dat even te zeggen voordat u zo'n waarschuwing afgeeft. Ik zag collega Karimi ook knikken. Wij hebben hier onze eigen positie en wij moeten afwegen of wij achter deze begroting kunnen staan en of deze doet wat zij zou moeten doen. Dat is uiteindelijk de afweging die wij hier in deze Kamer maken.
Minister Sjoerdsma:
Daar hebt u volledig gelijk in. Ik heb enkel antwoord willen geven op de vraag die mij gesteld werd: wat gebeurt er als de begroting zou worden weggestemd? U hebt er gelijk in dat het aan het kabinet, en in dit geval aan mij als minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, is om u als Kamer, of u als SP-fractie, te overtuigen om daarvoor te stemmen. Als mij dat niet lukt, dan is het ook aan mij om die gevolgen te dragen, maar desgevraagd heb ik wel willen schetsen wat die gevolgen zijn.
De heer Hartog i (Volt):
Ik dank de minister voor dit antwoord, maar hij creëert toch weer dat Armageddongevoel dat ik eerder heb beschreven en dat er gewoon niet is. Ik heb de begroting bekeken. Een begroting is de meest simpele wet die er bestaat; het zijn twee A4'tjes. Het is niet zo heel moeilijk. De minister kan gewoon een nieuw A4'tje indienen waar wij akkoord over gaan. De memorie van toelichting kan ook later komen. De vraag was niet of het moeilijk was of een sinecure, maar gewoon wanneer het zou kunnen.
Minister Sjoerdsma:
Ook dat durf ik simpelweg niet te voorspellen. Als ik kijk naar de opgaven die er zijn en de programma's die wel of niet gesteund worden, is het geen sinecure om te komen tot een begroting die hele brede steun geniet. Misschien is het voor mijn ambtenaren "makkelijk" om een nieuwe begroting op te stellen, maar het ingewikkelde zit 'm in het vinden van een meerderheid voor hetgeen er wordt voorgesteld. Ik kan daar van alles over zeggen en mocht het zich voordoen — ik zal er niet op vooruitlopen — dan gaan we er alles aan doen om dat zo snel mogelijk te doen. Ik weet ook dat mijn ambtenaren daar zeer gecommitteerd aan zijn. Ik hoop dat het niet zover komt en dat ik uw Kamer kan overtuigen om deze begroting aan te nemen, gelet op de afspraken en de aanvullende afspraken die we hebben kunnen maken, onder andere met GroenLinks-Partij van de Arbeid. Maar ik durf niet te stellen dat het heel makkelijk zou zijn.
De heer Hartog (Volt):
Dit is de laatste, voorzitter. Hoor ik de minister dan goed dat het geen probleem is voor de wetstechniek, dus dat de wet vrij snel aangepast kan worden, maar dat het een probleem zou worden voor de politieke dynamiek?
Minister Sjoerdsma:
Dat hangt met elkaar samen. Ik ken mijn ambtenaren als buitengewoon deskundig en bekwaam. Zij zullen in staat zijn politieke dynamieken heel snel te vertalen in wetstechniek. Daar ben ik van overtuigd. Maar dan moet er in de politiek wel overeenstemming zijn over welke kant het op gaat. Die overeenstemming proef ik nu vandaag, mede dankzij de inzet van de partijen GroenLinks-Partij van de Arbeid en wellicht ook andere. Ik hoop dus dat we die kant niet op hoeven. Dat zou mijn stellige hoop zijn, toch ook gelet op de gevolgen die er zijn, zonder dat ik dat als een Armageddon wil schetsen. Ik snap goed wat u daar zegt, maar ik wil u ook wel schetsen dat dit echt wel de gevolgen zijn die zullen plaatsvinden bij verwerving.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog. Ik heb drie blokjes opgeschreven, of heb ik dat …
Minister Sjoerdsma:
Ik heb er, in alle eerlijkheid, vijf: algemeen, begroting, beleidsthema's, UNRWA en dan handel.
De voorzitter:
De vijfde?
Minister Sjoerdsma:
Handel. Ik zal mijn best doen om in elk blokje zo goed als mogelijk de door de Kamer gestelde vragen te beantwoorden. Mochten er vragen ontbreken, laat het dan alstublieft weten.
Een vraag van mevrouw Karimi. Ze vraagt of de minister de opvatting deelt dat we internationaal weer een voortrekkersrol zouden moeten vervullen. Het antwoord daarop is ja. Wij vinden dat dat zou moeten. Dat is ook waarom dit kabinet een stap vooruit zet. Nederland blijft in de voorhoede van ODA-donoren. Internationaal zijn we het vijfde land voor wat betreft het percentage ODA in relatie tot ons nationaal inkomen. In volume zijn wij het zesde, en dat is echt fors. Ik ben geen lijstjesfetisjist maar dat is wel echt iets waar je niet zomaar van af kan stappen. Ik vind ook dat dat verantwoordelijkheid geeft. In tijden waarin anderen bezuinigen en wij een stapje vooruit doen, moeten wij ook bevorderen dat anderen meer gaan doen, en helpen dat de agenda na 2030 gevormd wordt; laat ik het zo zeggen. Ik vind echter ook dat we moeten nadenken over hoe we het doen. Daarin merk ik dat in tijden waarin door afnemende hulp de Sustainable Development Goals buiten bereik lijken, waarin ook het Globale Zuiden snakt naar andere verhoudingen, wij ook een andere visie moeten hebben over hoe ontwikkelingssamenwerking werkt. Dat is een van de redenen waarom ik de AIV heb gevraagd om nu met een onafhankelijke visie te komen op hoe het eruit moet zien.
Mevrouw Huizinga-Heringa van de ChristenUnie vroeg of die strategische inzet van ontwikkelingssamenwerking nu uitsluitend sluitstuk van buitenlandse handel is — zo parafraseer ik haar vraag — of dat het ook iets is waar meer solidariteit uit spreekt, waar ook contact van mens tot mens uit spreekt. Daar wil ik een paar dingen over zeggen. Voor het eerst in heel veel jaar hebben de ministers van Buitenlandse Zaken, de heer Berendsen en ikzelf, een gezamenlijke beleidsbrief gestuurd. We hebben daar heel bewust voor gekozen omdat wij willen kiezen voor een geïntegreerd buitenlandbeleid waarin we onze belangen heel goed behartigen en waarin we ook goed kunnen inspelen op de veranderende wereld om ons heen. Daarmee zoeken we strategische samenwerking — dat is de strategie — met andere landen op basis van wederzijdse belangen. Daar zetten we diplomatie, handel en ontwikkelingssamenwerking en defensie voor in. In die zin is ontwikkelingssamenwerking een onderdeel van het buitenlandbeleid, maar het heeft ook — dat zou ik hier willen benadrukken — een eigenstandige doelstelling: bijdragen aan sociaal-economische ontwikkelingen in het mondiale Zuiden en aan mensen in nood, conform ook de ODA-definitie. Daarmee zullen we ook bijdragen aan welvaart en stabiliteit. Voor noodhulp betekent dat natuurlijk specifiek: bijdragen daar waar de noden het hoogst zijn.
Voorzitter. Mevrouw Karimi van GroenLinks-PvdA vroeg — dat was ook een goede vraag — ook naar de ambitie van het kabinet op het thema noodhulp. Ik stelde net in mijn inleiding dat de noden nog nooit zo hoog waren. Sommigen stellen dat de wereld in brand staat, op sommige plekken letterlijk en figuurlijk, en dat noodhulp cruciaal zal zijn om de komende jaren hier iets aan te doen, ook al weten we dat het altijd te weinig zal zijn. Het kabinet wil dus ook het budget voor noodhulp op peil houden om ervoor te zorgen dat Nederland zijn steen zal blijven bijdragen. Daarbij geldt altijd dat wij ervoor kiezen om onze gelden in te zetten via organisaties, of dat nou VN-organisaties zijn, de Dutch Relief Alliance-organisaties — dat zijn Nederlandse organisaties die echt van wereldklasse zijn — of bijvoorbeeld het Rode Kruis, maar dat zij vervolgens bepalen waar het geld wordt uitgegeven, want zij zijn op de beste plek om er daadwerkelijk iets mee te doen.
De heer Hartog van Volt vroeg hoe deze minister ervoor gaat zorgen dat de kwaliteit van de ontwikkelingssamenwerking op peil blijft, en niet enkel de kwantiteit. Daarvoor is het denk ik van belang om een aantal dingen te stellen. Eén. De partners met wie mijn ministerie, dit kabinet, werkt, zijn partners met wie we over het algemeen langjarig samenwerken, nationaal en internationaal. Dat zijn uitvoeringspartners zoals internationaal de ngo's, de VN of de Wereldbank, maar ook kennisplatforms, die ik hier ook niet onbenoemd wil laten. Als je kijkt naar de formulering en de uitvoering van het beleid, is ontwikkelingssamenwerking denk ik een van de meest geëvolueerde sectoren in Nederland. Sterker nog, volgens mij zei de Rekenkamer laatst met enig gevoel voor ironie: we weten straks beter hoe we ons belastinggeld in het buitenland uitgeven dan hoe we het in het binnenland uitgeven. Ik onderstreep dat, omdat ik het altijd terecht vind als mensen zeggen zorgen te hebben over hoe hun geld, het belastinggeld, wordt uitgegeven. Tegelijkertijd, als je naar die evaluaties kijkt, zie je vaak dat Nederlands ontwikkelingsgeld echt effectief wordt uitgegeven. Natuurlijk, ook dan gaat er wel eens iets fout en dan moeten we optreden.
Voorzitter. Het lid Visseren-Hamakers stelde dat de huidige mondiale instabiliteit, conflicten en klimaatverandering juist vragen om meer investering in ontwikkelingssamenwerking in plaats van minder. Daarvan zou ik graag willen zeggen dat het kabinet die opvatting deelt. De huidige mondiale instabiliteit, conflicten en klimaatverandering vragen om meer investering. Daarom kiezen we ervoor om conform het coalitieakkoord 257 miljoen structureel te investeren in ontwikkelingssamenwerking, beginnend volgend jaar.
Hetzelfde lid vroeg mij, terecht, om te reflecteren op de constatering dat vooral lage-inkomenslanden en fragiele staten worden getroffen door de mondiale bezuinigingen. Dat klopt. Je ziet dat dit echt neerslaat bij de lage-inkomenslanden, niet alleen door de bezuinigingen die we in de Verenigde Staten zien, maar ook door onze Europese partners die een stap achteruitzetten. Dat wordt deels opgevangen door de toenemende multilaterale hulp richting die landen, onder andere van de Wereldbank. Maar helaas daalt ook de totale multilaterale hulp dit jaar. We zullen moeten kijken hoe dat in 2026 neerslaat, maar het is evident dat de zorgen die zij heeft door het kabinet worden gedeeld. Ze kunnen echter niet enkel door Nederland worden opgelost. Dat was het blokje algemeen.
Dan kom ik bij het blokje begroting. Mevrouw Karimi vroeg waar de extra middelen aan worden besteed. Dat heb ik uiteengezet in mijn inleiding. Als daarover nog aanvullende vragen volgen, ben ik uiteraard bereid daar nader op in te gaan.
Mevrouw Karimi i (GL-PvdA):
Mijn vraag richtte zich ook op de bewering van de VVD dat het geld voor de terugkeerhubs bedoeld zou zijn. In de Tweede Kamer heeft u dit tegengesproken. Dat is één vraag. Dan mijn tweede vraag. Op welke manier gaat het geld van de begroting gebruikt worden in relatie tot de Terugkeerverordening, de migratieafspraken met herkomstlanden of derde landen?
Minister Sjoerdsma:
Ik kan niet voor de VVD spreken, dus dat zal ik ook niet proberen. Mijn afdronk van het debat in de Tweede Kamer over deze afspraken is wel dat daar alle coalitiepartijen gecommitteerd waren aan hetgeen ik destijds heb gezegd: voor 2026 geldt dat geen geld vanuit deze begroting of vanuit deze afspraken naar terugkeerhubs zal gaan, omdat er geen terugkeerhubs zijn. De minister van Asiel en Migratie is druk en zeer intensief bezig om te kijken of dat met enkele Europese partners toch voor elkaar kan worden gebokst. Zoals u allemaal begrijpt, is dat niet alleen een politiek gevoelig proces, maar ook een ingewikkeld proces. Als het hem lukt zijn ambities waar te maken, hoop ik daar eind dit jaar meer van te horen. Dat zou kunnen betekenen dat in 2027 wel steun uit deze begroting daarvoor zal plaatsvinden. Vergelijkbaar met wat we ook in andere landen hebben gezien, moet u dan denken aan zaken als "opvang in de regio"-achtige programma's. Dit zijn aanpalende programma's die altijd uitgaan van twee zaken. Een. Vraaggestuurd vanuit de ontwikkeling van deze landen. Twee. Altijd voldoend aan de OESO-DAC-definitie, want op een andere manier kan ODA-geld simpelweg niet gebruikt worden.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Dan is eigenlijk mijn volgende vraag: waarom zou je dat willen doen, terwijl bijvoorbeeld de UNHCR al opvang in de regio verzorgt, waar het grootste deel van de vluchtelingen buiten Europa verblijft en waar ongelooflijk veel behoefte is aan geld? Waarom zou je dat geld daar niet aan geven, maar doorschuiven naar bijvoorbeeld terugkeerhubs? Wat zou dan de logica zijn?
Minister Sjoerdsma:
Voorzitter. Ik wil er in alle eerlijkheid ook niet al te zeer op vooruitlopen, omdat het op dit moment onduidelijk is hoe een en ander eruit zal zien. Er zijn op dit moment geen terugkeerhubs. Ik verwacht ook niet meteen dat er in de wereld een heel grote hoeveelheid terugkeerhubs zal zijn, gelet op de gevoeligheden daaromheen. Maar ik wil mevrouw Karimi wel zeggen dat opvang in de regio natuurlijk cruciaal is en dat ook het kabinet daarin zeer investeert. Ik weet uit eigen ervaring — dat merkte ik onlangs weer tijdens mijn bezoek aan Egypte — dat investeringen in opvangprogramma's ook een positie geven om te praten over de gezamenlijke verantwoordelijkheid die wij hebben om mensen een menswaardig bestaan en opvang te bieden, altijd gekoppeld aan de randvoorwaarden van het internationaal recht en de mensenrechten.
Voorzitter. Velen van u hebben gevraagd naar de koppeling met het bni en de koppeling met de 0,7%-norm. Ik hoop dat u mij toestaat daar iets uitgebreider op in te gaan. Ik vond het in alle eerlijkheid namelijk best ingewikkeld. Ik ben zelf elf jaar Kamerlid geweest en het blijkt dat ik het na die elf jaar toch ook nog steeds niet helemaal had begrepen. Daarom heb ik mij nog een keer heel goed laten bijpraten, zodat ik het ook zelf tot in de puntjes snap. U hebt daar een aantal vragen over gesteld. Misschien eerst over hoe het sinds 1970 was geregeld. De oorspronkelijke systematiek was dat het ODA-budget werd bepaald op basis van de streefwaarde van 0,7% van het bni. Men nam dus 0,7% van het bni en als er eventuele bezuinigingen waren, gingen die daarvan af. Intensiveringen werden daarbij opgeteld. Van belang is om te benoemen dat Nederland sinds 2015 die 0,7% niet meer heeft gehaald. Maar met deze systematiek groeide het ODA-budget op de lange termijn wel toe naar die 0,7%.
Het kabinet-Schoof besloot deze systematiek te veranderen. Sinds het voorjaar van 2025 is het ODA-budget gekoppeld aan de ontwikkeling van het bni. Dat betekent dat als de economie groeit, het ODA-budget groeit, en als de economie krimpt, het ODA-budget daalt. Dat laatste is op dit moment ook het geval. Bij de laatste raming daalde het bni en daalde dus ook het ODA-budget. De streefwaarde van 0,7% is geen onderdeel van die berekeningssystematiek. Dat betekent dat de ODA-prestatie zich op de lange termijn stabiliseert op ongeveer 0,44%.
Het vorige kabinet veranderde ook de frequentie van de bijstelling van het ODA-budget. Vroeger gebeurde dat twee keer per jaar. Op advies van de AIV heeft het vorige kabinet ervoor gekozen om alleen nog in het voorjaar bij te stellen. Dat is op zich goed nieuws, want een keer per jaar bijstellen brengt ook rust in de begroting.
Dan de afspraken tussen het kabinet en PRO. Ik heb net uitgelegd welk bedrag er wordt toegevoegd aan deze begroting. Dat is in totaal 328 miljoen euro, plus de 108 miljoen euro uit de suppletoire begroting. Dat is meer dan 430 miljoen euro. Van belang is om te vermelden dat dit de facto het herstel is van de koppeling met 0,7%, alsof we die nooit zouden hebben losgelaten. Tegelijkertijd moet helder zijn dat die koppeling niet structureel is hersteld. Een groot aantal leden heeft vandaag betoogd dat dit weer zou moeten gebeuren.
De heer Schalk i (SGP):
Ook in interrupties tijdens de eerste termijn hebben we daar al een paar keer over gesproken. Maar ook de minister gebruikt eigenlijk steeds weer de woorden dat de koppeling dit jaar hersteld zou zijn. Ik heb meer het gevoel dat het budget is aangelengd, want de koppeling is nog lang niet hersteld. Als we spreken over herstel van de koppeling, dan zou dat toch langjarig moeten zijn? Dat is natuurlijk de bedoeling van iedereen in deze Kamer.
Minister Sjoerdsma:
Ik snap uw vraag. Misschien heb ik mij niet precies genoeg uitgedrukt. Ik ga proberen dat alsnog te doen. Met het geld dat wij aan deze begroting toevoegen, wordt de omvang van deze begroting de facto gelijk aan een situatie waarin de koppeling met 0,7% zou zijn hersteld. Maar dat geldt voor één jaar, alleen voor dit jaar, niet structureel maar incidenteel. Daar heeft de heer Schalk zeer gelijk in. Dat is iets anders dan het halen van de 0,7%-norm, waardoor er een aanzienlijke hoeveelheid geld aan deze begroting zou moeten worden toegevoegd. Dat zijn twee verschillende dingen. Het ene is de facto incidenteel gebeurd, maar niet structureel. Het andere is dat we ver verwijderd zitten van het daadwerkelijk halen de 0,7%-norm. Daar hebben de heer Schalk, de heer Van Apeldoorn, mevrouw Karimi en nog diversen van u op gewezen. We zitten namelijk net boven de 0,5%. Dat is absoluut waar.
De heer Schalk (SGP):
Dit is het tweede jaar op rij dat we over de koppeling spreken. We hebben het altijd over die 0,7% gehad. Nu lijkt het alsof de minister wil proberen ons ervan te overtuigen dat die 0,44% het percentage was waarnaar we terug zouden moeten. Daar maak ik bezwaar tegen. Ik denk dat we het gewoon helder moeten maken. Als wij vorig jaar en dit jaar gesproken hebben over de koppeling, dan ga ik ervan uit dat iedereen in de Kamer, behalve de minister misschien, vindt dat die 0,7% de koppeling zou moeten zijn. Dat betekent dat we nog een paar miljard tekortkomen. Dat realiseren we ons, denk ik. En dat we toekomstig geld naar ons toe halen, waardoor het de volgende jaren nog ingewikkelder zal worden om die echte koppeling te halen. Is de minister het met mij eens dat we op dit moment eigenlijk alleen het budget herstellen?
Minister Sjoerdsma:
Ja, ik ben het met de heer Schalk eens dit in 2026 een eenmalige toevoeging aan de begroting is en dat het geen structurele stap is naar het herstel van de koppeling, zoals de heer Schalk en anderen van uw Kamer hebben betoogd. Dat is absoluut waar. Ik zou daaraan willen toevoegen dat het kabinet ervoor kiest om vanaf 2027 wel te intensiveren, namelijk 257 miljoen euro structureel per jaar. Daarmee kunnen we een kleine, maar zekere, stap richting de 0,7%-norm zetten. Ik heb ook goed gehoord dat dit niet is wat de heer Schalk in totaliteit wil, maar dat is wat dit kabinet voor 2027 en verder van plan is.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Schalk.
De heer Schalk (SGP):
Ik wil doorgaan op die intensivering. Dat is die 257 miljoen per jaar. Is de minister het met mij eens dat het dan 257 miljoen moet zijn, plus dat geld dat we nu naar voren trekken? Of gaan we straks die 257 miljoen gebruiken als opvulling van hetgeen we nu al weghalen?
Minister Sjoerdsma:
Misschien heb ik in mijn inleiding onvoldoende stilgestaan bij de vraag waar dit geld vandaan komt. Laat ik beginnen met de 202 miljoen, die wij dit jaar toevoegen aan de begroting en die uit 2031 komt. Dat is dus de navolgende kabinetsperiode. Dat is de facto geld dat wordt toegevoegd aan deze kabinetsperiode en wat anders niet tijdens deze kabinetsperiode zou worden uitgegeven. Als u mij vraagt of dat betekent dat we moeten bezuinigen in 2031, dan is het antwoord nee. Dat is omdat de intensivering van het kabinet, namelijk 257 miljoen euro, ook in 2031 geldt. Door de verschuiving staat er in 2031 dus een kleinere plus dan nu.
De Oekraïnegelden die naar voren zijn gehaald, rusten in 2028 en 2029 niet op de BHOS-begroting, zoals in 2027 waarin dat eenmalig wel het geval is. Dat zijn gelden die wij naar voren halen in de wetenschap dat het kabinet Oekraïne onverminderd wil steunen.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Ik wil het voor eens en voor altijd proberen scherp te krijgen. Dat is een uitdaging, volgens mij. De minister heeft het erover dat in 2026 de facto de oude koppeling, zoals die vroeger gold, wordt hersteld. Dat is voor één jaar. Bedoelt de minister daarmee dat de uitkomst van de onderhandelingen met PRO plus de intensivering van het kabinet, samen de uitkomst is van zo'n koppeling? Is dat het?
Minister Sjoerdsma:
Nee.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Kan de minister nogmaals uitleggen wat hij bedoelt met "de facto een koppeling"?
Minister Sjoerdsma:
Zeker. Op een gegeven moment heeft het kabinet-Schoof besloten om de koppeling met de 0,7% los te laten. Dat betekent dat er jaarlijks minder geld aan de begroting werd toegevoegd dan eigenlijk had gemoeten. Als je dat niet had gedaan, als je die 0,7% destijds niet had losgelaten, dan had er dit jaar op mijn begroting, op de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, 328 miljoen euro meer moeten staan dan er eigenlijk stond. Dat bedrag is nu, dankzij de afspraken met GroenLinks-Partij van de Arbeid, toegevoegd. Daarmee is mijn begroting de facto alsof er nog steeds gekoppeld was aan de 0,7%. Dat is uiteraard zonder dat we de 0,7% aan het halen zijn, zeg ik richting de heer Schalk. Dat is iets anders.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dan had ik het toch goed begrepen, maar slecht samengevat.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Toch nog even voor alle duidelijkheid, want het lijkt soms een gegoochel met cijfers. De minister zegt dat de koppeling dit jaar is hersteld met de deal met PRO, in de zin dat we op dat bedrag zouden zijn uitgekomen als de koppeling niet was losgelaten. Dat is dus gegeven het feit dat we nooit op de 0,7% zaten, maar wel die norm hanteerden, als ware we daarnaartoe aan het groeien. Met andere woorden, ook met de deal met PRO zitten we nog steeds ruim onder de 0,7%. Ik denk dat het voor het debat toch belangrijk is om dat even helder te hebben. Het klinkt steeds alsof de koppeling hersteld is, maar dat is die niet, althans niet in de zin dat we op 0,7% van het bni zouden zitten.
Dit is toch even voor de goede orde, want ik had hier ook een concrete vraag over. We kunnen het in woorden zeggen, maar in cijfers is het volgens mij het duidelijkst. We hebben het tenslotte over de begroting. Dit is ook het lastige, want we hebben het hier over een begroting maar tegelijkertijd hebben we het over een suppletoire begroting en een wijziging op de suppletoire begroting die hier nog behandeld moeten worden. Stel dat we ervan uitgaan dat deze begroting deze Kamer passeert, wat ik niet hoop. Stel ook dat we ervan uitgaan dat de suppletoire begroting en de wijziging daarop beide Kamers passeren. Dat is dus de PRO-deal, de deal met PRO, en met GroenLinks-PvdA in deze senaat. Wat zijn dan de percentages van het bni die we uitgeven aan ontwikkelingssamenwerking in 2026, 2027, 2028 en 2029?
Minister Sjoerdsma:
Misschien op het eerste deel van de vraag van de heer Van Apeldoorn: ik denk dat hij het goed samenvat. Het zijn twee verschillende dingen. Koppelen aan de 0,7% is niet het halen van de 0,7%. Ik denk dat dat ook van belang is als het gaat om de vraag wat er met de koppeling gebeurt. Het kabinet heeft op dit moment de begroting gekoppeld aan het bni. Dat is anders dan koppelen aan de 0,7%. Dat betekent iets anders voor de jaarlijkse bijstelling aan de hand van de bni-cijfers. Ik zeg nog maar een keertje dat het nu, incidenteel, de facto is alsof die koppeling niet verbroken was, maar dat is geen structureel herstel van die koppeling. Het is zeker niet zo, zoals de heer Van Apeldoorn het terecht samenvatte, dat we die 0,7% zouden halen als deze afspraken beide Kamers passeren. Nee, dan is de koppeling de facto hersteld voor dit jaar en niet voor de volgende jaren.
In alle eerlijkheid zeg ik dat ik even zou moeten kijken naar de volgende jaren. Voor dit jaar betekent het volgens mij dat we naar de 0,53% gaan, omdat we een redelijke boost krijgen dankzij de afspraken met GroenLinks-Partij van de Arbeid. Voor de volgende jaren moet ik heel eventjes spieken, zeg ik in alle eerlijkheid. Laat ik dan naar 2029 gaan. Daar daalt de ODA-prestatie naar 0,49%, omdat we dan niet deze toevoeging hebben. We verwachten dezelfde daling in 2031. Dat betreft een daling van 0,01%. Dat is het ongeveer ten aanzien van de raming. Het blijft dus ergens hoog in de 0,4%: 0,48% of 0,49%.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ik zal het allemaal keurig nalezen in het verslag voordat we, waarschijnlijk over twee weken, gaan stemmen. Als ik het goed begrepen heb, zegt de minister nu: "De systematiek van de koppeling is voor dit jaar hersteld en niet voor volgend jaar. Dat de systematiek is hersteld, betekent niet dat we nu op de 0,7% zitten, ook niet eenmalig voor 2026. We zitten daar ver onder, want we zitten op 0,53%. In de jaren daarna gaat het percentage niet omhoog, maar naar beneden." Klopt dat?
Minister Sjoerdsma:
Ik zal proberen het nog iets te verduidelijken. Kijk, dit jaar gaat de ODA-prestatie uiteraard omhoog. Die gaat naar de 0,53% en dat heeft simpelweg te maken met, laten we zeggen … Ik doe het even zo: het is niet helemaal correct, maar elke 100 miljoen erbij is ongeveer 0,1% ODA-prestatie. Dus 0,53% nu erbij betekent dat in de jaren daarna de ODA-prestatie schommelt rond de 0,48% à 0,49%. Dat is verder niet een daling. Het is meer dat deze prestatie is gestegen.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ten opzichte van 2026 houden we die 0,53% niet vast, maar gaan we er weer onder zitten. Dus ik constateer toch dat niet alleen de koppeling niet wordt hersteld, maar dat we ook op geen enkele manier richting die 0,7% gaan. Er wordt dus geen betekenisvolle stap gemaakt. De deal met PRO zorgt ook niet voor een meer betekenisvolle stap dan het kabinet zogenaamd al gezet zou hebben. Op geen enkele manier wordt die koppeling nu méér hersteld dan het geval was en eigenlijk werd die al niet hersteld. Alleen de systematiek werd hersteld. Dus, ja, welke betekenisvolle stap wordt hier dan gemaakt? Hoe helpt de deal met PRO met het herstellen van die koppeling? Ik zie op geen enkele wijze hoe dat helpt.
Minister Sjoerdsma:
Misschien op twee manieren. Eén. Ik denk dat het belangrijk is om hier toch op terug te grijpen: waar deze afspraken met PRO, met GroenLinks-Partij van de Arbeid, bij helpen is het lenigen van hele grote noden die er in 2026 zijn, als gevolg van de Irancrisis, als gevolg van wat er gebeurt in Oekraïne en elders, als gevolg van wat er gebeurt met ebola. Dat is een hele serieuze toevoeging aan deze begroting die je op geen enkele manier kan bagatelliseren, ook gelet op wat hulporganisaties mij persoonlijk daarover vertellen, namelijk hoe ontzettend nodig dat is. Daarna zet het kabinet een kleine maar zekere stap richting de 0,7% dankzij de toevoeging van 257 miljoen euro structureel.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Volgens mij hebben we scherp wat de situatie nu is. Dan kunnen we overgaan naar ambitie en plannen. Is deze minister van plan om de de facto koppeling met de 0,7%-norm ook in toekomstige jaren te realiseren? Is hij dat van plan? Heeft hij daarvoor ambitie? Is het kabinet dat van plan? Heeft het kabinet die ambitie?
Minister Sjoerdsma:
Ambitie heb ik zeker, maar er zijn ook randvoorwaarden waar een minister zich aan moet houden. Misschien heel even over 2026. Daar spreekt ambitie uit, mede mogelijk gemaakt, of misschien alleen maar mogelijk gemaakt dankzij GroenLinks-Partij van de Arbeid, om te laten zien hoe nodig het is wat wij hier met ontwikkelingssamenwerking doen. Het tweede is dat dit kabinet de ambitie heeft om een stap te zetten richting de OESO-norm. Dat betekent dat wij vanaf volgend jaar, dus niet in de begroting van dit jaar, 257 miljoen euro structureel zullen toevoegen aan de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Daarnaast heb ik niet alleen in dit debat maar ook bij de kennismaking met uw commissie, maar ook in de persoonlijke kennismaking met enkelen van u, gehoord over de "ergernis" — laat ik het zo noemen — over het feit dat in uw Kamer en in de Tweede Kamer moties zijn aangenomen die aandrongen op structureel herstel van de 0,7%. Daarover heeft de toenmalige minister van Financiën ook in deze Eerste Kamer gezegd: ik begrijp de wens, maar die wens is ongedekt. Het kost namelijk behoorlijk wat geld om die koppeling structureel te herstellen. Dat kost ongeveer in de orde van grootte 300 miljoen euro per jaar, afhankelijk van wanneer je het doet. Tegelijkertijd snap ik ook wel de ergernis waarmee u zegt: we hebben dit als Kamer in meerderheid gezegd, gebeurt er nu wat mee? Dus ik heb uw wens gehoord en ik zal die wens ook weer mee terugnemen in de boezem van het kabinet, om die daar nadrukkelijk neer te leggen. Daarbij gezegd hebbend, zoals de minister van Financiën destijds zei: het is ongedekt. Dus als u een dekking vindt, kunnen we daarover praten, heeft hij gezegd. Ik heb de wens in ieder geval goed gehoord, bij velen van u, bij de meerderheid van u, en ik zal die meenemen in de boezem van het kabinet.
De heer Schalk (SGP):
Ik had niet verwacht dat ik vandaag sommen zou gaan maken samen met de minister. Maar goed, 32 jaar geleden was ik nog schoolmeester. Toen heb ik ook geprobeerd af en toe iets met leerlingen te delen. U bent zeker geen leerling; u bent onze minister. Ik heb echter wel de volgende vraag. Op dit moment zitten we op 0,44%. Door de deal met GroenLinks-Partij van de Arbeid komen we voor dit jaar op 5,3%, maar de komende jaren zakt dat terug. Het gaat iets omhoog omdat er structureel geld toegezegd is, 258 miljoen of zo. Dan komen we dus op 0,8% of 0,9%. Heeft de minister daarbij rekening gehouden met het geld dat hij al weggehaald heeft uit de toekomstige jaren?
Minister Sjoerdsma:
Misschien is het goed als ik het gewoon even heel exact doe. Daar werd overigens net precies om gevraagd. Dit jaar zou de prestatie neerkomen op 0,53%, volgend jaar op 0,48%, in 2028 ook op 0,48%, in 2029 op 0,49% en in 2030 op 0,47%. Dat is inderdaad met inachtneming van de kasschuiven waar we het vandaag ook over hebben.
De heer Schalk (SGP):
Dat staatje is bij ons misschien nog niet bekend. Zit dat bij de stukken? Dan ga ik daar goed naar zoeken. Maar als je op die manier rekent, dan doen we dus nog niks extra's. Met die 258 miljoen erbij en weer eraf wat van tevoren is weggegeven — dat is per jaar ook een paar honderd miljoen — komt er toch bijna maar een schijntje echt bij?
Minister Sjoerdsma:
Vanuit het coalitieakkoord, vanuit de coalitieakkoordgelden, wordt er vanaf 2027 tot en met in principe het einde der tijden maar structureel 257 miljoen toegevoegd aan deze begroting, dus elk jaar weer.
De heer Koffeman i (PvdD):
Ik vind het toch verbazingwekkend. De minister wijst naar de grote problemen die er in de wereld spelen, de grote noden die geledigd moeten worden, maar we hebben het hier over cijfers achter de komma. 0,7% was al niet veel. De OESO heeft daar hard aan gerekend. Dat was een serieuze norm, die we omarmd hebben in het verleden. Inmiddels hebben we het in dit debat niet meer over één cijfer achter de komma, maar over twee cijfers achter de komma. Het is echt minuscuul sprokkelwerk. "Het is nou eenmaal moeilijk om politieke meerderheden te vinden." Vindt de minister niet dat het een heel schrijnend contrast vormt met de NAVO-norm van 5%? Die is helemaal niet berekend. Er is gewoon een president die zijn hand omhooggestoken heeft en heeft gezegd: ik heb vijf vingers; we doen 5%. Er is niemand die daar vragen bij stelt. Niemand zegt: maar weet je wel hoeveel geld dat is; weet je wel ten laste van welke begroting dat allemaal komt?
Ik vind het echt bijzonder dat het kabinet zo lang stilstaat bij twee cijfers achter de komma voor de armste mensen in de wereld, terwijl we veiligheidsvraagstukken die daar ook nauw mee samenhangen, niet wensen op te lossen, maar daarbij gewoon zeggen: "We steken een hand op. Dat zijn vijf vingers. 5% is de NAVO-norm." Onze voormalige minister-president verdedigt die norm te vuur en te zwaard. Ik hoor hem niet spreken over: weet je wel hoeveel geld dat is? Er wordt gewoon gezegd: we hebben ingestemd met 5%. Waarom kan deze minister niet de ambitie opbrengen om te zeggen: jongens, als jullie 5% aan defensie gaan besteden, dan gaan we toch minstens 0,7% besteden aan ODA, zoals we afgesproken hebben?
Minister Sjoerdsma:
Ik ben niet helemaal de minister van Defensie, maar ik zou het wel willen toelichten. Het kabinet heeft niet voor niets gekozen voor die defensie-uitgaven. Dat heeft het gedaan gelet op de enorme dreiging die van Rusland uitgaat, niet alleen richting Oekraïne, maar ook richting ons continent. Daar komt bij dat onze trouwe bondgenoten ons echt manen tot het zelf kunnen verdedigen van ons eigen continent. Dat vraagt een buitengewone inspanning. Het kabinet en ik zijn ervan overtuigd dat die inspanning noodzakelijk is.
Twee. Als minister van dit kabinet heb ik meegekregen dat er structureel elk jaar 257 miljoen euro bij komt. We hebben aan deze begroting voor 2026 ongeveer 430 miljoen euro kunnen toevoegen, waardoor die begroting significant is gestegen. Is het voldoende voor de opgave waar we ons voor gesteld zien in deze wereld? Het antwoord is nee. Is het aanzienlijk? Ik zou zeggen dat het antwoord ja is, als je bedenkt dat Nederland wereldwijd nog steeds de vijfde of de zesde donor is. Ik snap natuurlijk dat sommigen van u zeggen: "Het moet meer. Er kan meer. Minister, ga aan het werk." Tegelijkertijd zeg ik ook: wat Nederland op de mat legt, is nog steeds echt aanzienlijk.
De heer Koffeman (PvdD):
Ik verwijs graag even naar wat de minister zelf van de Rekenkamer citeerde. De Rekenkamer zegt: we weten vrijwel precies wat we in het buitenland uitgeven, en we hebben geen idee wat we in het binnenland uitgeven. Als de minister, net als wij, de kranten volgt en zegt "moet je eens kijken wat voor geld er over de balk gegooid wordt voor Defensie, wat totaal oncontroleerbaar is", kan je je niet alleen maar beroepen op veiligheidsvraagstukken die gelenigd moeten worden. Dan moet je ook zeggen: we hebben het heel slecht georganiseerd en heel slecht gecontroleerd. Zou het, als u toch van alles meeneemt naar de boezem van het kabinet, niet goed zijn om binnen het kabinet te zeggen: jongens, die nul komma twee cijfers achter de komma, die we maar niet in beweging krijgen voor ontwikkelingssamenwerking maar waarvan we wel precies weten waar het aan besteed wordt en hoe het gecontroleerd wordt, staan in geen verhouding tot die 5% die totaal oncontroleerbaar is, zowel voor het parlement als voor het kabinet?
Minister Sjoerdsma:
Ik ben bereid om heel veel mee te nemen naar de boezem van het kabinet. Tegelijkertijd weet ik dat er in de boezem van het kabinet ook heel veel tegelijkertijd wordt besproken. Wat ik van u en van een grote meerderheid in de Eerste Kamer op dit moment heb gehoord, is: er liggen hier moties, en wij hebben het gevoel dat er niks met die moties gebeurt en dat u daar niet serieus op reflecteert. Dat signaal heb ik gehoord. Dat zal ik kenbaar maken.
De heer Koffeman (PvdD):
Amen.
Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):
Dat is een mooi slot, meneer Koffeman.
De minister heeft net gezegd wat de reactie van de minister van Financiën op de motie-Holterhues was, namelijk: er is geen dekking voor. Die motie vraagt om internationale afspraken waar wij ons aan hebben gecommitteerd, na te komen. Was, toen gesproken werd over de 5% defensie-uitgaven, de reactie van de minister van Defensie ook: jammer, er is geen dekking voor?
Minister Sjoerdsma:
Dat is een goede vraag. Daar is een dekking voor gevonden. Ik snap deze vraag heel goed. Misschien dat ik er iets langer op reflecteer. Het raakt namelijk ook een beetje aan de vraag die net werd gesteld, namelijk waarom het ene op deze manier en het andere op de andere manier gaat. Niet alleen dit kabinet, maar ook het vorige kabinet heeft gezien hoe groot zowel de fysieke als de indirecte dreiging vanuit onder andere Rusland voor onze maatschappij is. Beide kabinetten hebben gemeend om vanuit die opvatting, die ik ook heel goed snap, tot een bijdrage van 5% voor onze defensie te komen. Maar die 5% is gedekt. Die is in begrotingen vervat. Die komt niet boven op de begroting. Daarin zijn dus keuzes gemaakt. Die keuzes kunnen ook anders uitpakken. Ik zie mevrouw Huizinga-Heringa dat denken, voor zover ik dat kan zien van deze afstand. Wil dat veranderen, dan ligt dat ook voor een deel in uw handen. Dat zeg ik ook in alle nederigheid. Wij zijn een minderheidskabinet. Als een meerderheid van u in de Tweede of Eerste Kamer de zaak anders wil, zullen we daar ons oor naar moeten laten hangen.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Dan lijkt het me duidelijk dat in elk geval de meerderheid in deze Kamer dat anders wil. Het zou mooi zijn als u uw oor daarnaar wilt laten hangen. Maar u zegt: daar is dekking voor gevonden; er is gezocht naar dekking. Waarom wordt er niet gezocht naar dekking voor deze internationale verplichting? Ik ben het met u eens: de dreiging is er. Ik heb geen moeite met die 5% voor de NAVO. Ik denk dat dat goed is. Ik denk inderdaad dat de dreiging groot is. Maar we hebben het net ook gehad over hoe ongelofelijk de wereld in brand staat, hoeveel mensen er op de vlucht zijn, hoeveel noodhulp er nodig is, hoeveel narigheid er is. Is 0,7% dan echt te veel om ons best voor te doen, om te vinden? Dat probleem is ook groot. Ik zou denken dat er ook gezocht moet worden naar een dekking om ten minste aan onze internationale verplichting op dat terrein tegemoet te komen.
Minister Sjoerdsma:
Ja, dat heb ik ook goed gehoord. Dat heb ik niet alleen bij u beluisterd, maar ook bij enkele van uw collega's. Vandaag zetten we, denk ik … Met deze begroting kunnen we een grote stap zetten, incidenteel, voor dit jaar. Voor de navolgende jaren heb ik u ook goed gehoord. Ik heb ook eerdere uitspraken van uw Kamer goed gehoord en ik zal die nogmaals kenbaar maken. Maar ik hoop dat u ook kunt respecteren dat ik als lid van een kabinet ook te maken heb met collega's, andere ministers, die geconfronteerd worden met collega's van uzelf en van andere partijen die weer andere financiële wensen hebben. Ook die zullen bij elkaar gewogen moeten worden en zullen bij elkaar moeten komen in een breder financieel kader, dat op een meerderheid kan rekenen in de Tweede en Eerste Kamer. Dat is een samenspel van politici in beide Kamers en het kabinet. Dat geldt breder dan alleen voor de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarom ziet dit alleen op deze begroting. Andere begrotingen kunnen in samenhang worden bezien. Dit was in dat opzicht een beetje een anomalie, een restbegroting van het vorige kabinet die toch onderdak moest vinden. Ik ben graag bereid om die begroting dat onderdak te geven.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Huizinga.
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):
Ik hoor u zeggen "de Kamers moeten helder maken wat ze willen" en "daar moet een breed gesprek over plaatsvinden". U heeft het over "de boezem van het kabinet". Ik zou zeggen: de Eerste Kamer kan eigenlijk niet duidelijker zijn dan ze nu is, met het aannemen van een motie en met de dreiging dat de begroting niet wordt aangenomen. Dat lijkt me toch een heel stevig signaal naar het kabinet dat er serieus over gesproken moet worden?
Minister Sjoerdsma:
Zo vat ik het ook op.
De heer Hartog (Volt):
Ik wil proberen de minister een klein beetje te helpen en het debat te versnellen. Daarom stel ik voor dat we alle deals even vergeten. We pakken de Voorjaarsnota en we vergeten alle kasschuiven links en rechts. Er staat 545 miljoen voor de eerstejaarsopvang van asielzoekers. Er staat: via kasschuiven. Vergeet die kasschuiven en maak er gewoon een ombuiging van, want dat is het eigenlijk. Als we dat erbij doen, hebben we 545 miljoen meer voor dit jaar. Dan hebben we het keurig omgebogen en gedekt en dan kan de minister volgend jaar rustig kijken hoe we het voor de volgende jaren verder kunnen doen.
Minister Sjoerdsma:
Hoezeer ik ook verguld ben met constructieve suggesties en "out of the box"-oplossingen weet ik vrij goed wat mijn collega-minister van Asiel en Migratie van deze oplossing zou vinden. In alle eerlijkheid: dat zal waarschijnlijk niet alleen gelden voor mijn collega-minister van Asiel en Migratie. Diverse gemeenten kampen met hele grote opvangproblematiek. Ik snap deze suggestie goed, maar met uw permissie houd ik toch graag vast aan de afspraken zoals die zijn gemaakt met GroenLinks-Partij van de Arbeid.
De heer Hartog (Volt):
Ik zou zeggen: hou die nog even vast. Maar de vraag is: betekent dit dat er voor de eerstejaarsopvang van asielzoekers na de nieuwe asielwetten nog honderden miljoenen meer nodig zullen zijn?
Minister Sjoerdsma:
We lopen nu vooruit op de begroting voor 2027. Ik weet niet meer helemaal zeker wie het was. Ik geloof dat het mevrouw Huizinga-Heringa was, maar ik weet het niet zeker, dus vergeef me als ik het verkeerd zeg. Zij verwelkomde dat er vanaf 2027 een asielcap is. Dat betekent dat het gemaximeerd is op 10%. Dat zal een groot verschil maken. Pint u mij niet vast op de cijfers, maar er gaat nu ongeveer een miljard van mijn begroting naar de eerstejaarsasielopvang. Daar gaan honderden miljoenen vanaf vanwege die cap. Dat verschil gaan we vanaf volgend jaar merken. Dat is een groot verschil in de begroting voor volgend jaar met hoe het nu is.
Voorzitter, met uw permissie ga ik door. De heer Van Gasteren had nog een vraag over de rechtmatigheid van de kasschuiven, als ik hem mag parafraseren. Ik wil graag benadrukken dat die kasschuiven onderdeel zijn van de financiële toolbox van dit kabinet en dat ze uiteraard alleen kunnen plaatsvinden met instemming en toestemming van de minister van Financiën. Maar dit is zeker niet de eerste keer dat dit gebeurt. Er is een referentie gemaakt naar andere begrotingen, maar als ik een voorbeeld zou moeten putten uit het verleden van deze begroting, dan zou ik verwijzen naar de kasschuiven die hebben plaatsgevonden onder de toenmalig minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, mevrouw Ploumen. Zij heeft uit de vier navolgende jaren van haar kabinet geld naar voren gehaald voor de gehele kabinetsperiode en ook dat heeft toen op instemming kunnen rekenen van zowel de Tweede als de Eerste Kamer. Het is misschien iets wat we liever niet doen — dat proef ik bij u, bij anderen en ook een beetje bij mezelf — maar het is niet ongebruikelijk.
De heer Hartog vroeg nog waar het geld vandaan kwam. Ik hoop dat ik dat afdoende heb toegelicht. Ik kijk even naar hem. Het komt uit 2031, 2028 en 2029. Het zijn of al gereserveerde Oekraïnegelden van de aanvullende post van Financiën of gelden die uit de intensivering van 2031 komen. Met andere woorden, er wordt niet bezuinigd en er gaan geen programma's of projecten stoppen.
De heer Hartog (Volt):
De vraag was meer precies: kasschuiven zijn normaal projecten die naar voren en naar achteren worden geschoven. Ik stel u dus nog maar dezelfde vraag: welke ramp van 2031 gaat er in 2026 plaatsvinden, waar die kasschuif …
Minister Sjoerdsma:
Toch heel even. Zo werkt het net niet helemaal. Ik snap de vraag wel. Onderliggend aan deze vraag is, als ik de heer Hartog zo mag interpreteren, dat hij het ook een lelijke oplossing vindt om geld naar voren te halen. Tegelijkertijd is dit echt onderdeel van de financiële toolbox van het kabinet. Voorgaande kabinetten hebben dit ook zo gedaan. We hebben het gedaan op zo'n manier dat we in die jaren niet hoeven te bezuinigen. Het is namelijk ook van groot belang — dat heeft mevrouw Van Toorenburg benadrukt — dat die langjarige, hoe zal ik het zeggen, voorspelbaarheid voor organisaties in Nederland en elders gewaarborgd blijft; dat is cruciaal.
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
Ik kan nog minder goed rekenen, maar ik ga toch proberen het te begrijpen. De minister zei net iets waarvan ik denk: hè? Het geld dat naar voren wordt gehaald, is dus geen geld dat er was. Het zijn de intensiveringen die we straks niet doen. Dat betekent toch dat we niet stap voor stap richting de 0,7% gaan op deze manier?
Minister Sjoerdsma:
Ik snap de vraag goed. Misschien moeten we twee dingen proberen uit elkaar te halen. Eén. Ik proef de vraag over de techniek: is dit ongewoon? Nee, het is niet ongewoon. Een andere vraag die hierachter school, is: betekent dit dan bezuinigen in die jaren? Nee. De Oekraïnegelden komen van de aanvullende post van Financiën. In 2031 intensiveren we sowieso 257 miljoen euro. Daar blijft ook met deze stap nog steeds 55 miljoen euro van over. Ja, dat betekent dat we in die jaren een heel klein stapje opzij doen. Dat klopt.
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Dus we komen niet stap voor stap dichter bij 0,7%, maar we raken er stap voor stap minder vanaf. Als de minister aangeeft dat het eerst 4,8 is en dan 4,7, dan is dat toch verder weg verwijderd van de 0,7%?
Minister Sjoerdsma:
Nee. Om het toch heel helder te zetten. Dit kabinet zet elk jaar 257 miljoen euro structureel erbij. Dat betekent inderdaad dat wij een stapje zetten richting de OESO-norm. Dat betekent niet dat wij elk jaar een stapje éxtra zetten richting de OESO-norm. Dat betekent dus niet dat die 257 na een aantal jaar 357 en dan weer 457 wordt. Het is structureel 257 miljoen euro. Dat is een stap richting de OESO-norm.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Ik vrees dat ik de minister echt moet tegenspreken dat wij een stap zetten als er niks wijzigt, als de cijfers gewoon blijven zoals ze nu gepresenteerd zijn in de meerjarenbegroting, en dat we dan wat dichter bij 0,7% komen. Ik heb hier de tabel die u ons heeft gestuurd. Dat is het antwoord op vraag 4 in de nota naar aanleiding van het tweede verslag. Daarin hebben we dus de cijfers na alle wijzigingen staan, dus ook de nota van wijziging; alles is erin verwerkt. Dan zie je dat in 2028 — dat zijn geen percentages maar zeg maar totale bedragen — 0,7% van het bni bijvoorbeeld 9,2 miljard zou zijn, maar de begroting blijft steken bij 6,4 miljard. Daardoor is er een verschil van 2,856 miljard. Dat verschil blijft stijgen. In 2029 wordt het 2,769 miljard. In 2030 gaat het zelfs naar 3,3 miljard en in 2031 naar 3,9 miljard verschil. Dat betekent: wij zetten echt geen stap richting 0,7%.
Minister Sjoerdsma:
Het is goed om hier misschien nog helderder te zijn dan ik ben geweest. We zetten hier inderdaad een stap ten opzichte van de begrotingen van het kabinet-Schoof. Dat is de 257 miljoen euro structureel die elk jaar weer wordt toegevoegd aan deze begroting. Ik heb u ook gehoord. U heeft allen verwezen naar het belang van het structurele herstel van de koppeling. Daarvan heb ik gezegd: dat vraagt echt heel serieus overleg, omdat het gaat over een hele serieuze financiële claim. De minister van Financiën heeft in uw Kamer eerder gezegd dat die claim niet is gedekt en dat hij nog een aantal andere claims heeft liggen, ook van sommige van uw partijen, die hij tegen elkaar moet wegen. Ik heb u gehoord over die moties en over uw wens om die stappen ambitieuzer te zetten. Ik zal dat ook kenbaar maken, maar ik heb helaas niet meer in mijn binnenzak dan dat.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Dat begrijp ik. Wij vinden het echt belangrijk om hier vast te stellen dat met de nu gepresenteerde cijfers de ambitie die geformuleerd is in het coalitieakkoord — ik doel dan op het zetten van een stap richting 0,7% — niet gehaald wordt. Dat zeggen de cijfers. Met betrekking tot het coalitieakkoord en alles wat hier naar voren is gebracht, zijn wij in meerderheid volgens mij heel duidelijk: er moet structureel herstel plaatsvinden. Anders hebben we echt hetzelfde probleem, en misschien zelfs een nog groter probleem, over een paar maanden.
De heer Van Apeldoorn (SP):
In aansluiting op collega's Van Toorenburg en Karimi: ik denk dat we nu kunnen vaststellen met z'n allen dat de koppeling niet hersteld wordt en dat ook geen betekenisvolle stap wordt gezet richting het herstel van de koppeling. Sterker nog, uit de beantwoording van de minister, eerder schriftelijk en nu ook mondeling, blijkt dat het percentage van het bni dat uitgegeven wordt aan ODA omlaaggaat de komende jaren. Dan zegt de minister dat er wel een intensivering van 257 miljoen plaatsvindt. Dat klopt, maar die wordt deels weggestreept later. Dat heeft de minister zelf in zijn beantwoording toegegeven. Wij halen nu geld naar voren, uit de toekomst, en gaan dat dankzij de deal met PRO incidenteel extra uitgeven, maar dat wordt later van de intensivering afgehaald. Dan zegt de minister dat er netto wel wat van overblijft, maar dat betekent dat de intensivering die de minister nu belooft voor de komende jaren deels wegvalt door de deal met PRO waarmee we geld uit de toekomst halen. Dat is toch correct?
Minister Sjoerdsma:
In alle eerlijkheid: dat is niet geheel correct. Het is ook belangrijk om dat te vermelden, denk ik. Ik wil een paar dingen daarover zeggen. Daar zag ook het debat in de Tweede Kamer gedeeltelijk op. We halen voor Oekraïne gereserveerde gelden die niet drukken op de BHOS-begroting uit 2028 en 2029 naar voren. Dat betekent dus niet dat we daar geld weghalen dat eigenlijk van de BHOS-begroting af moet worden gehaald. 2031 — dat ene jaar, dus niet alle jaren daarvoor of alle jaren daarna — is inderdaad een jaar waarin 202 miljoen van de geplande intensivering van 257 miljoen naar voren wordt gehaald. Ik moet ook in alle eerlijkheid zeggen: mijn eigen ervaring is dat elke augustusbesluitvorming opnieuw alle problemen worden gewogen. Het debat in de Tweede Kamer ging echt lang over: ja, maar wat betekent dat dan in 2028 en 2029 voor Oekraïne? Daarvan heb ik ook gezegd: ik snap het, maar tegelijkertijd weten we niet welke noden er in 2028 en 2029 in Oekraïne zijn. Voor hetzelfde geld — laten we het hopen — is er sprake van een staakt-het-vuren of een permanente vredesdeal en is de vraag in dat jaar niet die 89 miljoen die nu op tafel ligt, maar 2 miljard aan wederopbouwgeld. Dat moeten we ook in de begrotingscyclus van die jaren bespreken. Maar het enige jaar waarin gebeurt waar de heer Van Apeldoorn voor vreest, is 2031.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Ik had het niet over 2031. Ik stel alleen maar het volgende vast. Met de begroting van het vorige kabinet, die de minister nu in deze Kamer verdedigt, wordt structureel 2,4 miljard bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking. Dit kabinet draait daar 10% van terug met die 257 miljoen. Nu wordt er geld uit met name 2031 naar voren gehaald. Dat is dus geen extra intensivering, want het wordt later weggestreept tegen de intensivering van 257 miljoen. Met andere woorden, dan blijft staan dat er per saldo na de deal met PRO de komende jaren, tot 2031, geen geld bij komt voor ontwikkelingssamenwerking.
Minister Sjoerdsma:
Dat zullen we moeten bekijken bij de besluitvorming over de begroting van die jaren. Dat geldt dan met name voor de begrotingen van 2028, 2029 en 2031. Daar kan ik in alle eerlijkheid niet op vooruitlopen. Het zou kunnen dat het kabinet, al dan niet onder invloed van oppositiepartijen, besluiten neemt die hierop zien. Het zou ook kunnen dat dat niet gebeurt. Dat moeten we afwachten. Zeker is — dat wil ik hier ook herhalen — dat de steun en het commitment van dit kabinet richting Oekraïne onverminderd is. Maar wat dat betekent voor 2028 en 2029, zullen we echt moeten zien in de besluitvorming te zijner tijd, afgaand op wat nodig is in Oekraïne en wat mogelijk is hier in Nederland.
De heer Dessing i (FVD):
Even een ander geluid in dit boekhoudkundig gegoochel, dat wel aansluit bij een geplande intensivering in 2031. Volgens mij zit er dan een ander kabinet. Dit kabinet heeft dan zijn rit uitgezeten. We gaan dus over ons graf heen regeren. Betekent dat dat we zomaar willekeurig een kasschuif uit 2040 kunnen doen? Hoe moet ik dit in hemelsnaam plaatsen?
Minister Sjoerdsma:
Dat is natuurlijk een terechte vraag. Het is ook een vraag die ik best goed begrijp. Tegelijkertijd verwijs ik hierbij naar het precedent van onder anderen voormalig minister Ploumen. Wanneer de noden in het heden buitengewoon hoog zijn — dat zijn ze zeker als het gaat om de gevolgen van Oekraïne, Iran en ebola — is dit een geëigend middel. Maar ik geef u meteen gelijk: het liefst doe je dit niet.
De heer Dessing (FVD):
Kortom, wat is de legitimatie om over het graf van deze regering heen te regeren om zo dit besluit nu te kunnen nemen? Volgens mij kan dat niet.
Minister Sjoerdsma:
Dit behoort tot de financiële toolbox van het kabinet. Met instemming van de minister van Financiën kan dit. Ik hecht er ook aan om te zeggen dat het in dit geval niet betekent dat we een hap nemen uit een begroting van een toekomstig kabinet, in die zin dat dit kabinet eerst ook geld toevoegt aan de begroting van 2031. Een volgend kabinet zal het met minder extra geld moeten doen, namelijk met slechts 52 miljoen in plaats van 257 miljoen.
De voorzitter:
Tot slot.
Minister Sjoerdsma:
Dat kan binnen de begrotingshorizon. Ook dat betreft weer techniek. Ik wil u daar niet al te zeer mee vermoeien, maar de begrotingshorizon sluit op dit moment in 2031. Het kan dus niet van later dan 2031 komen.
De heer Dessing (FVD):
Maar het blijft zo dat het nu al toevoegen van geld uit 2031 een beleidskeuze is die het kabinet maakt over zijn eigen regeerperiode heen.
Minister Sjoerdsma:
Daar hebt u gelijk in.
De voorzitter:
Ik zit ook even naar de klok te kijken in verband met het aantal blokjes. We zitten nog steeds in het tweede blokje, over het bni. Ik weet niet hoeveel vragen de minister nog te beantwoorden heeft. Een korte vraag nog en dan hoop ik dat we het toch een beetje uitgeklaard hebben.
De heer Schalk (SGP):
Daar verlangen we allemaal naar, voorzitter. De minister heeft duidelijk gemaakt dat er in 2031 in ieder geval maar 52 miljoen overblijft. We weten ook dat er in 2028 en 2029 geld uit een andere begroting wordt gehaald voor Oekraïne. Heeft deze minister daar dan helemaal niets meer mee te maken, of moet hij dat nog aanlengen met de begroting waar het nu wel uit wordt gehaald?
Minister Sjoerdsma:
Dat is een vraag die ik goed begrijp. We zullen dat moeten bezien. Dat is ook mijn antwoord geweest in de Tweede Kamer. Diverse partijen hebben daar gevraagd waar ik het uit ga halen in het geval dat dat geld weer nodig is. Komt dat dan uit de BHOS-begroting, uit een andere begroting of generiek? Dat zijn overigens ook de drie smaken die mogelijk zijn. We hebben gezegd dat we dat tot ons zullen nemen in de besluitvorming voor de begroting van 2028 en 2029 en de daaraan voorafgaande begrotingsoverleggen.
De heer Schalk (SGP):
Het zou dus zo kunnen zijn dat het ook in die jaren het bedrag van 257 miljoen min het geld voor Oekraïne wordt?
Minister Sjoerdsma:
In alle eerlijkheid wil ik daar echt niet op vooruitlopen, ook omdat datgene wat ik net zei over Oekraïne echt kan gelden. We weten simpelweg niet wat er in 2028 en 2029 met Oekraïne aan de hand is. Ik hoop zelf dat we dan duurzame vrede hebben, maar dat zou betekenen dat we een veel groter bedrag nodig hebben dan we nu naar voren halen. Ik ken niet alleen dit kabinet, maar ik ken ook uw partijen en de partijen in de Tweede Kamer als zo dat we het echt cruciaal vinden dat wij onze bondgenoten daar blijven steunen als dat nodig is en dat die steun onverminderd blijft.
De voorzitter:
Waar bent u in blokje 2?
Minister Sjoerdsma:
Ik heb even gekeken, mevrouw de voorzitter. Ik heb, mede dankzij de interrupties, de gestelde vragen behandeld.
De voorzitter:
Mooi. Dan zijn we bij blokje 3: beleidsthema's.
Minister Sjoerdsma:
Beleidsthema's. Het zijn wel veel verschillende beleidsthema's. Ik zal proberen daar kwiek doorheen te gaan. De heer Koffeman vroeg waarom er wordt bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking terwijl juist deze instrumenten aantoonbaar effectief zijn. Ik ben het zeer met hem eens. Volgens mij haalde hij ook aan dat elke euro geïnvesteerd in preventie — dat geldt overigens ook in de gezondheidszorg — zich later terugbetaalt. Het voorkomt lijden, het voorkomt de noodzaak, het versterkt de weerbaarheid. Daarom is het ook cruciaal dat dit kabinet weer gaat investeren in ontwikkelingssamenwerking, niet alleen dit jaar dankzij de afspraken met PRO, maar ook volgende jaren. Specifiek zetten we ook in op conflictbemiddeling — dat is ook benoemd door de heer Koffeman — bijvoorbeeld door de oprichting van een mediation support unit en een aantal water- en vrede-en-veiligheidsprogramma's die gericht zijn juist op het bewerkstelligen van vrede.
De heer Koffeman vroeg ook of de minister van mening is — dat is ook een terechte vraag — dat ontwikkelingslanden maar ook Nederland voldoende beschermd zijn tegen infectieziekten. Laat ik daarover het volgende zeggen en misschien kan ik als enige voorbeeld ebola noemen. We zien evident dat het terugtrekken van USAID een enorm gat heeft geslagen in een land als DRC, dat het het land veel kwetsbaarder heeft gemaakt dan het was. We zien dat in het aantal infecties, we zien dat in de zorgwekkende grafieken. Dat is ook de reden waarom ik het zo belangrijk vond om wel deze afspraken met GroenLinks en Partij van de Arbeid te maken, omdat die geld beschikbaar maakten dat meteen naar de Wereldgezondheidsorganisatie kan, dat meteen kan worden ingezet bij deze haarden. Het kan ook naar andere organisaties gaan, zoals de kindervaccinatiealliantie Gavi. Ik ben het dus zeer met hem en met zijn opmerkingen eens.
Mevrouw Karimi vroeg: hoe doet Nederland het eigenlijk met het behalen van de SDG's? Laat ik daarop in algemene zin zeggen dat ik hele grote zorgen heb over het behalen van de SDG's in 2030. We zien — ik was niet lang geleden in New York — zeer verontrustende berichten van eigenlijk alle VN-organisaties: dat we de doelen gewoon niet aan het halen zijn, en dat we ze ook niet gaan halen tenzij we een enorm been bijtrekken. Specifiek over Nederland: we maken echt voortgang op SDG 5, gendergelijkheid, en SDG 9, industrie, innovatie en infrastructuur. Maar je ziet ook echt grote uitdagingen, bijvoorbeeld op het punt van de Nederlandse voetafdruk. De Nederlandse voetafdruk is gewoon wat dat betreft te groot. Vooruitgang is hier ook echt een zaak van de overheid met maatschappelijke organisaties.
Dan had mevrouw Karimi … Deze vraag heb ik beantwoord.
De heer Koffeman vroeg ook, net als mevrouw Karimi overigens, naar de terugkeerhubs. Ik heb dat net beantwoord. Ik wil daaraan toevoegen dat wat Nederland betreft — u kunt dat ook terugvinden in een belangrijke brief van de minister van Asiel en Migratie — er zeer strenge voorwaarden zijn verbonden aan deze terugkeerhubs op het gebied van mensenrechten, internationaal recht en opvang. Ik vind het ook wel belangrijk dat wij ons best doen om landen die bereid zijn om zo'n hub te maken, daarbij te assisteren, maar ook helpen te voldoen aan die voorwaarden.
De heer Hartog van Volt vroeg mij naar de effecten van de substantiële bezuinigingen op de Nederlandse maatschappelijke organisaties. Die zijn evident; daar ga ik ook niet omheen draaien. Het is evident dat de bezuinigingen zoals die zijn uitgevoerd Nederlandse maatschappelijke organisaties hard hebben geraakt, en dat zij zich ook gemarginaliseerd hebben gevoeld in het maatschappelijk debat; laat ik zo zeggen. Vanaf het moment dat ik mocht toetreden tot dit kabinet heb ik er een prioriteit van gemaakt om die band te herstellen, omdat ik het essentieel vind dat als wij andere landen aanspreken op het feit dat zij maatschappelijke organisaties proberen te knechten of monddood proberen te maken, je in eigen land ook bereid moet zijn om te luisteren naar kritiek. Ik heb dus ook in een van de eerste weken alle maatschappelijke organisaties op het gebied van ontwikkelingssamenwerking bij mij op het ministerie uitgenodigd om met hen te praten over hoe samen te werken. Hoe zij dat hebben ervaren: dat zal ik aan hen laten. Ik heb het zelf als zeer constructief ervaren. Ik hoop dat we die strategische samenwerking, die dialoog die we altijd hadden, kunnen herstellen, want ik moet eerlijk zeggen: ik ben ontzettend trots op die organisaties. Als je het hebt over topsectoren, dan kunnen we het hebben over ASML en fotonicabedrijven; dat moeten we ook doen. Maar dan gaat het ook over de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties.
De heer Hartog vroeg ook of wij de bezuinigingen op vrouwenrechten en gendergelijkheid willen stoppen. We zijn inderdaad van plan om vanaf de begroting 2027 opnieuw te investeren in vrouwenrechten en gendergelijkheid. Wij zullen dat in die begroting vervatten. Daar wil ik nu niet op vooruitlopen.
De heer Koffeman vroeg hoe zinvol het is om geld voor de wederopbouw van Oekraïne vrij te maken en of Nederland zich ook gaat inzetten voor vredesbesprekingen. Ik wil daar een paar dingen over zeggen. Eén: er is een één agressor hier en dat is Rusland. Als Rusland vandaag stopt met z'n aanvallen, dan is het vandaag vrede. Oekraïne wil graag onderhandelen over vrede. Oekraïne heeft dat ook zeer vaak constructief laten weten. Rusland heeft die bereidheid nog niet laten zien. Dan vind ik ook dat Oekraïne in de tussentijd, gelet op wat er gebeurd is, onze onverminderde steun verdient, zowel militair als niet-militair. Daarom ben ik, nogmaals, heel blij met wat we nu in de begroting van 2026 kunnen doen, omdat we zien dat Rusland zeer gericht onder andere het elektriciteitsnetwerk van Oekraïne kapot probeert te maken. Dat hebben ze vorige winter geprobeerd om de geest van de Oekraïners te breken. Dat moeten we deze winter voorkomen.
De heer Koffeman (PvdD):
Ik begrijp dat Rusland de agressor is. Daar is ook geen discussie over. Ik begrijp ook de penibele situatie waarin Oekraïne zich bevindt. Daar is ook geen discussie over. Maar de vraag was: wat doet dit kabinet aan de-escalatie? Ook een agressor zou je moeten proberen aan tafel te krijgen in plaats van er nog steeds kunstmest of andere grondstoffen van te kopen, waarmee je z'n oorlogsindustrie steunt. Mijn vraag was dus: wat doet dit kabinet aan de-escalatie, anders dan wapens leveren aan de onderdrukte partij, de binnengevallen partij? Wat doen we aan de-escalatie om partijen aan tafel te krijgen, anders dan zeggen dat die Russen gewoon niet aan tafel willen en we er dus ook niets aan hoeven te doen?
Minister Sjoerdsma:
Ik denk dat het kabinet dolgraag zou inzetten op de-escalatie, maar dan moeten de voorwaarden er zijn. In de huidige omstandigheden is Rusland bereid om eigenlijk alles te doen om Oekraïne, de Oekraïense mensen, de Oekraïense cultuur te vernietigen. Net is weer een klooster vernietigd. Als we dat zien, als we dat aanhoudend zien en eigenlijk zonder enige pauze, dan kunnen we eigenlijk niet anders dan constateren dat elke stap tot de-escalatie nu door Poetin zal worden uitgelegd als een teken van zwakte. Dat hebben we ook de afgelopen jaren gezien. Telkens wanneer andere landen geen rode lijn trokken bij agressie van Poetin, vatte hij dat op als uitnodiging om verder te gaan. Niemand zal liever vrede willen dan de Oekraïners of dan dit kabinet, maar tegelijkertijd moeten we de vrede niet in handen leggen van Russische voorwaarden. Dat lijkt me onverstandig.
De heer Koffeman (PvdD):
Dat begrijp ik heel goed. Daar pleit ik ook helemaal niet voor. Ik pleit ervoor om aan de-escalatie te werken en te kijken wat we daar kunnen doen. Een belangrijk element daarvan zal zijn dat we stoppen met handel drijven met Rusland en met het steunen van de oorlogseconomie van Rusland. Dat doen we nog steeds. Dat is eigenlijk gewoon niet te rechtvaardigen wanneer je zegt: kijk eens wat die Oekraïners aangedaan wordt door dat Russisch oorlogsapparaat. Wij steunen dat oorlogsapparaat. Mijn vraag was: wat doen wij aan de-escalatie om dat te voorkomen?
Minister Sjoerdsma:
Ik weet dat het onbeleefd is en zo bedoel ik het niet, maar dan zou ik willen vragen wat er bedoeld wordt met de-escalatie.
De heer Koffeman (PvdD):
Bijvoorbeeld het niet meer steunen van de Russische oorlogseconomie.
Minister Sjoerdsma:
Alles wat het kabinet kan doen binnen de mogelijkheden, binnen de Europese context, om ervoor te zorgen dat de Russische oorlogseconomie wordt lamgelegd, zal het kabinet doen. Daar is ook ontzettend veel gedaan. We hebben ons heel snel losgeweekt van het Russisch gas. Dat ging niet zonder pijn gepaard, moet ik in alle eerlijkheid zeggen. Ik ben er ook trots op dat we dat hebben gedaan, dat we die keuze hebben gemaakt. Dat er nog meer van dit soort moeilijke keuzes voor ons liggen, zien we bij elk aanvullend sanctiepakket. Ik zal deze steun van de heer Koffeman absoluut meenemen bij de volgende besluitvorming. Ik zal de minister van Buitenlandse Zaken vertellen dat er nog bredere steun is dan we misschien al dachten. Dan kom ik op vragen van de heer Van Ballekom van de VVD. Hij vroeg onder andere of ik bereid ben om de inzet van projectfinanciering voor internationale financiële instellingen via regionale ontwikkelingsbanken te vergroten. Ja, de inzet via die banken, onder andere de Wereldbank, is ontzettend groot en wordt op het bestaande niveau voortgezet. Daarmee wordt deze steun ten opzichte van het gehele budget vergroot. We willen daarmee onderstrepen — dit heb ik recent gedaan in mijn gesprek met de president van de Wereldbank — hoe essentieel deze partners zijn om niet alleen grootschalig en efficiënt te werken, maar ook als hefboom om meer geld los te trekken; ik zeg het op zijn Nederlands.
De heer Van Ballekom vroeg ook: waarom is Nederland geen aandeelhouder van de Caribbean Development Bank. Wij zijn aandeelhouder in de Wereldbank, maar ook in de Inter-American Development Bank en zo dragen wij ook bij aan investeringen en projecten in de Caribische regio. Ik zal zelf nagaan waarom we specifiek geen aandeelhouder zijn van de Caribische Ontwikkelingsbank. Als ik daarover nog nadere nuttige informatie heb, kom ik er graag op terug bij de heer Van Ballekom.
Er is ook nog gevraagd — volgens mij door de heer Van Gasteren — naar welk concreet deel van de begroting gekoppeld is aan opdrachten waarbij Nederlandse bedrijven structureel kunnen meedingen. Er zijn heel veel programma’s waarin Nederlandse bedrijven een belangrijke rol kunnen spelen. Om er een paar te noemen met grote kansen: onder artikel 1.3 van mijn begroting vallen bijvoorbeeld infrastructuurprogramma's in ontwikkelingslanden zoals DRIVE en D2B, uitgevoerd door Invest International. Dat zijn ook programma's die ontzettend gewaardeerd worden door het Nederlandse bedrijfsleven. Het geldt ook voor andere artikelen zoals 1.2 en 1.5. Het is niet cruciaal, want we kijken ook naar links. Ik weet dat er veel waarde wordt gehecht aan de Dutch Diamond, de samenwerking op voedsel en water, en tussen kennisinstellingen, bedrijven en de overheid. Daarop wordt ook geïntensiveerd. Ik noem een voorbeeld: in de periode 20219-2024 is 233 miljoen aan opdrachten en aanbestedingen ontvangen via de Wereldbank.
De fractie Van Gasteren vroeg ook naar het toetsingskader met landen waar bestuurders banden onderhouden met georganiseerde criminaliteit. Ik versta er maar even onder dat dit gaat over Sierra Leone op dit moment. Het kabinet zegt daarover dat de Europese steun richting de overheid van Sierra Leone moet worden stopgezet, gelet op het feit dat daar sprake is van vergaande state capture door een Nederlandse crimineel.
De heer Van Gasteren vroeg ook naar de afwegingscriteria en de parlementaire verantwoording over de gelden die via derden worden besteed. Dat is ook een goede vraag. Middels de jaarverantwoording leg ik aan uw Kamer verantwoording af. De jaarverantwoording 2025 bespreek ik toevallig deze week met de Tweede Kamer. In algemene zin geldt natuurlijk dat wij partners kiezen en altijd het doelmatige kanaal kiezen, waarbij ik wil herhalen wat ik net ook zei, dat de Algemene Rekenkamer echt onder de indruk is van hoe de besteding van Nederlandse euro's wordt verantwoord. Ik wil niet zeggen dat het altijd goed gaat, maar in hel veel gevallen gaat het wel goed.
Mevrouw Visseren-Hamakers vroeg nog om de mogelijkheden te verkennen om investeringen in bredere weerbaarheid ook in te zetten voor ontwikkelingssamenwerking. Wij onderstrepen de samenwerking van Ontwikkelingssamenwerking in het kader van veiligheid. Over de 1,5% uitgaven aan brede weerbaarheid en veiligheid rapporteert het kabinet in het voorjaar aan de NAVO. Daarbij betrekt het kabinet doorlopend alle budgetten op de rijksbegroting.
De heer Koffeman vroeg nog hoeveel er de komende jaren ...
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dank voor de beantwoording door de minister. Ik bedoelde het eigenlijk andersom. Hoe kan het geld van die 1,5% NAVO-norm bijdragen aan ontwikkelingssamenwerking? En niet, hoe kan ontwikkelingssamenwerking bijdragen aan de 1,5% NAVO-norm? Dat is juist wat ik niet bedoelde.
Minister Sjoerdsma:
Ik snap het. Dat is in alle eerlijkheid geen heel makkelijke vraag. Ik zal die mee terug nemen. Ik zal nadenken of ik daarop in tweede termijn een beter antwoord heb dan ik dat nu heb. Persoonlijk ga ik niet over die 1,5%, want daar gaat de minister van Defensie over. Ik kom daar even op terug.
De voorzitter:
Dat wordt dus de tweede termijn.
Minister Sjoerdsma:
De heer Koffeman vroeg hoeveel er wordt bezuinigd op de diplomatieke en consulaire dienst. Daarover wil ik graag zeggen dat het postennet is uitgezonderd van de apparaatstaakstelling en dat het kabinet vanaf 2027 jaarlijks 35 miljoen euro extra investeert in de diplomatie. Wat wel zo is, is dat de taakstelling van het vorige kabinet blijft staan.
Hij vroeg ook welke ambassades worden geraakt. Die vraag begrijp ik ook. Het vorige kabinet heeft het voornemen uitgesproken om de ambassades in Burundi, Cuba, Zuid-Sudan, Libië en Myanmar, evenals de consulaten-generaal in Antwerpen en Rio de Janeiro te sluiten. Daarnaast is in de Kamerbrief over het postennet opgenomen dat het noodzakelijk is om de komende periode nog vier posten te sluiten. In de beleidsbrief die wij in april hebben gestuurd, hebben wij laten weten dat een nadere invulling van de intensivering van het postennet zal volgen in de ontwerpbegroting voor 2027. Daarin zal ook worden aangegeven wat wel en niet gesloten wordt en wat eventueel wordt geopend. Ik begrijp het belang van deze vraag. Dat was het blok beleidsthema's.
De voorzitter:
Dan heb ik een vraag. We hebben nog het blokje UNRWA en handel. Als dat binnen een kwartier kan, dan gaan we door tot de dinerpauze. Als dat niet binnen een kwartier kan, dan gaan we nu schorsen voor de dinerpauze.
Minister Sjoerdsma:
Zullen we kijken hoever we komen?
De voorzitter:
Dat kan, maar dan ga ik wel rond 18.45 uur schorsen. We gaan verder.
Minister Sjoerdsma:
Ik ga echt mijn best doen, mevrouw de voorzitter. Ik doe dan eerst even het blokje handel. De heer Beukering vroeg welk objectief toetsingskader het kabinet hanteert bij de afweging om diplomatieke maatregelen te nemen. Voor ons geldt dat het altijd een afweging is tussen dialoog en druk, en dat het altijd belangrijk is om consistent te zijn. Zo heb ik de heer Beukering ook goed gehoord. Tegelijkertijd liggen er, als het gaat om Israël, uitspraken van het Internationaal Gerechtshof die de situatie anders maken dan de situaties die de heer Beukering aanhaalt. Hij vroeg ook naar de wet inzake nederzettingenproducten en hoe wordt voorkomen dat een dergelijke juridisch afgebakende maatregel maatschappelijk gaat functioneren als iets waardoor Joodse en Israëlische ondernemers indirect worden geraakt. Laat ik hier heel helder zeggen dat het kabinet elke vorm van Jodenhaat verwerpt en veroordeelt. Dat mag op geen enkele manier een effect van deze maatregel zijn. Deze maatregel ziet uitsluitend op de illegale en onrechtmatige nederzettingen die door de Israëlische regering zijn gesticht. Dat onderscheid is in beleid en in taal keihard.
De voorzitter:
Minister, ik heb een fout gemaakt. De commissie Financiën vergadert nu en de voorzitter van de commissie Financiën zit hier. Daarom zal ik toch moeten schorsen voor de dinerpauze. We gaan om 19.30 uur verder.
De vergadering wordt van 18.29 uur tot 19.30 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Terwijl ik praat, hoop ik dat mijn griffiers binnenkomen. Wij hebben tot 21.00 uur voor het restant van de beantwoording van de minister. Dat gaat over de UNRWA en handel. Dan hebben we nog een tweede termijn van de Kamer. Ik heb al van een aantal woordvoerders gehoord dat er al best veel is uitgebeend, dus wellicht dat het nu wat korter kan. Ik zei "uitgebeend". Sorry, laten we zeggen "uitgeplozen", dat is veganistisch. Ik geef graag de minister het woord voor de laatste twee blokjes.
Minister Sjoerdsma i:
Dank, voorzitter. Ik was inderdaad gekomen bij het blokje handel. Ik heb een aantal vragen van de heer Beukering al behandeld. Ik had nog één vraag staan. Die ziet op het sanctiebesluit producten nederzettingen. Hij vroeg wie de oorsprong bepaalt en controleert en welke rol Douane en toezichthouders hierin hebben. De oorsprong van de goederen wordt bepaald aan de hand van de EU-postcodelijst in combinatie met de oorsprongregels, zoals opgesteld onder het EU-handelsakkoord. Het is aan exporteurs om de oorsprong van een product aan te duiden en aan de importeurs om een correcte aangifte te doen bij de Douane. Dan zal de controle plaatsvinden door de Douane en de FIOD. Er wordt bij ons van uitgegaan dat dit, gelet op de strafmaat, een dermate preventieve werking zal hebben dat mensen zich er echt van gaan vergewissen dat ze geen producten importeren vanuit deze postcodes en op die manier de illegale en onrechtmatige nederzettingen legitimeren.
De heer Hartog vroeg naar de mogelijkheid dat handelspartners van de EU zich beroepen op de MFN-clausule naar aanleiding van de afspraken met de Verenigde Staten. In theorie kunnen handelspartners zich beroepen op de MFN-clausules, maar derdelanden hebben dat nog niet gedaan. Wij verwachten ook niet dat ze dat gaan doen, gelet op het feit dat de EU al relatief lage importtarieven hanteert.
De heer Koffeman vroeg naar Mercosur. Hij vroeg wat de minister vond van de wijze waarop de Europese Unie delen voorlopig in werking heeft laten treden. Hij vroeg naar de democratische legitimiteit. Hij vroeg naar het belang van democratische controle. Daarbij wil ik graag precies zijn. Dat is dat er vooralsnog alleen sprake is van een voorlopige toepassing van de handelsafspraken in het EU-Mercosur-akkoord. Dat besluit is genomen door de Raad van de Europese Unie, conform de regels in het EU-Werkingsverdrag. De Raad heeft dit besluit in januari met een gekwalificeerde meerderheid genomen. Voor de helderheid: Nederland stemde voor, in lijn met de motie van de Tweede Kamer, de motie-Erkens, die ook kon rekenen op steun van een meerderheid in de Tweede Kamer.
De volgende stap in het proces van de democratische controle is dat het Europees Parlement besluit over de ratificatie. Wanneer dat gebeurt, is aan het Europees Parlement. Daarna volgende nationale ratificaties van de bredere EU-Mercosur-partnerschapsovereenkomst met daarin niet alleen de handelsafspraken, maar ook onderwerpen zoals migratie. Kortom, de parlementaire betrokkenheid, nationaal en Europees, is goed geborgd.
De heer Dessing van Forum voor Democratie vroeg hoe realistisch het is dat de Europese Unie Nederlandse boeren tegemoet gaat komen. Ik wil graag benadrukken dat handelsakkoorden in algemene zin van belang zijn voor de toegang van Nederlandse bedrijven tot strategisch belangrijke markten. Dat geldt ook voor de landbouwsector. Dat blijkt ook uit de toegenomen handelsstromen na de invoering van handelsakkoorden in het verleden. Ik heb er vertrouwen in dat dit ook weer met Mercosur zal gelden. In de onderhandelingen is natuurlijk wel oog geweest voor de belangen van de sector, die te maken kunnen krijgen met concurrentie uit de Mercosur-landen. Dat snap ik heel goed.
De volgende maatregelen zijn genomen om Europese boeren te beschermen. Eén. De import van producten, zoals rundvlees en pluimveevlees, tegen gunstige tarieven wordt beperkt door invoerquota. Twee. Er zijn nooit eerder zulke strenge vrijwaringsmaatregelen afgesproken bij een handelsakkoord voor landbouwproducten als nu, voor als er ernstige marktverstoring zou dreigen. Drie. De Europese Commissie heeft ook financiële compensatie voorgesteld onder het MFK voor het geval boeren te maken krijgen met verstoringen. Dus ja, ik heb er wel vertrouwen in dat de Europese Unie boeren zal ondersteunen, als er sprake is van ernstige verstoringen op de markt.
Dan ben ik aan het einde gekomen van het blokje handel.
De voorzitter:
We hadden ook nog een blokje UNRWA.
Minister Sjoerdsma:
Dat klopt. Ik ben bij het laatste blokje, het blokje UNRWA. Ik denk dat een paar dingen daarbij belangrijk zijn. Ik heb in de brief van 30 maart aan de Tweede Kamer aangegeven dat ik voornemens ben om de financiering van UNRWA te herstellen naar het oude niveau, conform het coalitieakkoord, en om dat te bij de suppletoire begroting van september te doen. Dat is vanwege het feit dat de humanitaire situatie in Gaza, maar ook de bredere situatie in Jordanië en Libanon en op de Westelijke Jordaanoever, enorm ingewikkeld is en UNRWA onmisbare hulp en assistentie verleent aan Palestijnse vluchtelingen in de hele regio. Ik moet daaraan toevoegen dat dat gemandateerd is door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Ook landen in de regio — ik noem maar even Jordanië en Libanon — drukken er ontzettend hard op aan dat dit door moet gaan, omdat de druk op hun systemen echt al enorm is.
Ik begrijp ook de zorgen die in uw Kamer leven over mogelijke verwikkelingen met Hamas. Dat signaal neem ik mee. Dat is geen nieuw signaal en dat signaal komt ook uit de Tweede Kamer. Nederland neemt die zorgen altijd zeer serieus. Daarom blijft Nederland samen met andere donoren toezien op de uitvoering van de aanbevelingen uit het Colonnarapport om de neutraliteit en integriteit van UNRWA te versterken. UNRWA is hier ook mee aan de slag. We nemen die risico's serieus en we zullen dit ook altijd zeer sterk in de gaten blijven houden.
De heer Hartog vroeg of dit zo snel mogelijk kon. Ik heb daarover gezegd: we doen dat in de suppletoire begroting in september 2026.
De heer Schalk vroeg of het klopt dat we dat bij de suppletoire begroting gaan doen. Hij vroeg ook naar de onderbouwing. Ik hoop dat ik daar net het een en ander over heb gezegd. De hulpvraag van landen als Jordanië en Libanon om dit te doen, de unieke positie van deze organisatie, het feit dat het een VN-gemandateerde organisatie is plus het feit dat uit alle onafhankelijke onderzoeken blijkt dat de controlemechanismes binnen deze organisatie op orde zijn, maken dat dit kabinet de bijdrage aan UNRWA wil herstellen naar de oorspronkelijke mate van 19 miljoen euro per jaar. Ik hoop daarbij uiteraard op brede steun, gelet op de noodzaak in de regio.
Ik wacht even.
De heer Schalk i (SGP):
Mevrouw Karimi heeft aangegeven dat het onderdeel was van de deal, zo heb ik begrepen. Dat is heel makkelijk terug te vinden in de Handelingen. Hoe kijkt de minister daarnaar?
Minister Sjoerdsma:
In alle eerlijkheid zeg ik dat ik mevrouw Karimi zo niet had begrepen, maar ik wil daar wel duidelijk over zijn. De steun aan UNRWA zoals voorgesteld door het kabinet is geen onderdeel van de afspraken met GroenLinks-Partij van de Arbeid. Het is een voornemen van het kabinet om dat per suppletoire begroting in september van dit jaar te doen. Die helderheid wil ik graag verschaffen richting de heer Schalk. Daarover wordt overigens ook weer gestemd door de Tweede Kamer en door uw Kamer.
De heer Schalk (SGP):
Zeker. Nu is dat regeerakkoord van een aantal maanden geleden. Inmiddels is nog steeds niet helemaal duidelijk of die UNRWA-medewerkers wel of niet fout geweest zijn. Hoe kan het dat er nu al het voornemen is om dat in september gewoon te doen?
Minister Sjoerdsma:
Dank voor de vraag. Ook dank voor de zorgvuldigheid waarmee de vraag gesteld wordt. Ik denk dat twee zaken hierbij cruciaal zijn. Eén. Er zijn de internationale onafhankelijke onderzoeken. Die zijn ook voor Nederland belangrijk. Nederland heeft niet voor niets in een eerder stadium besloten om hulp op te schorten. Dat was omdat de zorgen groot waren, maar naar aanleiding van die zorgen heeft er internationaal onafhankelijk onderzoek plaatsgevonden. Er is onvoldoende bewijs geleverd voor de vermeende banden tussen UNRWA en Hamas.
Ik zou daaraan willen toevoegen dat UNRWA ondanks het ontbreken van dat bewijs gemeend heeft serieuze stappen te moeten zetten en tien medewerkers te moeten ontslaan. Ze wilden ook niet de schijn laten bestaan; laat ik het zo zeggen. Ik zeg daarbij dat ik zeker weet dat de rechter het ontslag had teruggedraaid als dit in de Nederlandse context was gebeurd. De organisatie heeft die schijn niet willen laten bestaan. Ik denk dat dat ongelofelijk belangrijk is. Uit het Colonnarapport blijkt ook dat UNRWA echt sterke systemen heeft voor neutraliteit en integriteit. Ik voeg hier nog een keer aan toe, ook voor de heer Schalk: als er bewijzen zijn van het tegenovergestelde, dan zal het kabinet daar uiteraard op acteren. Daarin voelen wij hetzelfde.
Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):
Zou de minister ten aanzien van wat hij net heeft geantwoord ook de actuele situatie kunnen meenemen? Op 12 juni jongstleden zijn er namelijk 70 UNRWA-medewerkers per direct ontslagen, met als reden dat zij banden hebben met Hamas.
Minister Sjoerdsma:
Dat kan ik in alle eerlijkheid niet bevestigen. Ik ga er ook een beetje voorzichtig mee zijn, vanwege wat ik net heb gezegd, namelijk dat internationaal onafhankelijk onderzoek aantoont dat er onvoldoende bewijs is. Het ontslag van deze 70 medewerkers maakt volgens UNRWA geen deel uit van een disciplinaire procedure en betekent ook op geen enkele manier dat de beschuldigingen richting hen worden bevestigd. Dus daar wil ik wel iets voorzichtiger zijn dan nu vanuit u komt.
Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):
Ik heb ook de vraag aan de minister gesteld: wat zouden wél de aanvullende feiten voor de minister moeten zijn om de steun aan UNRWA te heroverwegen? Ook zou ik nog wel graag van de minister willen weten waarom hij toch niet iets doet aan diversificatie door het verspreiden van het geld onder verschillende organisaties.
Minister Sjoerdsma:
Dat is een terechte vraag en die snap ik ook goed. Het is ook een vraag die zeer leeft in de Tweede Kamer. Het antwoord hier is dat wij en-en doen. Dus wij herstellen én de financiering van UNRWA én wij maken serieus werk van diversificatie, zoals niet alleen gevraagd door uw partij, maar ook door andere partijen. De diversificatie vindt plaats via maatschappelijke organisaties, via VN-organisaties, onder andere UNICEF. Daarbij moet ik ook in alle eerlijkheid zeggen dat die diversificatie niet zal betekenen dat UNRWA daarmee overbodig wordt, zeker niet op korte termijn. Dat is simpelweg de centrale positie die UNRWA inneemt.
Dan moet ik in alle eerlijkheid zeggen dat ik uw eerste vraag even kwijt ben.
Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):
De eerste vraag ging eigenlijk meer over: wanneer is er voor de minister wel reden genoeg om te zeggen dat hij het gaat heroverwegen?
Minister Sjoerdsma:
Ook een terechte vraag en ook een vraag die in het debat in de Tweede Kamer vaak wordt gesteld. Het gaat dan over bewezen banden die aantonen dat UNRWA eigenlijk op een structurele manier geen opvolging geeft aan de veiligheidswaarborgen die wij van zo'n organisatie mogen verwachten. Dat hebben we nog niet gezien, maar het is wel zo dat wij … Ik wil niet zeggen "elk nieuwsbericht", maar wij nemen wel elke aanwijzing dat er sprake zou kunnen zijn van dergelijke banden zeer serieus. Maar de aanwijzingen moeten wel verifieerbaar en onafhankelijk verifieerbaar zijn. We hebben in het verleden namelijk ook gezien dat onderzoeken zeer beschuldigend leken te zijn, maar als je vervolgens onder de motorkap keek, bleek dat die onderzoeken toch niet de bewijzen bevatten waarvan werd gesteld dat ze die bevatten. En dan richten we hele grote schade aan, aan een organisatie die moeilijk werk doet onder nog moeilijkere omstandigheden.
De voorzitter:
Mevrouw Van Bijsterveld, tot slot.
Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):
Ja, tot slot. Ik wil u er toch op wijzen dat dit een nieuwsbericht is van 12 juni waarin wordt aangegeven dat de waarnemend chef van UNRWA, Christian Saunders, met onmiddellijk ingang het dienstverband van 70 medewerkers in Gaza heeft beëindigd vanwege hun banden met Hamas. Dus dit is een bericht dat gecommuniceerd wordt vanuit UNRWA zelf.
Minister Sjoerdsma:
Ja, voorzitter. Er is tussen mijn ministerie en UNRWA ook contact geweest hierover. Ik zeg u datgene wat ik net ook heb gezegd, namelijk dat volgens UNRWA dit ontslag geen deel uitmaakt van een disciplinaire procedure en ook op geen enkele manier betekent dat de beschuldigingen tegen deze mensen worden bevestigd. Iets anders kan ik niet herhalen in het publiek.
De heer Marquart Scholtz i (BBB):
Ik hoor de minister nu een paar keer zeggen dat er onafhankelijke internationale onderzoeken zijn geweest die aantonen dat er geen banden zijn geweest tussen UNRWA en de mensen die op 7 oktober 2023 tekeer gingen in Israël. Ik ken het Colonna-rapport, ik ken het OIOS-rapport en de aanbevelingen uit het Colonna-rapport en de conclusies van het OIOS-rapport, maar welke onderzoeken van welke instanties heeft de minister nu in het bijzonder op het oog als hij zegt: internationale onderzoeken hebben dat aangetoond?
Minister Sjoerdsma:
De beide onderzoeken die net werden genoemd.
De heer Marquart Scholtz (BBB):
Ik meen dat het Colonna-rapport ging over de procedures binnen de UNRWA en de onafhankelijkheid van de UNRWA, maar dat ze de banden tussen UNRWA en Hamas niet hebben onderzocht.
Minister Sjoerdsma:
Ik zal even kijken of dat in dat ene onderzoek niet zo werd bekeken, maar in algemene zin geldt wel dat het Colonna-onderzoek zeer diepgravend werk heeft gemaakt van in hoeverre de organisatie UNRWA vatbaar is voor invloeden van Hamas, hoe zij zich daartegen weren, hoe zij screenen, welke informatie zij daarvoor gebruiken, maar ook hoe zij omgaan met bijvoorbeeld Israël. Om daar maar eens een voorbeeld van te noemen: UNRWA deelt de staflijsten met de gastlanden. Dat geldt in het bijzonder ook voor Israël. Dat doen ze ieder kwartaal, voor screening, omdat ze er zelf geen capaciteit voor hebben. Ik denk dat het ook belangrijk is om hierbij te zeggen dat ondanks het delen van de staflijsten er dan vanuit Israël geen reactie komt. Dat is waar ik mij dus op baseer. Op die rapporten baseer ik mij. Andere onafhankelijke rapporten of rapporten die opkomen, zullen we weer beoordelen op hun merites.
De heer Marquart Scholtz (BBB):
Ik hoor hier weer andere rapporten. Welke zijn dat dan?
Minister Sjoerdsma:
Mochten er andere rapporten zijn, dan zullen we die beoordelen op hun merites.
Voorzitter. De heer Van Ballekom vroeg naar de inhoud van de onderwijsprogramma's van UNRWA. Dat snap ik goed. Daarover kort het volgende. De neutraliteit van de onderwijsmaterialen is van groot belang. Dat is een belangrijk punt voor uw Kamer, maar ook voor de Tweede Kamer. Daar zijn flinke stappen in gezet. Het onderwijsmateriaal voor klas 1 tot en met klas 4 is op dit moment volledig in lijn met de UNESCO-standaarden. De rest zal voor deze zomer volgen. Uiterlijk aan het einde van dit jaar is het onderwijsmateriaal volledig in lijn gebracht met de geldende standaarden. Ik wil de heer Van Ballekom ervan verzekeren dat we vanuit de donorwerkgroep kritisch meekijken op neutraliteit en integriteit.
Dat raakt aan de vraag die de heer Van Ballekom, maar ook de heer Beukering heeft gesteld, namelijk welke voorwaarden wij stellen voor de financiering. Ik heb daar net het een en ander over gezegd. Het belangrijkste is dus dat daar sterke systemen voor neutraliteit en integriteit bestaan en dat die ook worden gehandhaafd. Er is vastgesteld dat dat bij UNRWA sterker is dan bij die andere VN-organisaties, wat niet wil zeggen dat daar niets fout kan gaan. Het is belangrijk dat UNRWA dan onverwijld optreedt. In dat opzicht heb ik ook vermeld dat UNRWA enige tijd geleden al heeft besloten om tien mensen te ontslaan die de schijn tegen hadden. Het gaat om de schijn. Ik zeg het nogmaals: er is geen bewijs.
Voorzitter. Daarmee ben ik aan het einde gekomen van de beantwoording ten aanzien van UNRWA en dus ook aan mijn beantwoording in de eerste termijn.
De voorzitter:
En alle vijf blokjes, inderdaad. Dan ga ik graag over naar de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik geef het woord aan mevrouw Karimi van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Karimi i (GL-PvdA):
Voorzitter, dank u wel. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Ik denk dat wat wij vandaag hebben meegemaakt eigenlijk aangeeft hoe je als minderheidskabinet met de oppositie aan de slag gaat. Dat is een beetje onwennig. Normaal gesproken heb je als coalitie een meerderheid. Dan heb je een besluit genomen, kom je hier en ben je klaar. In dit geval is het een experiment; dat hebben wij bij het begin van dit kabinet al gezegd. Een minderheidskabinet kan ook een risicovol experiment zijn. Tegelijkertijd hebben wij aangekondigd dat wij als PRO, als GroenLinks-PvdA, verantwoordelijk oppositie willen voeren.
Dit kabinet heeft de keuze om soms naar rechts en soms naar links te kijken. Bij het begin van de begrotingsbehandeling heeft de minister geprobeerd om via rechts zijn begroting in de Tweede Kamer rond te krijgen. Dat heeft hij niet alleen geprobeerd, maar ook gedaan. Ik zeg met nadruk richting mijn linkse vrienden dat wij ons uiterste best hebben gedaan om die weg af te snijden en ervoor te zorgen dat er met links zakengedaan zou worden. Daarom is die deal ook gesloten. Ik vind dat de minister dat heel nadrukkelijk heeft gezegd en duidelijk heeft gemaakt. Daarmee is er dit jaar gewoon extra geld beschikbaar. Daar is geen discussie over mogelijk. Dat geld gaat naar mensen die grote noden hebben. Die urgentie is enorm. Daarmee is voor deze begroting een keuze gemaakt die kan rekenen op onze steun. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om te benadrukken dat we er niet zijn. Dat heb ik ook in mijn eerste termijn gezegd.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Ik denk dat een reactie toch niet kan uitblijven, aangezien collega Karimi onder anderen mij en mijn fractie direct aansprak. Als er deals gesloten moeten worden, heeft het onze voorkeur dat dit kabinet een deal sluit over links in plaats van over rechts. Dat is natuurlijk mooi, denk ik. Maar laat er dan ook een linkse, progressieve en zo u wil barmhartige begroting voor Ontwikkelingssamenwerking uit komen, waar wij dan ook met z'n allen als links progressief sociaal-christelijk blok achter kunnen staan. Laat het dus niet een PVV-begroting zijn, waarin de begroting van 2,4 miljard grotendeels, voor 90%, overeind blijft, de koppeling op geen enkele manier hersteld wordt, het percentage dat uitgegeven wordt aan ontwikkelingssamenwerking in termen van het bni de komende jaren weer naar beneden gaat, en we enkel geld uit de toekomst naar voren halen, wat dan later weer aangevuld moet worden, maar waarvoor geen enkele garantie wordt gegeven. Ook deze minister geeft in de beantwoording in de eerste termijn niet de garantie dat dat dat aangevuld zal worden. Ik wil dus toch even stellen dat ik het mooi vind dat het kabinet naar links kijkt. Maar vervolgens helpt links, althans PRO, deze rechtse regering aan een meerderheid voor een PVV-begroting. Daar scheiden onze wegen.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Dat is allemaal voor rekening van collega Van Apeldoorn. Feit is alleen dat er dit jaar extra geld bij gekomen is. Ik ben niet gelukkig met die bezuinigingen; dat hebben we allemaal gezegd. Ik denk dat onze waarschuwing richting de volgende begroting ook heel erg duidelijk is. Ik heb hier de motie van collega Holterhues mee. Ik zou die letterlijk nog een keer kunnen indienen. Dat ga ik natuurlijk niet doen, want die motie staat er al. Die motie gaat niet weg. Die motie ga ik nog een keer onder de aandacht van de minister brengen. Volgens mij heeft het debat dat we vandaag hebben gehad echt duidelijk gemaakt dat met hetzelfde verhaal, met dezelfde bezuinigingen, zonder een substantiële beweging richting 0,7%, de volgende begroting het hier niet haalt. Dat wil ik hier nogmaals herhaald hebben.
Voorzitter. Ik wil afsluiten met een laatste punt. Ik had vanochtend een ontmoeting met de ambassadeur van Oekraïne, de heer Kostin. Hij vertelde wat er in de winter aan de hand was, namelijk aanvallen op energiecentrales, waardoor Oekraïners in de kou zaten en soms in -20 moesten overleven. Op dit moment zijn de aanvallen gericht op watercentrales. Ze weten ontzettend goed wat ze moeten aanvallen om de mensen daar hartstikke hard te raken. In die zin ben ik heel erg blij dat de hulp aan Oekraïne ook nu, in 2026, plaatsvindt. Ik wil graag de minister vragen of hij het punt van de watercentrales wil meenemen in gesprekken die hij heeft met Oekraïense collega's.
Dank u wel.
De heer Schalk i (SGP):
Even een vraag aan mevrouw Karimi. Elke keer als er in het debat over UNRWA werd gesproken, hoorde ik van de zijkant protesten, van "dat heb ik niet gevraagd" en dergelijke. Ik pak er even bij wat de onvolprezen meeschrijvers, zeg maar, al hebben aangeleverd. Daar zie ik gewoon staan wat mevrouw Karimi heeft gezegd: "Ten vierde wordt de UNRWA hersteld. Voor mijn fractie was het herstel van de bijdrage aan UNRWA een belangrijke voorwaarde." Dat is gewoon de tekst die mevrouw Karimi heeft gezegd. Met andere woorden: volgens mij is dat onderdeel van de deal. Anders heb je geen "ten vierde"; dan heb je gewoon een onderwerp. Maar hier is mevrouw Karimi vier punten aan het noemen over hoe belangrijk het was dat ze deze deal heeft gemaakt. Dit vierde punt heeft ze in haar eerste termijn in ieder geval zelf benoemd. Dat wilde ik graag even aan de orde stellen.
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Dank aan collega Schalk. Dat geeft mij de gelegenheid om terug te komen op dit misverstand. Ik begon mijn betoog met zeggen waarom wij toch nog vóór de begroting zullen stemmen. Daarover heb ik gezegd, en dan lees ik letterlijk vanuit mijn tekst: "Waarom? Omdat de uitkomsten van de debatten in de Tweede Kamer en de gemaakte afspraken met ons op een aantal cruciale punten tegemoetkomen aan onze bezwaren." Toen heb ik die vier punten benoemd. De UNRWA-discussie is eigenlijk van maart. Dat heeft helemaal niks te maken met een deal. Maar was het niet geregeld, had de minister het besluit niet genomen, dan was dit zeker onderdeel geweest van onze gesprekken.
De heer Schalk (SGP):
Een laatste verhelderende vraag. Als nu blijkt uit die onderzoeken, zoals zojuist gemeld door collega Van Bijsterveld, dat nog steeds die banden zijn met Hamas, is mevrouw Karimi dan ook bereid om te zeggen: dan laten we deze eis, wens of ernstige voorwaarde om gelden ook beschikbaar te stellen voor UNRWA, vallen?
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Ik kan een heel flauw antwoord geven en zeggen: ik geef geen antwoord op als-danvragen. Dat is wat je normaal in de politiek doet. Dat doe ik dus niet. Ik ga er inhoudelijk op in. De minister heeft van alle aantijgingen die tot nu toe tegen UNRWA zijn geweest, aangegeven hoe rapporten het duidelijk maken. Als er een kwestie is, treedt UNRWA ook op. Dat is heel belangrijk. Ik ga nu bijvoorbeeld dus niet zeggen: als er een casus zou zijn, is het afgelopen met UNRWA. Dat ga ik zeker niet doen.
De voorzitter:
De heer Hartog is aan de beurt. O, de heer Koffeman heeft nog een interruptie. Ik hoop dat we nu niet allerlei uitgebreide discussies gaan hebben, want ik heb echt een deadline om 21.00 uur.
De heer Koffeman i (PvdD):
Heel kort. Ik wil, via u, voorzitter, graag iets aan collega Karimi vragen. Collega Karimi zegt: ik ga niet in als-danvragen. Dat begrijp ik. Maar zij poneert zelf een als-danstelling. Ze zegt namelijk tegen de minister: als het volgend jaar weer zo is, dan stemmen we de begroting af en krijg je hem er niet door. Ik zou van die als-danstelling het volgende willen weten. Wat zijn uw overwegingen om nu te zeggen dat we in ieder geval nu kunnen helpen, omdat, zoals de hulporganisaties ook zeggen, die mensen nu geld nodig hebben? Hoe is dat volgend jaar, als diezelfde situatie zich voordoet en u zegt: ik ga de begroting toch niet steunen?
Mevrouw Karimi (GL-PvdA):
Deze discussie hebben we vanochtend gehad. Ik heb uitvoerig antwoord gegeven op de vraag waarom wij die overweging gemaakt hebben zoals wij hem gemaakt hebben, namelijk dat het een regering is die nu aantreedt en die een begroting heeft overgenomen. Daar ben ik absoluut niet gelukkig mee; dat weet u ook. Dan is er een begrotingsbehandeling in juni, met tegelijkertijd een suppletoire begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer. Daar moet je dus een keuze maken. Die keuze is de volgende. Aan de ene kant: laat ik het kabinet via rechts gaan, de VVD een plezier doen, het verder uitkleden en er dan misschien ook hier nog een meerderheid voor krijgen? Of, aan de andere kant: doe ik m'n uiterste best om toch in ieder geval onze minimumeis, namelijk herstel van de koppeling, te realiseren en dan door te gaan? Maar voor 2027 maken we de wens van deze Kamer heel helder en duidelijk: die koppeling moet echt betekenisvol moet zijn en er moet extra geld bij komen.
De voorzitter:
Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Hartog van Volt.
De heer Hartog i (Volt):
Voorzitter. De leden van de Volt-fractie zijn de minister en zijn team dankbaar voor de antwoorden die zij op de gestelde vragen hebben gegeven.
Ik trek op dit moment de volgende conclusies uit het debat. De leden van de Volt-fractie hebben bij de minister persoonlijk een hart voor ontwikkelingssamenwerking gezien. Van het kabinet is dat minder duidelijk. Het is positief dat er via een aankomende suppletoire begroting dit jaar meer geld voor ontwikkelingssamenwerking beschikbaar wordt gemaakt. De manier waarop dit gebeurt, verdient echter geen schoonheidsprijs. Het lijkt erop dat iedereen zijn eigen realiteit heeft wat betreft het afgesloten akkoord, dat een beetje trumpiaans is. Zo is bijvoorbeeld het gebruik van de kasschuifmethode in dit geval niet budgettair zuiver, in onze ogen.
Voorzitter. Over twee weken gaan we over deze begroting stemmen. Met een stem voor deze begroting continueren wij het draconische bezuinigingsbeleid dat de vorige regering heeft ingezet met een marginale bijstelling. We leggen dit beleid ook politiek vast voor de komende vier jaar. We stemmen in de ogen van mijn fractie in met een oneigenlijk gebruik van de begrotingstechniek van de kasschuif. We geven ook aan dat Nederland zelfs op middellange termijn niet zal voldoen aan de OESO-afspraak om 0,7% van ons bni aan officiële ontwikkelingshulp te besteden. Met een stem voor deze begroting geven we ook indirect, maar wel effectief, gedoogsteun aan de inwerkingtreding van de Wet strafbaarstelling verheerlijking van terrorisme. We moeten politiek niet naïef zijn.
Met een stem tegen deze begroting geven we aan dat we voorstander zijn van een zuiver begrotingsbeleid. Dan geven we ook aan dat we als Kamer hechten aan de uitvoering van de door deze Kamer aangenomen moties. Daarnaast geven we aan dat we vandaag alleen over de begroting van 2026 willen beslissen, en de toekomst niet willen hypothekeren. Een tegenstem geeft de minister de gelegenheid om nu al invulling te geven aan wat in het eerste coalitieakkoord is afgesproken. In mijn eerste termijn heb ik al aangegeven dat dit niet tot onoverkomelijke problemen zal leiden. De leden van de Voltfractie zullen een nieuwe begroting constructief benaderen en ook voortvarend willen behandelen. Ik heb vandaag al een suggestie gedaan.
Zoals de begroting nu voorligt, zal ik mijn fractie adviseren om tegen te stemmen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Dessing van Forum voor Democratie.
De heer Dessing i (FVD):
Voorzitter. Waar zijn we vandaag in hemelsnaam mee bezig? Het debat van vandaag legt de wanhoop van dit kabinet pijnlijk bloot. De enige begrotingstruc die nog over was om de begroting te redden, was om geld te halen uit de toekomst, zelfs over zijn eigen termijn heen, uit 2031. Dat geld moeten we bovendien lenen, omdat het geld er niet is. Het is een beleidskeuze in de toekomst, die een fait accompli is voor een toekomstig kabinet.
Voorzitter. Het is financieel onverantwoord en beleidsmatig onrechtmatig. Bovendien maakt dit debat ook iets anders pijnlijk duidelijk. Het huis van de senaat, dat zich laat voorstaan op zorgvuldigheid en rechtsstatelijkheid, bleek vandaag een soort marktplaats waar wetten uitruilbaar zijn en principes te koop zijn. Hiermee is het budgetrecht van deze Kamer definitief verwaterd, los van de vraag of wat hier vandaag is gebeurd technisch gezien wel kan. De Kamer verliest vandaag definitief haar geloofwaardigheid. Dit is een zwarte dag in de parlementaire geschiedenis.
Voorzitter. Het uitruilen van principes, het offeren van de zorgvuldigheid en het hiermee tornen aan de integriteit van de senaat doen ons pijn. Laat dat vandaag gezegd zijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van Strien van de PVV. Nee, de heer Van Strien heeft zich niet ingeschreven. Ik bedoel: de heer Schalk van de SGP.
De heer Schalk i (SGP):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik zou eigenlijk willen beginnen met een van de eerste zinnen van de beantwoording door de minister. Natuurlijk dank ik hem voor de rustige manier waarop we het debat hebben kunnen voeren en de wijze van antwoorden. We werden het niet geheel eens, maar goed. Een van zijn eerste zinnen ging over welbegrepen eigenbelang. Ik heb even opgezocht wat dat nou eigenlijk is. Dan zie ik staan dat dit het principe is waarbij rationeel en vooruitziend wordt gehandeld. "Door rekening te houden met de belangen van anderen of het collectief, realiseer je op de lange termijn het meeste voordeel voor jezelf." Als het motief van de regering is dat we uiteindelijk hulp verlenen vanuit het idee dat het grootste voordeel voor onszelf zou moeten zijn, dan schrik ik daar toch een beetje van. Misschien wil de minister daar nog even op reflecteren.
Het tweede punt dat ik graag wil maken, gaat over de kasschuif. We begrijpen dat we op dit moment op een percentage van 0,44% van het bni zitten en dat dit alleen in 2026 naar 0,53% gaat. Op termijn gaat het naar 0,48% en 0,49%. Dat komt alleen omdat er extra geld, 257 miljoen per jaar, is toegediend. Dat is natuurlijk op zich mooi, maar door de kasschuif zou het kunnen gebeuren dat er in 2028 89 miljoen wordt gekort. Het komt namelijk uit het Oekraïnegeld dat ergens anders vandaan wordt geleend of geschoven. De minister weet nog niet of hij dat toch op een of andere manier zou moeten teruggeven. In 2029 geldt dat ook nog een keer. In 2031 is er een gat van 202 miljoen; dat weten we al zeker. Dan hou je 55 miljoen over.
Voorzitter. Dat zal allemaal overbrugd moeten worden als we in de richting willen komen van de 0,7%. Ik heb de minister gehoord: hij gaat het allemaal terugleggen in het kabinet. Maar ik vraag echt aan de minister of hij het zelf realistisch vindt om te zeggen: "Ik zie de groei de komende paar jaar, zodat we in de richting van die 0,7% komen".
Voorzitter. Ik was enigszins verbaasd over de opmerkingen dat de steun aan Sierra Leone wordt stopgezet in verband met één Nederlandse crimineel. Toen dacht ik: wat betekent dat voor de steun aan UNRWA? Is dat niet selectief winkelen in criminaliteit? Mijn cruciale vraag is: staat de minister nu werkelijk voorgesorteerd om de UNRWA-gelden in september via een suppletoire begroting weer bij te plussen? Hoe ziet hij de verhouding met de Tweede en Eerste Kamer op dit punt?
Mijn laatste vraag is: klopt het dat ik van de minister heb begrepen dat hij nog geen enkele toezegging heeft van de minister van Financiën dat er naar de toekomst toe inderdaad mogelijkheden komen om in de richting van de 0,7% te komen?
Voorzitter. Zoals het er nu voor staat, zal mijn fractie deze begroting niet kunnen steunen, maar ik zie nog steeds uit naar de antwoorden van de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Koffeman van de Partij voor de Dieren.
De heer Koffeman i (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. Minister, ook hartelijk dank voor de beantwoording van de vragen. De minister gaf aan dat een nieuwe begroting eventueel hier niet afgestemd zal worden, wat niet gaat gebeuren, dat zo'n nieuwe begroting geen sinecure is en dat het technisch gezien geen probleem is omdat het departement best in staat is om in korte tijd een nieuwe begroting te leveren, maar dat het probleem het vinden van politieke overeenstemming is. Ik zou toch van de minister het volgende willen weten. Er is hier twee keer een motie aangenomen om de 0,7% structureel te maken. Recent, in het afgelopen jaar, is in de Tweede Kamer een motie aangenomen om de 0,7% structureel te maken. Er is dus een parlementaire meerderheid. Als uw departement in staat is om in een paar weken een nieuwe begroting te maken en er een parlementaire meerderheid is om de 0,7% integraal te herstellen, waarom doen we dat dan niet? Ik zie het probleem niet. Als er wel een probleem is, dan zou ik ten minste van de minister willen weten wat er veranderd is sinds het moment dat die moties zijn aangenomen.
Een andere prangende vraag die toch blijft leven bij ons, is dat er wordt gesproken over dat het een onderdeel van het buitenlandbeleid is, maar ook een autonome doelstelling heeft. In tijden van bezuiniging wordt er eigenlijk heel zuinig mee omgegaan. Het is toch een kleine plus hier; niet een plusje dat echt in de richting van 0,7% beweegt, maar een klein plusje. Het grappige is dat dan de discussie komt, zoals die bij de vakbonden vaak gevoerd is, over centen en procenten. Vanaf het moment dat u spreekt over een klein plusje, gaat het niet meer over hoeveel procent erbij komt, maar wordt er gezegd: het is toch best een hoop geld dat erbij komt. Dat zal ongetwijfeld, maar — collega Schalk en anderen hebben dat ook duidelijk gemaakt — het komt niet in de richting van die 0,7%, dus het betekent dat we toch voortdurend wegblijven bij de algemene wens van Eerste en Tweede Kamer om dat wel te doen.
In tijden van oorlog, laten we zeggen als de verontrusting bij mensen algemeen begint te worden, is een kreet als "zoek dekking" voldoende om een dekking van 5% te rechtvaardigen. Op het moment dat wij zeggen dat de allerarmsten ernstig tekortkomen — daar gaan wij ook problemen mee krijgen overigens, in termen van welbegrepen eigenbelang — dan wordt er gezegd "ja, maar u heeft geen dekking" of "die 0,7% is niet gedekt". Dat vind ik gek. Dat is, laten we zeggen, een verschil dat gemaakt wordt dat alleen maar in termen van prioritering te begrijpen is, maar niet in termen van tegemoetkomen aan het wegnemen van groot leed of grote dreiging, waarvan je zegt: daar moeten we gewoon dekking voor kunnen vinden.
De minister zegt ook dat hij niet op de situatie in Oekraïne in 2028 en 2031 vooruit kan lopen. Dat begrijpen we heel goed. Hij heeft geen kristallen bol; die hebben we allemaal niet. Die kasschuif zorgt er wel voor dat er wel op vooruitgelopen wordt, dus ik zou toch ook van de minister nog even een duiding willen hebben van in hoeverre je het geld dat je voor dan in gedachten had, toch nu al kan uitgeven en tegelijkertijd kan zeggen dat je niet precies weet hoe het in 2028 en 2031 is in Oekraïne.
De bezuiniging op pandemische paraatheid. De minister zei: ik ben het ermee eens dat de dreiging van ebola aangepakt moet worden; daar doen we ons uiterste best voor. Maar hoe verhoudt de bezuiniging op pandemische paraatheid zich tot bijvoorbeeld de dreiging van vogelgriep die hier elk moment uit zou kunnen breken? Daarvan hebben we toch in termen van pandemische paraatheid gezegd: oké, we doen een beetje meer dan we van plan waren na de aanvankelijke bezuiniging, maar niet hetzelfde als wat we van plan waren; we denken dat we met minder geld toe kunnen. Waar baseert het kabinet zich daarvoor op?
Dan nog even de terugkeerhubs. De minister spreekt over harde voorwaarden voor hoe we aan allerlei mensenrechtenverplichtingen kunnen voldoen. Maar hoe kan dan een terugkeerhub in Uganda een serieus plan geweest zijn? Is dat een foute inschatting geweest van het vorige kabinet of zou dat in de nieuwe situatie op dezelfde manier ook nog kunnen? Wat garandeert dus dat we niet in zo'n zelfde situatie van mensenrechtenschendingen terechtkomen als dat we in Uganda bijna te pakken hadden?
Ten slotte nog even de schaduwdeal. De minister is hier eigenlijk nog niet ingegaan op wat nou die schaduwdeal is en wat wij daaronder kunnen verstaan. Hoe heeft die schaduwdeal toch onderdeel uitgemaakt van de afwegingen zoals ze hier bij het vinden van een meerderheid plaats hebben gevonden?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van Ballekom van de VVD.
De heer Van Ballekom i (VVD):
Voorzitter. Als de minister alle vragen van de Partij voor de Dieren zorgvuldig beantwoordt, dan zal zij vast voorstemmen en deze wet accorderen. Daar ga ik van uit.
Ik dank de minister voor de beantwoording. Het ligt niet aan hem, maar ik vond het toch een teleurstellend debat. De meeste tijd is besteed aan het percentage hulp en niet aan de vraag hoe wij de hulp beter kunnen inzetten om de impact van onze inspanningen te verhogen. Nogmaals, Nederland zit ruim boven het gemiddelde van 0,26%. We zijn het vijfde land in de wereld als het gaat om het percentage gegeven steun. Het zou goed zijn als de minister in Europees verband al die freeriders — ik ga ze niet bij naam noemen — ertoe aanzet om hun inspanningen te verhogen. Hoe we het namelijk ook wenden of keren, we kunnen niet alle noden in de wereld oplossen met alleen onze financiële inspanning.
Voorzitter. Ik vond het ook een teleurstellend debat omdat de indruk is gewekt dat de 5% aan defensie-inspanningen uit de lucht is komen vallen. Daar zit wel degelijk een analyse achter. Ik heb me dat haarfijn laten uitleggen. Als daar interesse voor bestaat, denk ik dat ik mensen kan mobiliseren die dat haarfijn kunnen uitleggen. Dat is niet omdat meneer Trump vijf vingers heeft aan zijn rechterhand, en overigens ook geen drie. Bovendien zitten we in 2026 pas op 2,24% van de uitgaven aan defensie. Dat is nog ruim de helft onder wat we afgesproken hebben op termijn.
Ten slotte, voordat ik bij UNRWA kom, wil ik graag van de minister horen waarom we geen aandeelhouder zijn van de Caribbean Development Bank. De minister heeft gezegd dat we geen aandeelhouder zijn. Dat wist ik ook. Ik was ook een beetje teleurgesteld dat we dat nog niet zijn. Maar welke reden zit erachter en, misschien nog veel belangrijker, is de minister bereid zich in te zetten om daar wel lid van te worden? Dat is misschien nog belangrijker dan weten waarom we het tot nu toe nooit zijn geweest.
Meneer Koffeman wil graag een vraag stellen, heb ik begrepen. Dat is misschien goed, voordat ik bij UNRWA kom.
De voorzitter:
De heer Koffeman gaat als het goed is een korte vraag stellen.
De heer Koffeman i (PvdD):
Een hele korte vraag, voorzitter. De 5% is nog niet gehaald. We zitten nog maar halverwege de 2%. En nu al heeft de Algemene Rekenkamer vastgesteld dat er voor miljarden — we hebben in dit debat steeds over miljoenen, tientallen miljoenen en honderden miljoenen gesproken — aan onduidelijkheid is. Is dat voor de VVD een reden om te zeggen: zolang die onduidelijkheid blijft bestaan, gaan we niet verder naar die 5%?
De heer Van Ballekom (VVD):
Voor de VVD is het van belang dat die uitgaven worden gedaan. We zullen goed controleren of ze goed worden gedaan. Dat ze in één keer allemaal goed worden gedaan — dat is in het kader van corona voorgekomen — kan je niet altijd verzekeren, maar u kunt ervan uitgaan dat we er alles aan doen om de rijksuitgaven zo goed mogelijk te verantwoorden.
Voorzitter. Dan hebben we het nog over UNRWA. De minister heeft in een eerder debat gesproken over condities en controles die moeten worden vervuld voordat de steun wordt hervat. Hij heeft geantwoord, maar in wat globale zin. Ik zou toch graag willen weten wat die specifieke condities zijn, welke controles zouden moeten worden uitgevoerd en door wie. Als de minister dat niet in de tweede termijn kan aangeven, kunnen we dat misschien beter op papier vragen, zodat hij de Kamer op die wijze daarover inlicht. Ik vind dat namelijk wel essentieel.
Ik heb hem ook niet gehoord over mijn verzoek. Ik vroeg de minister of hij bereid is om dat geld via andere kanalen bij het Gazavolk te krijgen, wanneer de zekerheid dat het geld goed besteed wordt niet kan worden gegeven. Dat kan via UNICEF, dat kan via het Rode Kruis en dat kan via het World Food Programme. Er zijn andere instanties die hulp aan die noodlijdende bevolking kunnen garanderen. Wellicht kan dat het beste met een brief. Nogmaals, met medische hulp via UNRWA of voedselhulp via UNRWA hebben we wat minder problemen. Maar als het gaat over onderwijsprogramma's en als je leest dat in die onderwijsprogramma's staat dat het Joodse volk van nature een verraderlijk volk is, hoef ik dat niet verder uit te leggen, denk ik.
De voorzitter:
Nee, dat klopt. Dank u wel. Dan gaan wij verder met de inbreng van de heer Van Gasteren. Hij spreekt mede namens de Fractie-Van de Sanden.
De heer Van Gasteren i (Fractie-Van Gasteren):
Dank u wel. Minister, bedankt voor de beantwoording van de vragen. Ik miste er nog één, maar het kan ook zijn dat ik even niet aanwezig was toen u die beantwoordde. Mijn eerste vraag was namelijk of u kunt garanderen dat er geen verdere, vergelijkbare plannen zijn rondom de aanpassing van wat nu voorligt.
Verder hebben wij nog wel een groot probleem met de aanstaande constructie van GroenLinks-Partij van de Arbeid en het kabinet. Diezelfde begroting heeft namelijk twee achtereenvolgende politieke koopakkoorden doorlopen, eerst rechts en daarna links. De inhoudelijke uitkomsten van deze twee deals zijn tegenstrijdig: de een wil minder UNRWA-geld en de ander wil meer geld voor ontwikkelingssamenwerking. Dat lijkt wat vreemd. Dat betekent dat de begroting als beleidsdocument geen coherente politieke visie uitdrukt. Het is meer een sediment van twee opeenvolgende transacties in tegengestelde richting.
Het precedent is dan ook tweeledig. Niet alleen wordt de Eerste Kamer ingezet als onderhandelarena, maar het kabinet is ook bereid ideologisch in twee verschillende richtingen tegelijk te bewegen. Dat is bijna ruttiaans. Er lijkt dan ook geen sprake te zijn van beleid, maar meer van een veiling.
Onze bijdrage was gericht op de zelfkritische blik van dit huis; dat is al besproken, dus daar hoeven we verder niet meer bij stil te staan. Het onjuist hanteren van de politieke kasschuifmethodiek knelt. We willen het kabinet als geheel op het hart drukken dit middel in het vervolg niet meer in te zetten voor politieke doeleinden in plaats van waar het voor bedoeld is: als administratief-financieel hulpmiddel. Als senaat dienen we mondjesmaat van ons vetorecht gebruik te maken en dit nauwelijks of niet te doen bij begrotingen. Verwerping van een begroting door deze Kamer heeft vergaande gevolgen voor de dagelijkse gang van zaken, en in dit geval voor de zwakkeren in de internationale gemeenschap. Wij denken dat het land ook niet echt zit te wachten op de zoveelste kabinetscrisis over een onderwerp waarvan de gemiddelde Nederlander met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zou zeggen: joh, waar gaat het over?
Alles afwegende, en onder de assumptie dat er geen linkse en rechtse dubbeldeals meer plaatsvinden, en de kasschuif niet meer wordt gebruikt voor politieke deals, overwegen onze fracties voor de begroting te stemmen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Bijsterveld van JA21.
Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen. Het is goed te vernemen dat de minister erkent dat hij niet handig heeft gehandeld; dan druk ik mij mild uit. Feit is dat er nu een andere begroting voorligt dan waar mijn fractie in de Tweede Kamer mee heeft ingestemd. Duidelijk is dat deze noodgreep nodig was in dit huis om deze begroting hier te redden. Maar dat gebeurde wel met allerlei kunstgrepen en kasschuiven. Ik wil toch wel benadrukken dat er in de Tweede Kamer overeenstemming over was dat er weliswaar minder geld naar UNRWA zou gaan, maar dat dat geld wel behouden zou blijven voor noodhulp, en dat dat geld niet een vermindering was van het geld dat beschikbaar is voor de noden in de wereld.
Mijn fractie vindt uiteraard de extra middelen die nu alsnog, twee of drie dagen later, werden toegewezen aan UNRWA een verkeerde keuze en een verkeerd signaal. Wij vinden het spijtig dat er onvoldoende is gekozen voor diversificatie. Ik sluit mij ook graag aan bij de vervolgvragen die mijn VVD-collega daarover heeft gesteld. Ik denk dat het goed is dat u daar nog expliciet op ingaat als het gaat om UNRWA. Wel is mijn fractie zeer verheugd met het wetsvoorstel om het verheerlijken van terrorisme alsnog strafbaar te kunnen stellen. Wij wachten dit wetsvoorstel graag af.
Met wat ik hiervoor heb beschreven over hoe de huidige begroting nu in elkaar steekt, zult u begrijpen dat mijn fractie deze begroting niet kan steunen. Dat zal geen verrassing zijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Huizinga-Heringa van de fractie van de ChristenUnie.
Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor de beantwoording. Dit debat gaat over de begroting en de suppletoire begroting voor het lopende jaar 2026, maar toch spelen de begrotingen van de komende jaren ook een rol in dit debat.
Voor wat betreft het eerste: wij zijn ongelukkig met de voorliggende begroting, omdat de incidentele verhoging uiteindelijk een sigaar uit eigen doos is die gaten schiet in toekomstige begrotingen. Het is een oplossing voor de korte termijn. Het signaal van mijn fractie is helder en geldt voor de langere termijn: minderheidskabinet, maak ernst met serieuze stappen in de richting van de 0,7% en laat dat zien in de komende begrotingen, zoals gevraagd is in de breed gesteunde motie-Holterhues, maar ook in de Tweede Kamer met de motie-Hirsch.
Voorzitter. U zult begrijpen dat mijn fractie deze begroting, zoals die nu voorligt, niet kan steunen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Visseren-Hamakers.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dank, voorzitter. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat we met ontwikkelingssamenwerking proberen om de meest verstrekkende negatieve consequenties van het huidige oneerlijke mondiale handelssysteem voor de meest kwetsbare mensen een beetje te verzachten. En terwijl beleid dat dat handelssysteem iets duurzamer en iets socialer maakt wereldwijd wordt ontmanteld en daarmee de mondiale markt dus nog grilliger wordt, wordt tegelijkertijd wereldwijd bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking, ook door dit kabinet. De Partij voor de Dieren maakt zich ernstige zorgen over deze ontwikkelingen. Ondanks dat ik de minister dank voor de uitgebreide en heldere beantwoording, zijn deze zorgen door zijn beantwoording niet weggenomen. Integendeel, ze zijn eigenlijk alleen maar toegenomen. Ik ga mijn analyse uit de eerste termijn niet herhalen, maar de bottomline is dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking onvoldoende was, onvoldoende is en onvoldoende blijft.
Volgens mij heb ik op twee van mijn vragen nog een antwoord tegoed van de minister. Over het proces van de totstandkoming van de deal met PRO en de koppeling door de VVD met het voorstel om het verheerlijken van terrorisme strafbaar te stellen, heeft de minister een beetje een te kort antwoord gegeven. Ik had gevraagd of de minister bereid is om namens het kabinet toe te zeggen dat alle aspecten van gemaakte afspraken, ook als zij andere dossiers betreffen, op tijd openbaar worden gemaakt, zodat partijen alles overziend een oordeel kunnen vellen over het totaalpakket. Het tweede antwoord dat ik volgens mij nog tegoed heb, gaat erover dat de minister heeft toegezegd om in tweede termijn terug te komen op mijn vraag over de 1,5%-NAVO-norm. Daarbij had ik gevraagd of de minister zou kunnen toezeggen om deze verkenning mee te nemen in de voorbereidingen voor Prinsjesdag.
Voorzitter. Ik zal dus tegen deze begroting stemmen. De norm van 0,7% is voor mijn fractie doorslaggevend. Uit het debat blijkt ook dat er voor het kabinet voldoende tijd is voor het zomerreces, zij het krap, om een begroting te maken die voldoet aan de wensen van een meerderheid van deze Kamer. Ik zie dus geen reden om voor deze begroting te stemmen. Ik zal ook de aankomende begroting, die voor 2027, beoordelen op de ambitie voor de 0,7%-norm.
Ik wens de minister heel veel succes — misschien heeft hij ook wel wat sterkte nodig — voor de gesprekken in het kabinet over de begroting voor 2027 en verder.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Beukering.
De heer Beukering i (Fractie-Beukering):
Dank u wel, voorzitter. Dank u wel, minister, voor de antwoorden. Beide fracties zitten toch nog met twee kleine dingen.
Eén. Hoeveel subsidie en steun gaat er jaarlijks nu eigenlijk naar de ngo's? Ik zie in de begroting: 120 miljoen jaarlijks, direct. Als je dat optelt tot 2030 is dat 600 miljoen. Maar dat is dus alleen maar de directe steun. Mijn vraag gaat eigenlijk over de indirecte steun. Hoeveel is dat in totaal? Dat is de eerste vraag.
De tweede vraag ligt in het verlengde daarvan. Als dat zulke enorme bedragen zijn en ook langdurig, in hoeverre zijn dat dan nog non-gouvernementele organisaties? Ze zitten immers een-op-een vast aan een financiële lijn met deze minister.
Voorzitter. Het laatste punt gaat over de kasschuif. Daarvoor heb ik een motie gemaakt. Ik zal het dictum voorlezen.
"verzoekt de regering af te zien van de voorgenomen kasschuif; verzoekt de regering de dekking voor eventuele extra uitgaven te vinden binnen de bestaande begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026, en gaat over tot de orde van de dag."
Deze motie is mede ondertekend door de heer Marquart Scholtz van BBB en de heer Van Gasteren van de Fractie-Van Gasteren.
De voorzitter:
Ik heb het idee dat u niet de overweging heeft voorgelezen.
De heer Beukering (Fractie-Beukering):
Nee, dat klopt.
De voorzitter:
Wilt u dat nog doen? Dat is belangrijk voor de Handelingen.
De heer Beukering (Fractie-Beukering):
Oké. Dan lees ik hem even voor.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet extra uitgaven op de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026 wil dekken door middel van een kasschuif;
overwegende dat een kasschuif geen nieuw geld oplevert, maar uitgaven naar voren haalt en daarmee budgettaire ruimte in latere jaren verkleint;
overwegende dat politieke wensen niet behoren te worden gefinancierd door toekomstige begrotingsruimte aan te spreken zonder dat duidelijk is welke keuzes daarvoor later moeten worden gemaakt;
overwegende dat begrotingsdiscipline vereist dat extra uitgaven primair binnen de eigen begroting worden gedekt;
verzoekt de regering af te zien van de voorgenomen kasschuif;
verzoekt de regering de dekking voor eventuele extra uitgaven te vinden binnen de bestaande begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2026,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Beukering, Marquart Scholtz en Van Gasteren.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.
Zij krijgt letter G (36800-XVII).
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Toorenburg van het CDA.
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
Voorzitter, dank. We staan voor een dilemma. Het is genoegzaam bekend dat wij willen bewegen richting de 0,7% van het bni. Ook het CDA staat onder de motie-Holterhues. We zijn dan misschien strikt genomen niet gebonden aan een regeerakkoord, maar ik verwijs er wel naar en dat doe ik indringend. We zetten een stap richting de OESO-norm. De minister, die wij dankzeggen voor de beantwoording, geeft ons vandaag toch wel helderheid, namelijk dat we bewegen van de OESO-norm vandaan. Dat had hij ons al schriftelijk voorgehouden, maar dat doet hij vanavond ook mondeling. We gaan eigenlijk van 0,53% richting de 0,47%.
Ja, de voorliggende begroting kent een plus, maar het is een greep uit de toekomst en dat is niet oké. Het is ook geen oplossing want dit biedt geen mogelijkheid om langjarige verplichtingen aan te gaan.
Voorzitter. Ik zei dat het een dilemma is, want een tegenstem is ook risicovol. Een tegenstem is ook een stem tegen noodhulp, wetende dat ebola haar kop heeft opgestoken. We kennen ook alle brandhaarden. Een tegenstem is ook risicovol gelet op de 0,5 miljard die extra wordt geïnvesteerd in maatschappelijke organisaties.
Voorzitter. Het geheel overwegend ben ik geneigd mijn fractie positief te adviseren, maar ik ben heel blij dat ik er nog twee weken de tijd voor heb.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van Apeldoorn van de SP.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Voorzitter, dank. Dank aan de minister voor de beantwoording. De wereld staat in brand; de minister zei het zelf ook al. De noden zijn hoger dan sinds lange tijd. Er zijn meer conflicten in de wereld sinds de Tweede Wereldoorlog. Er is een recordaantal ontheemden. Inmiddels gaan we binnen de NAVO en ook in Nederland 5% aan defensie uitgeven. Wat mijn fractie betreft is dat sowieso waanzin. Het minste dat we echter zouden kunnen doen is dan ook kijken wat we kunnen doen aan conflictpreventie. Dat is een vraag die ik aan de minister heb gesteld en die volgens mij nog onbeantwoord is gebleven. Hoeveel geven we nu via de BHOS-begroting uit aan conflictpreventie, ook in vergelijking met de Defensiebegroting?
Voor mijn fractie is het hoe dan ook onbegrijpelijk dat we naar die 5% voor Defensie toegaan, terwijl we niet in staat blijken om de OESO-norm van 0,7% van het bni te halen. Over "niet in staat zijn": de minister zegt dat er geen dekking voor is. Dat is ook al eerder in het debat gewisseld. Ik wil toch even benadrukken dat het een politieke keuze is, zoals uiteindelijk alles een politieke keuze is. De politieke keuze van dit kabinet is om de koppeling niet te herstellen. Ik kan de woorden van mevrouw Van Toorenburg nu herhalen. Ik denk dat het heel helder is. Mijn fractie trekt daar een andere conclusie uit dan de CDA-fractie waarschijnlijk gaat doen. Helaas, zeg ik daarbij. Er is in ieder geval geen betekenisvolle stap richting de 0,7% gezet door dit kabinet. Sterker nog, het gaat nog een stapje achteruit. 90% van de monsterbezuiniging van 2,4 miljard van de voorganger van de minister, PVV-minister Klever, blijft gewoon staan. Dat heeft de minister bevestigd. Per saldo komt er geen euro bij voor ontwikkelingssamenwerking.
Tot slot, voorzitter. Wat er mogelijk wel bij komt, is een wet waar mijn fractie ook helemaal niet gelukkig mee zal zijn. Dat zeg ik even los van wat je daar politiek van vindt. Ik heb het over de wet die het mogelijk moet maken de verheerlijking van terrorisme strafbaar te stellen. Overigens zijn we natuurlijk erg tegen verheerlijking van terrorisme, maar voor ons gaat het erom hoe die wet wordt ingevuld. Dat debat zullen we een andere keer gaan voeren. Dan heb ik het dus over de schaduwdeal, die indirect toch mogelijk is gemaakt door de deal met PRO, al wist PRO er niks van. Ze zijn er ook niet blij mee. Dat moge duidelijk zijn. Collega Koffeman vroeg hier ook al naar. Ik had gevraagd of de minister op de hoogte was van deze schaduwdeal en of hij er expliciet mee akkoord is gegaan. Daar heb ik geen antwoord op gekregen. Die vraag herhaal ik daarom.
Voorzitter. Ook los van deze schaduwdeal, waar wij niet gelukkig mee zijn — het moge wel duidelijk zijn, denk ik — zal ik mijn fractie adviseren over twee weken tegen deze PVV-begroting te stemmen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik tot slot het woord aan mevrouw Moonen van D66.
Mevrouw Moonen i (D66):
Heel kort, voorzitter. Ik dank de minister en de ambtenaren voor de beantwoording van de vragen, ook van de collega's. De zin die bij mij bleef hangen, was die waarin de minister aangaf dat we de SDG's niet gaan halen. Dan hebben we het over zaken als schoon water, armoede, honger in de wereld en gezondheid. De VN schrijft inderdaad dat dat komt door de toename van conflicten in de wereld. De minister is bezig met het beleid en zijn ambities voor de komende jaren. Mijn vraag aan hem zou zijn wat zijn visie is op wat er extra nodig is om deze Sustainable Development Goals wereldwijd wel te gaan halen.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Minister, kunt u direct antwoorden of heeft u een paar minuutjes nodig. Tien? Vijf ook goed? Een dikke vijf, doen we dan. Ik schors de vergadering voor een dikke vijf minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering voor de beantwoording van de kant van de regering in de tweede termijn. Gaat uw gang, minister.
Minister Sjoerdsma i:
Voorzitter. Ik dank uw leden voor de gestelde vragen. Het is verleidelijk om in te gaan op sommige opmerkingen, maar omwille van de tijd zal ik me beperken tot de vragen en de motie.
Mevrouw Karimi had nog vragen over de aanvallen op drinkwatervoorzieningen in Oekraïne. Wij hebben een langlopend programma voor die drinkwaterbedrijven, onder andere via internationale financiële instellingen, gericht op het herstel van kritieke infrastructuur, waaronder watercentrales. Dit zit ook in de 178 miljoen die wij nu naar voren hebben gehaald.
De heer Schalk vroeg of welbegrepen eigenbelang niet heel nauw is. Nee. Ik heb de heer Schalk nog niet kunnen betrappen op het selectief citeren van mij, maar nu toch een klein beetje wel. Daarvoor heb ik gezegd: het belang dat ook wordt gehecht aan het idealistische karakter van ontwikkelingssamenwerking. Daarbij wil ik zeggen dat ik het begrip "welbegrepen eigenbelang" begrijp en uitleg in die zin dat het een eigenbelang is dat ook het belang van een ander dient, een win-winbelang. En dat is weer in sterk contrast met hoe het vorige kabinet het eigenbelang uitlegde, niet het welbegrepen eigenbelang. Met die twee kanttekeningen hoop ik dat ik hem op die intenties gerust kan stellen.
De heer Schalk vroeg ook of Sierra Leone versus UNRWA selectief is. Het antwoord daarop is denk ik nee. Waar UNRWA te maken heeft met zeer robuuste systemen en de wens om elk crimineel of terroristisch element ver uit de organisatie te houden en de organisatie daarop ook is ingericht, zien we bij Sierra Leone een grote mate van state capture door een crimineel. De recente recorddrugvangst, ik meen door Spanje, is te herleiden tot dat land en tot die crimineel. Ik zie daar een groot verschil. Voor de duidelijkheid: het betreft hier geen Nederlands geld, maar Europees geld, dat naar de overheid van Sierra Leone gaat.
De heer Koffeman vroeg om een duiding van de kasschuif. Ik herhaal datgene wat sommigen van u hebben gezegd: de brandende noodzaak om in dit jaar extra inzet te plegen om die mensen te ondersteunen die het hardst geraakt worden door de aanvallen van Rusland in Oekraïne, door ebola, door de gevolgen van de oorlog in Iran, niet alleen in het belang van deze kwetsbaren, maar ook in het belang van Nederlandse burgers.
Hij vroeg daarnaast naar pandemische paraatheid. Ja, het kabinet trekt meer geld uit voor pandemische paraatheid. Ik hoop dat de heer Koffeman mij niet euvel duidt, maar ik zal de minister van VWS moeten vragen om daarover nadere informatie te verschaffen. Dat zal zij ook binnenkort doen.
De heer Koffeman vroeg ook naar de terugkeerhub in Uganda. Dat staat momenteel in de koelkast. Wel wil ik gezegd hebben dat de voorwaarden — ik noemde al mensenrechten en internationaal recht — ook ontwikkelingsgestuurd en vraaggestuurd vanuit het partnerland moeten komen en dat moet worden voldaan aan de OESO-DAC-criteria, want anders kunnen daar geen OS-uitgaven worden gedaan.
De heer Van Ballekom zei, overigens wat mij betref terecht, dat andere landen — hij wilde geen namen noemen — wellicht meer zouden kunnen doen. Hij noemde daarbij ook de omvang van deze begroting. Dat ben ik met hem eens. Ik zal hier ook geen namen noemen, maar ik neem wel de oproep van de VVD heel serieus om ook andere landen te vragen daar waar dat kan hun verantwoordelijkheid te nemen. Ik zeg hem ook toe dat ik zal onderzoeken of met de gelden die vrij worden gemaakt door de afspraken met GroenLinks-PvdA, het ons zal lukken om meer geld te mobiliseren. Om een voorbeeld te noemen: ik wil kijken of het ons lukt met dit additionele geld — de 100 miljoen euro aan noodhulp — en de gesprekken die wij met de bazen van hulporganisaties hebben gevoerd, dit jaar andere bondgenoten zo ver te krijgen om in te springen, omdat de problemen natuurlijk te groot zijn voor Nederland alleen en wij ook andere landen op hun verantwoordelijkheid mogen aanspreken.
De heer Van Ballekom vroeg ook naar het aandeelhouderschap van de Caribbean Development Bank. Ik noemde zelf de twee andere banken die relevant zijn voor het Caribisch gebied en waarin wij wel aandelen hebben. Ik zou hem ook willen zeggen dat onderzocht is of dat aandeelhouderschap te overwegen valt. Duidelijk werd dat de kosten 10 miljoen bedroegen. Het vorige kabinet heeft in het kader van de bezuinigingen besloten daar niet op in te gaan. Ik ben bereid daar nog een keer naar te kijken. Ik weet niet of die heroverweging betekent dat we het ook gaan doen, maar ik ben wel bereid op zijn aanmoediging mijzelf nog een keer te laten inlichten over de voor- en nadelen van dit aandeelhouderschap.
De voorzitter:
Als u het heel kort kunt houden.
De heer Van Ballekom i (VVD):
Heel kort, voorzitter. Die 10 miljoen is eenmalig, omdat daar aandelen mee gekocht worden. Dan ben je permanent lid van die bank en hebben we ook meer mogelijkheden om hulpgelden richting het Caribisch deel van het Koninkrijk te dirigeren. Dus ik denk dat het op de lange termijn een goede investering is. Vandaar ook dat je met minder geld wellicht meer impact kunt hebben.
Minister Sjoerdsma:
Zo heb ik de oproep van de heer Van Ballekom ook begrepen. Zo zien wij in het algemeen ook ons aandeelhouderschap van dergelijke banken. Ik wil wel zelf nog even wegen of die voordelen ook daadwerkelijk zo zijn als de heer Van Ballekom schetst. Dat ga ik goed wegen en ik laat mij daar ook goed over informeren. Dat wil ik niet staande de vergadering doen, maar ik neem dat serieus mee.
De heer Van Ballekom vroeg ook nog naar UNRWA en de voorwaarden. Kijk, UNRWA voldoet op dit moment aan de voorwaarden van het Nederlandse kabinet om de financiering te hervatten op het niveau waarop die eerder was. Dat zijn strenge voorwaarden. Laat ik ook heel helder zijn: het voornemen van het kabinet om de financiering te herstellen via de suppletoire begroting van september komt boven op het geld dat al in deze begroting zit. Dit jaar is reeds 11 miljoen euro aan UNRWA overgemaakt. Het is dus niet zo dat wij opnieuw een afweging maken of dat kan. Die afweging hebben wij dit jaar al gemaakt en dat kan. Wat ik wel heb meegenomen uit dit debat, en ook uit de debatten met de Tweede Kamer, is dat wij uiteraard blijven monitoren op bewijs dat het tegendeel zou zijn van wat wij nu zien. Op dergelijk bewijs zal uiteraard te zijner tijd worden geacteerd.
Voorzitter. De heer Van Gasteren vroeg naar transparantie rond de plannen. Ik wil hem graag zeggen dat de plannen zoals vervat in de afspraken met PRO in de Tweede Kamer en GroenLinks-PvdA hier, maar ook in de suppletoire begroting, uiteraard transparant met uw Kamer worden gedeeld. Die stukken zullen ook nog bij uw Kamer langskomen. Hetzelfde geldt overigens voor de begrotingsmomenten van 2027. Een van de belangrijke keuzes die daar bijvoorbeeld voorligt, is hoe de OS-intensiveringsmiddelen van 257 miljoen euro worden verdeeld. Ook die intensivering zal weer langs beide Kamers komen, maar dan later dit jaar.
Dan had mevrouw Visseren-Hamakers ook nog vragen. Zij vroeg onder andere naar die 1,5% voor weerbaarheid. Ik heb dat even nagevraagd. Zij vroeg eigenlijk of dat niet gebruikt kan worden om de OS-begroting een boost te geven. Dat is volgens mij de achterliggende vraag. Die begrijp ik goed. Ik heb dat nagevraagd, maar feitelijk gaat het om een vorm van toerekening. Wat ik daarmee bedoel, is dat binnen diverse begrotingen wordt bekeken welke bestaande inzet onder de noemer van die 1,5% kan vallen. Dat zal dus niet alleen voor deze begroting gelden, maar vermoedelijk ook voor andere begrotingen. Deze exercitie levert geen additioneel geld op. Het is een labelingsexercitie.
Mevrouw Visseren-Hamakers vroeg ook of ik namens het kabinet kan toezeggen dat alle aspecten openbaar zijn. Dat zeg ik uiteraard toe. Die brief hebben zowel de Tweede Kamer als uw Kamer inmiddels ontvangen.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Even om het scherp te krijgen. De toezegging die ik nu hoor, gaat over toekomstige afspraken met partijen in de oppositie, als er steun moet worden gezocht voor verbetering van beleid. Betekent dat, dat niet alleen de partijen waarmee het kabinet onderhandelt, maar ook andere partijen in beide Kamers volledig inzicht hebben in de omvang van die afspraak op het moment dat zij een besluit moeten nemen over de vraag of zij zo'n afspraak kunnen steunen?
Minister Sjoerdsma:
Ja, absoluut. Dat is ook de reden waarom deze Kamer niet alleen de brief heeft gekregen die ik over deze afspraken heb gestuurd, maar ook de nota van wijziging. Ik weet dat die formeel nu niet voorligt. Ik weet ook dat die formeel nog onderdeel uitmaakt van de behandeling van de suppletoire begroting. Maar om uw Kamer zo volledig mogelijk te informeren, heb ik mijn ambtenaren gevraagd ervoor te zorgen dat u die stukken al vooraf kreeg.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Betreft dat dan ook toekomstige ... Ik wil niet vooruitlopen op toekomstige schaduwdeals, want ik hoop dat er geen schaduwdeals meer komen. De aanleiding was nu de schaduwdeal. Het gaat dus om de vraag: wat is het totaalpakket van de deal en eventuele schaduwdeals waar partijen in beide Kamers een oordeel over moeten vellen?
Minister Sjoerdsma:
Absoluut. Hierbij wil ik nog een keer zeggen, zoals ik ook in de brief heb toegelicht, dat het wetsvoorstel Strafbaarstelling verheerlijken van terrorisme geen onderdeel is van de afspraken die gemaakt zijn met PRO in de Tweede Kamer en GroenLinks-PvdA in de Eerste Kamer. Binnen het kabinet vindt er uiteraard over alle besluitvorming overleg plaats. Dat heeft de vicepremier overigens bij haar persconferentie bevestigd.
Voorzitter. Ik was gebleven bij de heer Beukering. Hij had twee vragen. Zijn eerste vraag was hoeveel steun er direct en indirect naar ngo's gaat. Ik moet in alle eerlijkheid zeggen dat mijn ambtenaren hun best hebben gedaan om dat in een paar minuten zo volledig mogelijk uit te vlooien. Direct is makkelijk te herleiden, maar indirect is natuurlijk iets ingewikkelder. Als de heer Beukering mij niet afrekent op een tiental miljoen meer of minder, dan komen wij uit op ongeveer 920 miljoen euro. Dat is 15% van de begroting, zeg ik voor de duidelijkheid.
De heer Beukering vraagt ook, wat misschien echt de portee van zijn vraag is: betekent dat dat dit eigenlijk geen maatschappelijke organisaties meer zijn maar meer overheidsorganisaties? Ik denk dat dat niet zo is. Nederlandse maatschappelijke organisaties zijn de afgelopen jaren juist heel hard geraakt door de bezuinigingen. Hun afhankelijkheid van de Nederlandse overheid en de Nederlandse financiering is over het algemeen afgenomen. Ze hebben hun best gedaan om hun financieringsbronnen te diversifiëren. Sommige organisaties lukt dat heel goed. Het lukt dan om steun te verkrijgen bij andere organisaties, maar ook om steun te verkrijgen bij Nederlandse burgers. Er zijn echt maatschappelijke organisaties die ongelofelijk veel burgers als leden hebben, waar een heel groot draagvlak uit blijkt. Natuurlijk zijn dat niet dezelfde bijdrages als die die vanuit een overheid kunnen komen. Dat gaat dan over mensen die bereid zijn van hun salaris, hun pensioen of hun AOW toch €10 in de maand over te maken. Het is echt van groot belang dat deze organisaties hun werk kunnen doen. We zien soms ook dat het hun lukt om grote getalen mensen op de been te krijgen. Misschien is dat het belangrijkste bewijs dat het maatschappelijke organisaties zijn en geen overheidsorganisaties. Deze mensen spreken zich dan zeker niet uit voor het overheidsbeleid, maar daartegen. Ik zou zelf zeggen: je kunt eigenlijk geen beter bewijs zien van die onafhankelijkheid.
Over de motie zal ik zo direct, aan het eind van deze termijn, mijn oordeel geven.
De heer Van Apeldoorn vroeg: hoeveel geld gaat er nu naar conflictpreventie? Ik heb daar twee antwoorden op. Eén. Ik zie mijn gehele begroting als conflictpreventie. Dat is flauw, maar ik denk dat dat een echt antwoord is, en een cruciaal antwoord. Twee. Als ik heel specifiek kijk naar middelen die per se gericht zijn op de activiteit conflictpreventie, dan zitten we op artikel 4.3. Dan gaat het over 280 miljoen euro. Overigens doen we daar ontzettend mooie dingen mee, maar gelet op de tijd zal ik de voorbeelden even achterwege laten.
Mevrouw Moonen vroeg nog hoe we de SDG's wel halen. Ik zou willen zeggen dat Nederland daaraan een hele grote bijdrage heeft geleverd, levert en zal leveren, maar dat het helaas niet in de hand van Nederland alleen ligt om ervoor te zorgen dat dat gebeurt. De uitdagingen en de achterstand ten aanzien van deze doelstellingen zijn zo ontzettend groot dat er heel veel nodig zal zijn om dat alsnog te doen. Dat maakt ook de discussie, die ik in de eerste termijn kort noemde, over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking. Dat gaat om de vragen hoe we ons verhouden tot het Globale Zuiden en zij tot ons en hoe we ons verhouden tot de mondiale uitdagingen. Dat is zo urgent dat dat niet meer kan op de manier waarop we dat nu doen. Die is simpelweg ontoereikend. Dat vraagt ook van ons om serieus denkwerk.
Dan de motie-Beukering. Ik heb die motie goed gelezen. Ik snap ook de strekking. Wat er wordt gevraagd, kan ik helaas niet leveren in de zin dat de dekking van de gelden die aan de begroting worden toegevoegd uit mijn eigen begroting uit de toekomst komen. Die kan ik niet uit het heden halen. In die zin moet ik de motie ontraden. Hetzelfde geldt voor het oordeel over de kasschuif. Ik snap dat uw oordeel is dat deze kasschuif ongewenst is. Tegelijkertijd is het een instrument dat in de financiële toolbox van elk kabinet zit. Ik zou niet alleen dit kabinet maar ook toekomstige kabinetten dat instrument niet willen ontzeggen. Vanuit dat oogpunt moet ik de motie ontraden.
Voorzitter. Dan kort, tot slot. Ik heb uw leden goed gehoord. Ik heb ook de opdracht goed gehoord en ik zal mij maximaal inzetten voor een begroting in 2027 die op uw instemming kan rekenen. Ik heb u ook goed gehoord over reeds aangenomen moties in dit huis, met name de motie-Holterhues. U hebt mij in meerderheid duidelijk gemaakt hoe belangrijk u die motie vindt. Zoals ik heb gezegd, zal ik die meenemen in het kabinet. Wel nadrukkelijk ook in de wetenschap dat die motie geen dekking aanreikt en dat er ook bredere vraagstukken zijn waar dit kabinet zich voor gesteld ziet en waar ook sommige van uw partijen het kabinet voor stelt. Dat gezegd hebbende, uw geluid is helder. Uw vraag aan mij vandaag is om in de volgende begroting stappen te zetten richting de 0,7%.
Omgekeerd hoop ik wel dat het mij gelukt is om ook deze boodschap af te geven: deze begroting is van groot belang, hij verdient uw steun. In 2026 herstellen we de facto de koppeling aan 0,7%. Met het geld dat wordt toegevoegd, kunnen we ongelofelijk belangrijke dingen doen. Om in de metafoor van de heer Schalk te blijven: hij had het over de boer en de vier hoekjes. We kunnen van mening verschillen over wat karig is en niet, maar ik kijk naar de doelstelling, de 0,7% van de heer Schalk. Wij komen tot 0,53% en dat zou betekenen dat wij zeven tienden van die hoekjes vrijlaten voor de minder vermogenden. Dat zou ik zelf niet karig willen noemen, maar een stevige inzet. Ik hoop dan ook dat deze begroting — voor links voor de allerkwetsbaarsten, voor rechts als het gaat over het tegengaan van migratiestromen — op uw steun kan rekenen.
Voorzitter. Daarmee dank ik u hartelijk.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik zie de heer Van Apeldoorn opspringen om het weer over deze discussie te hebben, maar ik suggereer dat hij een stemverklaring doet. Ik wil graag de beraadslaging sluiten. Ik wil tot afronding van het wetsvoorstel komen.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik heb begrepen dat er om een hoofdelijke stemming is gevraagd. Klopt dat nog steeds? Als dat zo is, dan kunnen wij niet volgende week stemmen, maar de week daarna, omdat volgende week veel leden afwezig zijn vanwege de Raad van Europa. Dat horen wij graag op tijd. Mocht het niet zo zijn en wij gewoon fractiegewijs gaan stemmen, dan zullen wij volgende week over het wetsvoorstel stemmen en de motie van de heer Beukering c.s.
Dan dank ik de minister voor zijn aanwezigheid en schors ik de vergadering voor enkele ogenblikken. Dan gaan we verder met de Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Voorzitter: Talsma
Aan de orde is de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026 (36800-XV).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel 36800-XV, Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2026. Ik heet de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van harte welkom in de Eerste Kamer. Aan de orde is de eerste termijn van de kant van de Kamer.
De beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van Rooijen van de fractie van 50PLUS.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Voorzitter. Vandaag 16 juni is de geboortedag van mijn vader Martien. De generatie van onze vader kreeg vanaf 1957 AOW zonder dat zij ooit AOW-premie had betaald. In de volksmond heette dat toen "trekken van Drees". De kinderen van de generatie van mijn vader hebben toen met liefde premie betaald voor de AOW van hun ouders. Wij wisten toen namelijk dat de volgende generatie die zou betalen voor ons.
50PLUS maakt zich grote zorgen over de hoeksteen van het sociale stelsel van Nederland, namelijk de AOW. Er worden te gemakkelijk en bovendien te vaak zonder veel kennis van zaken posities ingenomen die het voortbestaan van deze briljante volksverzekering bedreigen. Ja, briljant. Briljant in haar eenvoud, zonder allerlei extra's en kortingen. Briljant in haar uitvoering, rechtlijnig zonder toestanden. Er is nooit gedoe mee. Ja, een volksverzekering die iedereen recht geeft op AOW, zodat alle mensen na jaren van hard werken de rest van hun leven gegarandeerd een inkomen hebben waarvoor zijzelf al die jaren premie hebben betaald.
De AOW is dus niet van de Staat of van de rijksbegroting, niet van de politiek of van de werkgevers en werknemers. Nee, de AOW is van de mensen zelf. Het is hun eigendom, hun zelfgespaarde volkspensioen. Natuurlijk, het is een omslagstelsel, dus de nu werkenden betalen voor de nu rustenden. Als de nu werkenden straks mogen rusten, betalen de dan werkenden voor hen. Formeel betaal je dus voor een ander, maar het voelt als voor jezelf. Daarom is de AOW van ons allemaal.
De overheid organiseert het voor ons. Dat doet ze goed, maar het is niet van de overheid. De bank beheert ons geld, maar ons geld is niet van de bank. Het geld van mensen is geoormerkt geld, dus geld dat niet zomaar op een andere manier mag worden verdeeld. Terwijl de AOW juist was uitgevonden om een belangrijke zorg weg bij de ouderen te nemen, kakelen overheid, politiek en praatprogramma's voortdurend over de onbetaalbaarheid van de AOW, over korten, anders verdelen, langer doorwerken. Kortom, ze praten over alles wat juist de rust bij de ouderen verstoort. Het is straks niet meer te betalen, zeggen sommigen. Mensen met een eigen pensioen hebben het niet nodig, zeggen anderen. Er zijn partijen die via de AOW willen nivelleren. Dan voelen de ouderen de bui al hangen.
Ik vrees dat zelfs deze minister van nota bene Sociale Zaken niet de solide bewaker is van de briljant van ons sociale systeem, maar hij kan het tegenspreken. Hij denkt zelfs na over het fiscaliseren van de AOW. Daarom heeft 50PLUS speciaal dit debat gevraagd. We zijn ontzettend ongerust. Als ik het KNMI was, zou ik zeggen: code vuurrood. Fiscaliseren is feitelijk het overhevelen van de AOW naar de rijksbegroting, dus het rondlopende systeem afschaffen, het beroven van zijn zekerheid en de AOW elk jaar meewegen in de politieke strijd over meer of minder geld voor wat dan ook. Daarnaast worden alle mensen met een aanvullend pensioen er gedeeltelijk of helemaal uit gegooid, zomaar, ondanks dat ze hun werkzame leven lang premie hebben betaald en de AOW als basispensioen toen was meegewogen en meegenomen, ook in ons prachtige aanvullend pensioenstelsel. Er was immers ook al AOW.
Nu krijgen ze tientallen tot honderden euro's per maand minder. Hupsakee! Jammer toch? Waarom? "Omdat de regering geld nodig heeft en jullie toch allemaal meer hebben dan de andere ouderen; jullie kunnen het dus best missen", zegt de regering. 50PLUS noemt dit een ordinaire diefstal van mensen die gewoon goed hebben gespaard voor hun oude dag, die nooit hadden verwacht dat de jacht op hen zou worden geopend, dat de Nederlandse regering het briljante systeem van Drees zou gaan vernielen. In het belang van de rust en de rechtszekerheid van ouderen behoort bij deze wet een bord te staan: "Afblijven. Handen af." Fiscalisering van de AOW is een duur begrip voor exact datgene waar ik zojuist duidelijk afstand van heb genomen. Hoe je het ook uitlegt, uiteindelijk is dit het overbrengen van een gesloten inkomenssysteem voor de mensen naar de carrousel van de algemene middelen van het Rijk. Het slaat een lek in het systeem, en daarmee wordt het een jaarlijks terugkerend speeltje van de politiek; een zak geld waar begerig naar wordt gekeken door de minister van Financiën voorop, met achter hem elk beleidsterrein en de ene minister of fractie na de andere.
We gaan op die manier het zo uitstekend werkende en rondlopende systeem belasten met inkomenspolitiek. Rijk tegen arm; de regering zelf, die ons voorgaat in het uitspelen van een deel van de bevolking tegen een ander deel. Mensen met een aanvullend pensioen zijn niet rijk. Die hebben gewoon hard gewerkt en hebben daarvoor goed gespaard. Ze hebben voor een AOW keurig alle premies betaald. Het mediaan pensioen — ik wijs er nog maar eens op — is ongeveer €7.000 per jaar. De zogenaamd rijken worden dus gepakt. Maar hoeveel krijgen de armere ouderen er dan bij? Bijna geen cent. Dat geld verdampt in het begrotingstekort van de regering. Zo werkt fiscalisering met een vals sociaal sausje. Dat noem ik geen fiscalisering, maar zakkenrollerij.
Voorzitter. Ik vraag de minister om in zijn antwoord met een goed betoog onze ongerustheid weg te nemen. Ik vraag hem zijn inzichten met ons te delen als het gaat om een solide, verzekerde oude dag. Ik vraag om in te gaan op de argumenten die ik zojuist heb genoemd. Dat de overheid steeds geld tekortkomt, zie ik. Maar waarom bezuinigt uw regering dan niet op de uitgaven? De AOW betalen de mensen zelf. Graag antwoorden.
Het kabinet-Jetten kwam in februari 2026 in het regeerakkoord onverwacht met een snellere verhoging van de AOW-leeftijd, die met de breed ondersteunde motie-Rosenmöller vakkundig gekild werd in deze Kamer. Maar ik vreesde wat er gebeurde in hetzelfde debat. Ik vroeg het volgende aan de premier. "Mijn fractie vreest dat als de verhoging van de AOW-leeftijd niet doorgaat, het voorstel er komt om de AOW te fiscaliseren. Kan de minister-president toezeggen dat dit niet zal gebeuren?" Zijn antwoord luidde als volgt. "Als de verhoging van de AOW-leeftijd niet doorgaat, moeten we zoeken naar alternatieven in hetzelfde domein." De AOW, zo voeg ik eraan toe. Minister Vijlbrief deed daar vier dagen later nog een schep bovenop, in een interview in het Algemeen Dagblad van 11 april 2026. Ik citeer. "Als we dat niet met deze maatregel doen," de verhoging van de AOW-leeftijd, "dan zijn er andere maatregelen waarover ik wil praten met sociale partners." Nou komt ie: "Je kunt er zo drie of vier uit ambtelijke rapporten halen." Ik vervolg, nog steeds citaat: "Bijvoorbeeld fiscalisering van de AOW. Dat heb ik al eens eerder gezegd. Daarmee verdeel je de lasten anders, maar de uitgaven aan de AOW blijven even hoog." De minister verwees elders ook naar hogere pensioenen die dan mee kunnen betalen.
Voorzitter. De AOW is het kroonjuweel van 4 miljoen ouderen, en dus ook van 50PLUS. De antwoorden van de ministers op onze vele vragen in de nota naar aanleiding van het verslag onderstrepen onze vrees, en geven toch wel een ontluisterend beeld. Ik wil aantonen dat de AOW goed betaalbaar is, en ik wil dat onderbouwen. De uitgaven voor de AOW worden door Financiën systematisch te hoog geraamd en dat gebeurt met gebruikmaking van de ramingen van het Centraal Planbureau. Ik citeer professor Verbon in het Algemeen Dagblad van 11 mei 2019. De eerste vraag. "Berekeningen van het Centraal Planbureau laten zien dat de AOW-uitgaven uit de pan gaan rijzen. Dan is ingrijpen toch logisch?" Het antwoord van Verbon: "Die berekeningen kloppen niet. Het Centraal Planbureau gaat ervan uit dat de AOW meestijgt met de groei van het nationaal inkomen, dat wat we met z’n allen verdienen in een jaar. Dus als de economie met 3% groeit, gaat de AOW-uitkering ook met 3% omhoog. Maar in de praktijk groeit de AOW minder snel dan de economie. Dat betekent dat de uitgaven in werkelijkheid veel minder hard stijgen dan uit de berekeningen van het planbureau blijkt."
De tweede vraag: "Nederland vergrijst, dus de uitgaven stijgen toch?" Het antwoord van Verbon is: "Ja, maar het gaat erom of de stijging betaalbaar blijft. De kosten van de AOW worden steeds als argument gebruikt voor de stijging van de AOW-leeftijd. Dat maakt de verhoging van de AOW-leeftijd salonfähig en politiek haalbaar. Maar het is helemaal niet nodig, want ondanks de vergrijzing stijgen de AOW-uitgaven minder snel dan het nationaal inkomen. De financierbaarheid van de AOW is daarom geen enkel probleem." Einde van het citaat van Verbon.
Dan noem ik nu ook professor Paul de Beer, adviseur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijke instituut van wijlen de PvdA. Hij komt tot de conclusie dat de AOW betaalbaar is. Hij schrijft het volgende in Economisch Statistische Berichten van 28 april 2026, onder de kop Hogere AOW-leeftijd niet nodig voor de beteugeling van de AOW-uitgaven. Ik citeer professor De Beer. "Prognoses van toekomstige AOW-uitgaven waren de afgelopen 40 jaar telkens te pessimistisch. De werkelijke uitgaven zijn tussen 1985 en 2024 niet gestegen, maar gedaald van 5,5% naar 4,6% van het bbp." Hij vraagt zich af: "Hoe kan het dat de uitgavenquote in de afgelopen 40 jaar is gedaald, terwijl de bevolking toch aanzienlijk vergrijst? En betekent dit dan dat de verdere vergrijzing van de bevolking tot 2040 niet noodzakelijkerwijs tot een hogere uitgavenquote zal leiden?" Professor De Beer verklaart: "De hoogte van de AOW is niet gekoppeld aan de werkelijk verdiende lonen, maar aan het minimumloon, artikel 9 van de AOW-wet, dat op haar beurt weer is gekoppeld aan de contractlonen van de cao's, artikel 14 van de AOW-wet. Die cao-lonen blijven gemiddeld …" — dit is heel belangrijk — "… ruwweg een half procent per jaar achter bij de feitelijke loonontwikkeling, de zogenaamde incidentele loonontwikkeling. Dat betekent dat de AOW-uitkering over een periode van dertig jaar zo'n 14% achterblijft bij de feitelijk verdiende lonen." De conclusie van De Beer is: "Trekken we alle historische trends uit de besproken scenario's door, dan komt de stijging van de uitgavenquote bijna tot stilstand. Ze stijgt maar met 0,3% tot 5% in 2038 en daalt daarna tot ver onder het huidige niveau." Einde citaat.
De 50PLUS-fractie deelt de belangrijke conclusies van professor Verbon uit 2019 en van professor De Beer van dit jaar. Hoe komt het toch dat dit kabinet, net als vorige kabinetten, zo hardleers is, deze feiten en cijfers negeert en met eigen cijfers komt? Uitgaven van de AOW zijn sinds 2000 stabiel. Minister Heinen gaf, in een antwoord op onze vraag, zelf dit overzicht van de uitgavenquote: in 2000 4,2%, in 2025 4,6% en in 2029 4,9%. Dat spoort helemaal met de cijfers van De Beer. De financiering is sinds 2000 geleidelijk gekanteld van financiering uit de AOW-premies naar financiering uit de belastingen, de zogenaamde sluipende fiscalisering. In 2000 waren de premieopbrengsten en de AOW-uitgaven in evenwicht, zoals het hoorde en lang bleef. Uitkeringen werden geheel gedekt door de premies. AOW-premies: 19 miljard. AOW-uitgaven: 20 miljard.
In 2025 is het beeld echter geheel anders. De AOW-premies zijn met 26 miljard minder dan de helft van de AOW-uitgaven van 55 miljard. In 2025 wordt dus de meerderheid van de AOW-uitgaven gefinancierd uit de belastingen. Hoe kan dat? Dat komt omdat de AOW-premies nauwelijks zijn gestegen, terwijl de AOW-uitgaven stegen met maar liefst 35 miljard. Dat is toch wel een schokkende constatering. De stijging van de AOW-uitgaven met 35 miljard zijn maar voor 6 miljard betaald uit de premies van de werkenden. Bijna de hele stijging, 30 miljard, is betaald uit de belastingen en dus door alle belastingplichtigen, ook alle AOW'ers. Dit gebeurt via de rijksbijdrage aan de begroting van Sociale Zaken.
De vraag moet dus eigenlijk luiden: hoe komt het dat werkenden zo weinig AOW-premie betalen? Sterker nog, de werknemers betalen in werkelijkheid veel te weinig. Gemiddeld betaalt men niet 18%, maar 2% tot 7%, en 1,2 miljoen zzp'ers betalen nog minder, bijna nul. Minister Heinen liet deze cijfers onlangs zelf aan ons zien in een overzicht van de werkelijk betaalde premies voor een alleenstaande werknemer en zelfstandige.
De arbeidskorting is de oorzaak; dat is de echte sluipmoordenaar van de AOW. Die zorgt ervoor dat werkenden veel te weinig premie betalen. De arbeidskorting is in de loop van de tijd enorm verhoogd. In 2000 was het bij de start €900. Vijftien jaar later was het €2.200. In 2020 was het €3.250. Vorig jaar was het €5.685. In de laatste zes jaar is dat een toename van 75%, constateerde de minister zelf. De budgettaire kosten stegen navenant explosief, van 7 miljard in 2005 naar 22 miljard in 2015 en naar 36 miljard nu. Het enkele feit dat hierdoor nu al meer dan de helft van de AOW uit belastingen wordt betaald, zal als bewijs moeten dienen dat de AOW dus onbetaalbaar wordt.
Voorzitter. Het zit niet in de stijging van de uitgaven, maar in de snel scheefgegroeide, verkeerde financiering. De uitgaven zijn ten opzichte van 2000 stabiel. Het zit 'm in het feit dat werkenden in werkelijkheid veel te weinig AOW-premie betalen. Dat wil kennelijk niemand zien, maar 50PLUS wel. Het wordt bewust onderbelicht, zo lijkt het. Als de werkenden de volle 18% zouden betalen, nota bene voor hun eigen volksverzekering, dan zou de premieopbrengst ten minste de uitgaven van de AOW dekken. Nu brengt een gemiddelde 6%-premiebetaling 26 miljard op. Als de premie werkelijk 18% zou zijn en zou worden betaald, zou de premieopbrengst de uitgaven van de AOW zelfs flink overstijgen. Het premiepercentage van 18% zou dan zelfs verlaagd kunnen worden.
Het kabinet overweegt nu te fiscaliseren, als een alternatief voor het schrappen van de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd. Dat roept bij 50PLUS de ondubbelzinnige vraag op: waarom moeten 4 miljoen AOW'ers straks dan wel 18% premie gaan betalen, terwijl 7 miljoen werkenden bijna geen premie betalen? Dit vraag ik de minister. AOW'ers hebben tijdens hun werkzame leven gespaard voor hun AOW en 40 jaar premie betaald. Dan is dit toch de wereld op z'n kop?
Maar nog veel erger zijn de inkomensgevolgen van de fiscalisering van de AOW voor de ouderen. AOW'ers, die als werkenden reeds voor hun gepensioneerde collega's betaald hebben, moeten voortaan 18% premie gaan betalen over hun opbrengst uit de volksverzekering, hun AOW en hun veelal klein aanvullend pensioen, terwijl de nu werkenden bijna vrijgesteld zijn van premiebetaling voor de AOW. Voor een alleenstaande AOW'er met een pensioen van €10.000 is de inkomensdaling 9,5%. Voor een AOW'er met een pensioen van €20.000 is het zelfs 11,8%. Ook deze cijfers komen van minister Heinen, in antwoord op onze vragen. Het gaat om een bedrag van €3.600 netto. Dat is immers 18% van €20.000. Dat betekent dat iemand er €300 netto op achteruit gaat per maand.
Ik wijs erop dat het aanvullend pensioen alleen belast wordt over het kleine pensioendeel, tot maximaal €20.000, omdat er een inkomensgrens voor de premies volksverzekeringen is van bijna €40.000. De AOW'ers met een klein pensioen worden dus het hardst geraakt met een inkomensdaling van 12%. AOW'ers met een hoger pensioen worden percentueel veel minder hard geraakt. Bij een pensioen van €100.000 is de inkomensdaling de helft lager dan die bij de lage pensioenen: 6%. Dus de daling is 12% bij de kleine pensioenen en 6% als je een ton aan pensioen hebt. Dat is superdenivellerend.
Minister, ik wijs nog op een ander gevolg van de fiscalisering, dat zwaar onderbelicht wordt. Bij fiscalisering van de AOW wordt de belasting op AOW'ers met maar liefst 13 miljard verhoogd. 13 miljard belastingverhoging alleen voor de AOW'ers! Maar door de zogenaamde netto-nettokoppeling moet de AOW fors worden verhoogd, om te zorgen dat de netto-AOW gelijk blijft aan het nettominimumloon. De 18% aan AOW-premie over de AOW zelf wordt dus voor hen gelukkig geheel gecompenseerd door de koppeling, maar dat leidt tot een explosieve stijging van de AOW-uitgaven van 7 miljard. Dat is 12% extra AOW-uitgaven. Voor de schatkist blijft er van die 13 miljard extra belastingen netto dus maar 6 miljard over, zo antwoordde minister Heinen mij eerder. Dit is de wereld op z'n kop. Het kabinet probeert de uitgaven van de AOW te remmen met de leeftijdsverhoging, maar bereikt het omgekeerde door fiscalisering. Dat verschil is bijna 10 miljard. In plaats van dat er 2,7 minder wordt uitgegeven door een hogere AOW-leeftijd stijgen de AOW-uitgaven met 6 miljard. Dat is een verschil van 10 miljard.
Het voorgaande overzicht toont dat de fiscalisering van de AOW een asociale maatregel is. Het raakt vooral de mensen met een klein pensioen. Onder het motto "werken moet lonen" is de arbeidskorting geëxplodeerd, waardoor werkenden weinig premie betalen, zoals ik al zei. Die te lage premiebetaling wordt nu als argument gebruikt om de AOW'ers hiervoor te laten bloeden. Ze moeten 18% premie betalen. 50PLUS heeft dit duivelse spel allang door en heeft erop gewezen dat als de arbeidskorting niet zou zijn verhoogd, de schijftarieven zouden kunnen worden verlaagd in plaats van de verhoging van de arbeidskorting. Een afschaffing van de arbeidskorting zou budgettaire ruimte hebben gegeven voor een verlaging van alle schijftarieven met 7%, zo antwoordde minister Heinen.
Zo'n tariefverlaging zou niet alleen hebben gewerkt voor de werkenden, maar ook voor de niet meer werkenden, de AOW'ers. Ja, maar dat was natuurlijk niet de bedoeling! De politiek wilde bewust dat AOW'ers met pensioen zouden worden uitgesloten van een belastingverlaging en nu moeten ze ook nog de rekening betalen voor het feit dat de werkenden wel belastingverlaging kregen via de arbeidskorting en daardoor bijna geen AOW-premie betaalden. De AOW'ers worden dus dubbel gepakt.
De minister antwoordt het volgende: "Bij het in beeld brengen van alternatieven kijkt het kabinet primair naar alternatieven binnen de inkomensvoorziening ouderen aan zowel de uitgaven- als de inkomstenkant. (…) In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Inkomensvoorziening ouderen worden verschillende beleidsopties waaronder fiscalisering AOW ambtelijk uitgewerkt. Het kabinet zal het IBO dit najaar met een reactie aan de Tweede Kamer doen toekomen. Wilt u dat ook aan de Eerste Kamer sturen?" Voor 50PLUS is het onbegrijpelijk dat het schrappen van een bezuiniging op de AOW-uitgaven bij de werkenden wordt vervangen door een belastingverhoging voor een geheel andere groep, de niet meer werkenden. Dat is de wereld op zijn kop.
Ik schrok toen ik de volgende tekst van de minister las in de antwoorden. "Dat Nederland vergrijst is onmiskenbaar. AOW-gerechtigden betalen geen AOW-premie en het tarief van de AOW-premie is gemaximeerd. Als gevolg hiervan stijgen de uitgaven aan de AOW harder dan de opbrengsten van de AOW-premie. Hierdoor wordt een steeds groter deel betaald uit de algemene middelen. Dat neemt niet weg dat naast de vergrijzing inderdaad ook de heffingskortingen en andere fiscale parameters invloed hebben op hoeveel premie er daadwerkelijk wordt geïnd en betaald. Bij de arbeidskorting is het zo" — nou komt-ie — "dat deze flink is gestegen", schrijft de minister, namelijk in zes jaar met 75%, van €3.250 naar bijna €5.700. De minister schrijft: "Het klopt dat heffingskortingen de opbrengst van de premies voor de volksverzekeringen meer dan halveren." Eindelijk bevestigen de ministers het eerdere gelijk van 50PLUS.
De heer Van Gurp i (GL-PvdA):
Ik heb een vraag, voorzitter, via u aan de heer Van Rooijen. Ik zit een kwartiertje naar een op zich interessant betoog over de AOW te luisteren, maar ik ben hier eigenlijk gekomen voor de begroting van Sociale Zaken zoals die voor ons ligt. Die gaat volgens mij niet over fiscalisering van de AOW. Mijn vraag is of u ook nog aan de begroting toekomt.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ik heb in de schriftelijke voorbereiding van de begroting veel vragen gesteld over de AOW. Al met al waren de vragen en de antwoorden van de minister tien pagina's, een week geleden. Ik dank hem overigens voor de uitvoerige beantwoording van die vragen. Bij de begroting van Sociale Zaken is het in de begroting zelf, in de tekst, een van de kortste stukjes — ik geloof dat het nog geen halve pagina is — voor 55 miljard aan uitgaven. Daarin staan dan over nabestaanden en dergelijke vele pagina's; noem maar op. Over de AOW staat er heel weinig. Maar ik heb in de vragen bij de Miljoenennota al aan minister Heinen heel veel vragen gesteld over de AOW. Die kunnen dan ook bij het Belastingplan en bij deze begroting een rol spelen. Mijn fractie — het zal u niet verbazen — maakt zich zo veel zorgen over de fiscalisering van de AOW dat ik daar vanavond aandacht voor vraag. Ik wijs de collega van de fractie GroenLinks-PvdA erop dat in het verkiezingsprogramma van GroenLinks-PvdA de fiscalisering niet is opgenomen. Mij is bekend dat dat bewust is gebeurd. Ik zal de naam niet noemen.
De heer Van Gurp (GL-PvdA):
Mijn vraag was geen politieke vraag. Het is best interessant, heb ik gezegd, om naar u te luisteren hierover. Maar het is wel een beetje een vraag van de orde. We zijn een lange dag bezig. Ik vind het prima dat er bij een begroting een beetje annex uitgeweid wordt. Ik ga verder ook niet over de orde. Maar ik zou wel willen weten: kan ik ook nog iets verwachten wat verder strikt over de begroting gaat, of gaat het betoog alleen over de AOW? Dan weet ik ook een beetje waar ik rekening mee kan houden vanavond.
De voorzitter:
Ik dank de heer Van Gurp dat hij het ordegedeelte aan de voorzitter laat. Dat neem ik dan ook graag op me. Daar hoeft de heer Van Rooijen dan niet op te reageren. Hij kan zijn betoog voortzetten. Hij heeft daar nog 2 minuten en 26 seconden voor, dus dan gaan we daarna kijken …
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ja, zo is dat. Voorzitter.
De voorzitter:
Meneer Van Rooijen, laat u mij ook even uitpraten. Dan gaan we daarna kijken of meneer Van Gurp bediend is. De heer Van Rooijen vervolgt zijn betoog.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Voorzitter. Ik vind het bijzonder dat de collega van de fractie GroenLinks-PvdA zelf geen enkele vraag bij de begroting stelt. Dan verwijt hij mij dat ik daarover begin. Twee. Ik wil er nogmaals op wijzen dat de AOW de uitvinding is geweest van het PvdA-kopstuk Drees. Dat wil ik hier graag nog gezegd hebben.
Voorzitter. Ik ga bijna afronden, zoals u aangaf. Eindelijk bevestigen de ministers het eerdere gelijk van 50PLUS. We zijn dus gewoon voor de gek gehouden over de oorzaak van het stijgende aandeel van de financiering uit de belastingen. Dat AOW'ers geen premie betalen, wordt ten onrechte als oorzaak van de onbetaalbaarheid genoemd, want de AOW'ers hebben nooit AOW-premie hoeven te betalen sinds de invoering van de AOW. Dat was ook tot 2002 geen issue, totdat PvdA-lijsttrekker Bos erover begon met de beruchte Bosbelasting. De politiek weet als geen ander: ouderen gaan niet naar het Malieveld. De politiek ziet hen als makke schapen. Ga me ook niet vertellen dat het allemaal wel meevalt omdat fiscalisering mogelijk wordt gespreid over achttien jaar, met stapjes van 1%.
Voorzitter, tot slot. Bontenbal van het CDA hield fiscalisering van de AOW tegen in de formatie, want de AOW zou buiten het akkoord blijven. Dat zei hij vol trots op het CDA-congres. Mijn reactie op het antwoord van minister-president Jetten op 7 april was: fiscalisering van de AOW is een brug te ver en die zullen we nooit overgaan. Onze 50PLUS-voorman Jan Struijs heeft zijn laarzen al klaar staan voor het Malieveld, zei ik. Jan Struijs was op 5 juni nog meer uitgesproken in het programma Nieuws van de Dag. Ik citeer: "Ik ben steeds chagrijniger geworden over de AOW-discussie, want daar zijn we gewoon misleid. Ik heb er geen ander woord voor. Dat heb ik toen bij de eerste, tweede en derde informateur gezegd. Hier begin je met wantrouwen. Mijn wantrouwen nam toe. Ik heb ook tegen de minister gezegd: dit is echt een valse start voor mij, Jan Struijs. Hierop ga ik oppositie voeren. Dit kun je niet maken. Het gaat om kwetsbare mensen. Het geld is er wel." Dit is het einde van het citaat van Jan Struijs. Met Jan Struijs vraagt 50PLUS de minister of hij wil toezeggen niet met een voorstel te komen van fiscalisering van de AOW, en zo nee, waarom niet?
Mijn fractie wacht de antwoorden van de minister af.
Ik ben precies binnen de tijd, voorzitter.
De voorzitter:
Absoluut, meneer Van Rooijen. Hartelijk dank daarvoor. De minister heeft aangegeven vijf minuten nodig te hebben voor het voorbereiden van de beantwoording. Dat betekent dat ik voor de duur van vijf minuten schors.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en ik geef het woord aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Minister, gaat uw gang.
Minister Vijlbrief i:
Voorzitter. Dank aan de heer Van Rooijen voor zijn gloedvolle betoog over de AOW. Ik denk dat ik hem op een aantal punten heel erg gerust kan stellen en op een aantal punten misschien wat minder, maar we gaan het proberen.
Hij heeft gelijk: de AOW is het kroonjuweel van de Nederlandse sociale zekerheid. We weten allemaal hoe dat is ontstaan. Het "trekken van Drees" ken ik uiteraard ook uit mijn familie. Ik kan me nog herinneren dat mijn opa en oma echt bijzonder blij waren met de AOW en daar ook dankbaar voor waren. De heer Van Rooijen zegt: het is een mooi ronddraaiend systeem. Hij sprak zichzelf echter een kwartier daarna tegen door te zeggen: maar de helft wordt al betaald uit algemene belastingen en niet meer uit de AOW-premie. Dat klopt ook. Dat klopt; dat is zo. Dat is op dit moment zo in meer dan de helft van de gevallen, geloof ik. Eigenlijk zegt het lid Van Rooijen: dat vind ik ongewenst; ik had liever gehad dat dat helemaal uit de AOW-premie werd betaald, maar dat is nou eenmaal niet meer zo. Dat zat een beetje in zijn hele betoog.
Ik ga hem niet uitlokken — we zijn allebei voetballiefhebbers en ik zou straks graag nog een stukje van de wedstrijd Frankrijk-Senegal willen zien — maar ik hoorde hem niet echt een oordeel uitspreken over het voorstel van het kabinet. Ik doel dan op het oorspronkelijke voorstel uit het coalitieakkoord dat tot zoveel ophef heeft geleid. Ik ben zelf altijd een voorstander geweest van het koppelen van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting. Dat vind ik eerlijk en dat is ook goed. In de formatie hebben wij onderhandeld. Het kabinet heeft uiteindelijk in het coalitieakkoord gezet: dat gaan we een-op-een maken. Dat leidde tot heel veel gedoe en heel veel onrust. Dat begreep ik ook wel. Ik heb daar ook al een keer van gezegd dat het niet zo verstandig was dat we dat deden, en dat we beter hadden moeten inschatten wat het zou betekenen voor degenen die het pensioenakkoord hebben gemaakt. Daar heb ik begrip voor en daar heeft het kabinet begrip voor.
De heer Van Rooijen, en de hele Eerste Kamer, weet ook dat we inmiddels een brief hebben gestuurd in reactie op het ultimatum van de vakbeweging, waarin we hebben gezegd dat we dat niet gaan doen. In die brief stellen we een vraag, en ik blijf die vraag gerechtvaardigd vinden. Ik ga zo nog even in op de kostenstijging, wat de heer De Beer zegt en de techniek, maar eerst maar even over de politiek. Als het om zulke bedragen gaat, als die bedragen toenemen en als er ook een heleboel andere wensen zijn, niet alleen op het gebied van defensie, dan moet de politiek ook deze vraag stellen. We willen onze infrastructuur op orde houden en we willen een heleboel andere dingen doen met overheidsuitgaven. Dan mag de politiek best de vraag stellen: is dit de beste manier om het te betalen, en wat vinden wij van de verdeling van de lasten daarbij?
De heer Van Rooijen van 50PLUS heeft hier een opvatting over. Dat mag natuurlijk gewoon, want dat is een politieke opvatting. Daarvoor staan we hier. Wij zeggen in de brief, in reactie op het ultimatum van de vakbeweging: wij willen het met de sociale partners graag nog eens hebben over de verdeling van die kosten. Dat wordt blijkbaar gelezen als een directe uitnodiging tot fiscalisering. In het kranteninterview waar de heer Van Rooijen naar verwees, heb ik gezegd: als je niet de discussie aan wilt gaan over de een-op-eenkoppeling, wil ik wel graag de discussie voeren over de lastenverdeling. Werkgevers en werknemers zijn nu met elkaar in gesprek. Het kabinet hoopt snel met hen in gesprek te komen, nadat er acties zijn gevoerd. Dan zal ik van werkgevers en werknemers horen hoe zij hiertegen aankijken. De AOW is uiteindelijk niet van de werkgevers en de werknemers — het is een zorgverzekering — maar het is wel iets wat werkgevers en werknemers allebei belangrijk vinden. Daar zullen we dus heel goed naar luisteren. Maar nogmaals, ik vind het niet raar om die vraag te stellen.
De heer Van Rooijen had een belangrijk punt. Zoals sommigen hier misschien weten, ben ik in mijn vrije tijd ooit gepromoveerd op arbeidseconomie en ben ik ook hoogleraar economie geweest. Ik vind dat leuk. Ik houd van die getallen. Ik heb 25 jaar geleden ook nog bij het CPB gewerkt. Ik vind het dus leuk om te praten over de vraag of die uitgaven nu echt omhooggaan en hoe je dat moet inschatten, maar ik ga wel één ding zeggen. Ofschoon ik het heel leuk vind om te praten over De Beer en Verbon, allebei ex-collega's van mij, die wat vinden van die uitgavenstijging, hebben wij in Nederland de goede gewoonte dat wij de cijfers van het Centraal Planbureau overnemen, tenzij wij vinden dat er iets niet klopt bij het Centraal Planbureau. Dan gaan wij in gesprek met het Centraal Planbureau. Ik ben er ontzettend op tegen om instituties ter discussies te stellen. Dat doe ik eigenlijk nooit. Daar ben ik echt op tegen. Die zijn namelijk de vangrails van onze economie. Dat wil niet zeggen dat het CPB alwetend is, maar dat doen we achter gesloten deuren. Dan gaan we naar het CPB en vragen we: klopt jullie raming rond de AOW eigenlijk wel?
Tijdens het debat over de Voorjaarsnota heeft de minister van Financiën in reactie op de motie-Grinwis aangegeven nader in te gaan op de AOW-raming. Hij heeft dus al toegezegd dat daarnaar gekeken wordt. In reactie op de heer Van Rooijen zeg ik dat ik hem zal vragen om die reactie ook met de Eerste Kamer te delen. Ik ben academisch ook geïnteresseerd in de vraag of het eigenlijk wel klopt. Ik kan de redenering van het CPB nog heel kort toelichten. Dit doet het CPB altijd: bij langetermijnsommen wordt er altijd van uitgegaan dat uitkeringen meestijgen met de welvaartsstijging en niet met de formele wettelijke koppeling. Dat doen we bij alle gerelateerde uitkeringen, dus ook bij de AOW. Je kunt je afvragen of dat empirisch wel klopt — in die zin heeft de heer Van Rooijen een punt — maar daar komt de minister van Financiën dus nog op terug.
Ik ga afronden. Het kabinet heeft een voorstel gedaan voor die een-op-eenkoppeling. Dat voorstel hebben we weggehaald; dat bestaat niet meer. Ik heb ook gezegd dat ik niet een wetswijziging in die trant ga indienen. In reactie op het ultimatum van de vakbeweging heeft het kabinet in de brief gezegd: wij willen met u het gesprek aangaan over de verdeling van de lasten van de AOW. Als de werkgevers en werknemers dat willen, gaan we dat doen, en anders doen we dat niet. Ik ga daar vrij relaxed op reageren. Dat is namelijk een verdelingsvraag: wie betaalt er eigenlijk voor? Het is glashelder dat de heer Van Rooijen in zijn verder prachtige betoog aangeeft: ik kijk daar op een bepaalde manier naar. Eigenlijk zegt hij: blijf daar — ik zeg het maar even op z'n Hollands — met je fikken van af. Maar tegelijkertijd zeg ik: ja, maar de helft wordt al door belastingen opgebracht, dus het principe is blijkbaar niet zo groot dat we niet de helft ervan met belastingen kunnen opbrengen. Dan zal de heer Van Rooijen zeggen: maar dat wilde ik eigenlijk ook al niet. Dat klopt, maar dat gaan we nu niet terugdraaien, want dat gaat over veel te grote bedragen.
Al met al heb ik geen voorstel tot fiscalisering in voorbereiding. Ik ga eerst proberen om deze zomer dat sociale overleg te voeren met werkgevers en werknemers. Dat is mij het meeste waard. Ik ga proberen met hen een pact te sluiten, zodat we de Nederlandse economie versterken en werkgevers en werknemers gaan helpen, samen met het kabinet, om ons land nog mooier te maken dan het nu is. Dat is mijn doel. Er is geen geheim kastje ... Nou, er is wél een geheim kastje; daar ligt namelijk het rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte in. Zij zeggen: let op je vergrijzingsuitgaven en op hoe je die betaalt. Ze geven een aantal opties. Daar hoort fiscaliseren ook bij. Dat dingetje ligt nog wel ergens in een la en dat zal ik daar ook nog weleens uit halen als ik met werkgevers en werknemers ga praten, maar voor mij is dit nu niet aan de orde. In die zin kan ik de heer Van Rooijen dus geruststellen.
Ik kan hem niet helemaal geruststellen. Helemaal aan het einde vroeg hij namelijk: gaat u zeggen dat u dat nooit gaat doen? Nee, dat ga ik helemaal niet zeggen. Dat zou namelijk heel dom zijn. Ik heb maar op één punt ooit gezegd: dat ga ik nooit doen. Dat is het heropenen van Groningen. Daar doe ik niet aan mee. Voor de rest heb ik weinig taboes in de politiek. Dat weet de heer Van Rooijen ook. Maar hij hoeft niet bang te zijn dat ik hier nu ergens een geheim dingetje heb liggen, want dat is niet zo.
Voorzitter, dat was 'm.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
We gaan zo naar het voetbal kijken: de minister, en ik ook. Dat gun ik de collega's ook allemaal.
Maar ik heb nog een vraag aan de minister. De minister zei namelijk dat ik mezelf zou tegenspreken. Nou, dat trek ik me dan aan, maar volgens mij klopt dat niet. Ik heb alleen maar geconstateerd dat de helft van de AOW uit de belastingen wordt betaald, maar dat is niet wat ik zou hebben gewild. Ik spreek mezelf dus niet tegen. Maar de minister erkent dat al, dus dat begrijpen we samen goed.
Mijn grote punt ging over het bezuinigen op de AOW-uitgaven door de AOW-leeftijd te verhogen, wat betekent dat werkenden later AOW krijgen. Als dat niet doorgaat — dat kost bijna 3 miljard — zouden wij het onbegrijpelijk vinden als dan de AOW'ers die al gewerkt hebben, de niet-meer-werkenden, de compensatie moeten doen, en dan ook nog voor veel meer, in plaats van de werkenden.
Tenslotte ben ik blij dat de minister eigenlijk de belofte doet dat hij niet met een voorstel zal komen. Hij zei daar wel bij: niet nooit. Daarvan weten we allebei, afgezien dan van wat de minister over Groningen zei ... Maar mag ik er dan van uitgaan dat dat voorstel er in deze kabinetsperiode niet komt? Kan hij dat toezeggen? Het is dan niet nooit, maar toch ook niet in de komende drie jaar?
Minister Vijlbrief:
Nee, dat ga ik niet toezeggen. Ik heb de heer Van Rooijen of eigenlijk de Kamer net proberen uit te leggen dat voor mij het sociale overleg nu centraal staat. In dat sociale overleg zal het kabinet de stijgende uitgaven voor de AOW aan de orde stellen. Dan zullen wij van de sociale partners horen wat zij daarvan vinden. Stel, de sociale partners zeggen dan samen: wij vinden het logisch om een groter deel uit belastingen te betalen. Dan zijn ze het dus niet eens met de heer Van Rooijen. Maar dan sluit ik niet uit dat het kabinet dat gaat volgen. Ik zei alleen maar: er ligt nu geen plan klaar. Dit heb ik trouwens ook al gezegd tegen de collega van de heer Van Rooijen in de Tweede Kamer, mevrouw Van Brenk: nee, dat ligt niet klaar; ik ben niet een soort van kwade genius achter fiscalisering.
Tegelijkertijd vind ik — ik zit niet in de politiek om taboes te hebben — dat je dit best aan de orde mag stellen. Dat doet de heer Van Rooijen ook; hij heeft daar een opvatting over. Hij zegt namelijk: ik vind dat ouderen daar niet aan mee moeten betalen, met hun pensioen. Je kunt best de politieke opvatting hebben ... Sterker nog, hij verwees naar politieke partijen die de politieke opvatting hebben gehad, ter linkerzijde en ter rechterzijde, dat rijkere ouderen mee kunnen betalen, ouderen met een hoger inkomen dan alleen de AOW. Die opvattingen zijn er, dus ik ga hem niet toezeggen dat dit deze kabinetsperiode niet gaat gebeuren, want dat kan ik niet toezeggen. Maar hij hoeft niet bang te zijn dat er een geheime samenzwering is tegen het inkomen van ouderen.
Dat is 'm, voorzitter.
De voorzitter:
Een vervolgvraag nog van de heer Van Rooijen.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
De minister lokt nu iets uit door over rijkere ouderen te beginnen. Mijn grote punt is, zoals ik ook duidelijk heb uitgelegd, dat juist de arme ouderen, eigenlijk vooral de arme ouderen, de harde klappen krijgen, want die 18% wordt geheven over alleen de eerste schijf van €20.000. Dus iemand met een ton pensioen gaat er 6% op achteruit, maar iemand met een pensioen van €20.000 gaat er 12% op achteruit. Dat was ook de blunder die Wouter Bos beging. Die wilde de rijke ouderen pakken en toen werd duidelijk dat de armere ouderen werden gepakt. Toen zei Verhagen van het CDA: met Bos ben je de klos. Ik zou niet graag straks willen zeggen: met Vijlbrief ben je de klos. Ik weet van de werkgevers en de werknemers dat ze beide zeggen, met name ook Van Oostrom van VNO: "Stop die hele AOW-discussie in de ijskast. Doe hem op slot en doe de sleutel er ook in." Ik denk dat ook Spekman heeft gezegd dat de AOW goed betaalbaar is en dat de kosten van de AOW lager zijn sinds het pensioenakkoord. Een duidelijkere mening kan ik hier niet geven. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Rooijen. Leidt dat nog tot een korte reflectie van de kant van de minister?
Minister Vijlbrief:
Nee, behalve dat ik steeds in de war raak van die metafoor van die ijskast die dichtgaat en dat je daarna de sleutel erin moet doen. Volgens mij kan dat namelijk niet, maar dat is niet de fout van de heer Van Rooijen. Het was de metafoor van de heer Van Oostrom. Ik dank de heer Van Rooijen voor zijn inbreng.
De voorzitter:
Dank u zeer, minister. Ik krijg de indruk dat dat betekent dat de heer Van Rooijen afziet van een tweede termijn. Dat is het geval. Dat brengt de door u beiden zo verlangde wedstrijd in ieder geval iets dichterbij.
Dat betekent dat we nog even de vraag aan de orde hebben of een van de andere leden in deze termijn nog het woord wenst. Dat is niet het geval.
Dan kom ik tot het sluiten van de beraadslaging.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Dan is de vraag: wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel? Dat is niet het geval. Dan is het wetsvoorstel aanvaard. Verlangd iemand aantekening? Dat is evenmin het geval.
Dan zijn we hiermee gekomen aan het einde van deze vergadering. Ik dank alle leden, de minister, de medewerkers die deze vergadering mogelijk hebben gemaakt en ook de aanwezigen op de publieke tribune voor hun komst naar de Kamer. Ik sluit de vergadering.