Plenair Moonen bij behandeling Begroting gemeentefonds 2026



Verslag van de vergadering van 15 juni 2026 (2025/2026 nr. 33)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 19.46 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Moonen i (D66):

Voorzitter. Onze gemeenten zijn ontzettend belangrijk. Ze vervullen een essentiële rol in onze democratie, omdat zij het dichtst bij de burger staan. Ze zijn daarmee bepalend voor de wijze waarop burgers naar de overheid kijken: je ervaart de overheid in je eigen gemeente. Dat is ook precies de gedachte bij het proces van decentralisatie, waarbij nieuwe taken zijn toegevoegd aan het pakket van gemeentes met het idee dat deze mensen dichtbij de burgers staan en deze taken het beste kunnen uitvoeren.

Dat kan natuurlijk alleen als er een balans is tussen de taken en de financiële middelen. Vanaf deze plek wil de fractie van D66 graag haar dank uitspreken voor al die mensen die in gemeentes werken, dagelijks opkomen voor de belangen van burgers — voor de kijkers thuis bijvoorbeeld — en zich dagelijks met ziel en zaligheid inzetten voor een beter bestaan voor mensen in hun gemeente.

Vorig jaar sprak ik over de lastige dilemma's waar gemeentes voor staan als de middelen tekortschieten. Sluit je als wethouder de openbare bibliotheek of sluit je je laatste openbare zwembad? Het is gebeurd in Gulpen-Wittem, een gemeente in Zuid-Limburg. Beide zijn essentiële voorzieningen, vaak voor kinderen van ouders die het wat minder breed hebben. Sluit je het dorpshuis of kun je het dorpshuis niet meer opknappen? Het huis waar de ouderen en jongeren bijeenkomen, het kloppende hart van het dorp, de ontmoetingsplaats, het sociale bindweefsel van waar je woont: juist in tijden waarin steeds meer mensen eenzaam zijn, zijn ze belangrijk. Dorpshuizen bieden niet alleen een uitkomst, maar bieden ook redding voor mensen.

Vorig jaar zijn er bij de Voorjaarsnota extra gelden ter beschikking gesteld door de vorige regering. Dat was mede op verzoek van D66, maar zeker ook van PRO, BBB, OPNL. Het was een brede coalitie; men was hier allemaal aanwezig. Collega Lievense sprak er al over. Het is belangrijk dat we daarvoor met terugwerkende kracht bedanken, want het is wel gebeurd. Dat geld is vooral ten goede gekomen aan de jeugdzorg. Dan heb ik het over een groep kwetsbare jongeren die complexe zorg nodig hebben; anders zitten ze niet bij de jeugdzorg.

Ik heb veel contact gehad met diverse wethouders in het land, waaronder de wethouder van Middelburg. Van hen hoor ik het volgende. Een gemeente moet een kloppende en sluitende begroting maken; dat is een verplichting. Gemeenten bezuinigen nu fors op bijvoorbeeld onderhoud van wegen en ondergrondse infrastructuur — denk bijvoorbeeld aan de riolering — en maken aldus een begroting die min of meer klopt. De begroting is dan sluitend, maar geeft eigenlijk een totaal vertekend beeld. Het onderhoud, bovengrond en ondergronds, is uitgesteld en de rekening wordt onzichtbaar vooruitgeschoven.

We weten allemaal, zeker als het gaat over infrastructuur, dat het uitstellen van het onderhoud daarvan op termijn betekent dat de rekening nog hoger zal zijn. Het is dus een sluipend proces van uitstel dat niet meer goed zichtbaar is, omdat de begrotingen wel sluitend zijn. Dat is ook wat de wethouders van financiën tegen mij zeiden: het lijkt allemaal op orde, maar eigenlijk is het helemaal niet op orde. Daar wil ik op wijzen. Dat brengt mij tot de volgende vragen.

Wij vragen aan de minister welke oplossing hij ziet om het achterstallig onderhoud van wegen en ook van de ondergrond aan te pakken. De minister kan natuurlijk zeggen dat hij niet de vakminister is, maar dit raakt wel aan een decentrale taak die is neergelegd bij de gemeenten. Ook de VNG vraagt hier aandacht voor, net als de Algemene Rekenkamer, die hierover een vrij ernstig rapport heeft geschreven.

De heer Janssen i (SP):

Mevrouw Moonen, het financieel toezicht op de gemeenten is toebedeeld aan de provincies. Volgens mij zou uw vraag om daar extra aandacht te besteden dus in eerste instantie, misschien via de minister, toch aan de provincies gesteld moeten worden.

Mevrouw Moonen (D66):

Ik denk dat de heer Janssen er wel in gelijk heeft dat het toezicht bij de provincies ligt. Dat is correct. Maar we hebben het hier wel over het gemeentefonds. Dat wordt gevuld met rijksmiddelen. Daar gaat dit debat over. Ik wijs op het sluipenderwijs uit het zicht raken van taken en het laten groeien van het achterstallig onderhoud. Die zaken zijn niet meer zichtbaar omdat de begrotingen steeds sluitend zijn. Dat is wel een kwestie die speelt tussen rijksbegroting en gemeentefonds.

De heer Janssen (SP):

Dan is het nog steeds een taak van de provincies om na te gaan of de begroting van een gemeente ook daadwerkelijk sluitend is en om te kijken of de afschrijvingstermijnen en onderhoudstermijnen voor de riolering en dergelijke goed in beeld gebracht zijn. Ik heb zelf vier jaar financieel toezicht op gemeenten mogen uitoefenen in mijn bestuursportefeuille. De trucs om een begroting sluitend te krijgen zijn allemaal bekend. Maar het ligt echt in eerste instantie bij de provincie om dit soort dingen te doorzien. De provincie moet nagaan of de begroting niet alleen op papier sluitend is gemaakt. Ze moet ook een laag dieper gaan om te kijken of alles klopt.

Mevrouw Moonen (D66):

De heer Janssen heeft daar gelijk in als het om het toezicht gaat. Maar ik heb het nu over de financiële middelen die tekortschieten in het gemeentefonds, waardoor bezuinigingen zich verplaatsen naar zaken die voor een wethouder misschien makkelijker uitlegbaar zijn dan het sluiten van een zwembad, zoals het onderhoud van voorzieningen. Dat is waar ik het hier over heb.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Janssen.

De heer Janssen (SP):

Tot slot. Maar het ligt nog steeds bij de provincie als toezichthouder om dat in kaart te brengen en dan desnoods een begroting af te keuren of niet sluitend te verklaren. Dat wil ik mevrouw Moonen meegeven.

Mevrouw Moonen (D66):

Oké. Dank.

De heer Dessing i (FVD):

Ik sluit aan op de interruptie van de SP, maar met een iets andere insteek. Ik hoor mevrouw Moonen zeggen: als een kerntaak van een gemeente niet goed wordt uitgevoerd, moet de minister daar iets aan doen. De SP had het erover dat de provincie daar eigenlijk naar moet kijken. Maar is het niet zo dat in het huis van Thorbecke juist de gemeenteraad en het college zelf verantwoordelijk zijn voor het in ieder geval uitvoeren van de kerntaken, en binnen de mogelijkheden van de begroting moeten kijken of er op niet-kerntaken bezuinigd moet worden? Dat is toch uiteindelijk aan de gemeenteraad en het college zelf? Hoe kijkt D66 daartegen aan?

Mevrouw Moonen (D66):

Zeker, ik ben het daarmee eens. Het is de verantwoordelijkheid van de raad, samen met het college van B en W, om die afweging te maken. Ik beschrijf wat ik terughoor van de wethouders van Financiën en ook van wethouders met andere portefeuilles, namelijk dat de rek er wel uit is. Ze zitten al op het niveau van de kerntaken. Ze zien niet nog heel veel opties voor bezuinigingen. Dan krijg je de kwestie: waar bezuinig je op? Er wordt bezuinigd op het onderhoud van de lokale wegen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Dat wordt bevestigd in het rapport van de Algemene Rekenkamer. Bijna 50% van het wegonderhoud zit bij lokale overheden en niet bij Rijkswaterstaat. Dat weten veel mensen niet. Het gaat dus over heel wat. We zien dit ook bij de ondergrond en daar maakt de fractie van D66 zich zorgen over.

De heer Dessing (FVD):

Dan toch nog een vervolgvraag. Bijvoorbeeld over de uitvoering van het Klimaatakkoord kan een gemeente zeggen: dat is een kerntaak en dat moet wettelijk gezien. Het rapport-Berenschot over het onderzoek naar de kerntaken, dat ik vorig jaar in de provincie heb laten uitvoeren, zegt dat je wel iets moet doen aan uitvoeringstaken, maar dat je als gemeenteraad en als college keuzes hebt in de wijze waarop je dat doet. Daar kun je dus ook bezuinigingen in aanbrengen. Dat is dan toch een mogelijkheid om zo'n begroting sluitend te krijgen terwijl je toch je kerntaken uitvoert?

Mevrouw Moonen (D66):

Ik wil meegeven dat ik me daar niet te veel illusies over maak. Ik was zelf dijkgraaf bij een waterschap. Ik was verantwoordelijk voor alle rioleringen van dat waterschap. Dat gold niet voor die binnen de bebouwde kom, want daar gaan de gemeentes over. Rioleringen onder de grond hebben gewoon een technische levensduur. Er is uit te tekenen wat je moet doen om het op peil te houden en daar heb je niet heel veel keuzevrijheid in. Dat geldt ook voor het asfalt van wegen. Ik wil niet te technisch worden, maar ook daarvoor gelden bepaalde termijnen waarbinnen je dat moet herstellen. Als je dat niet doet, loop je meer risico's naar de toekomst toe. Ik hoor van de decentrale bestuurders van D66 terug dat zij dat sluipende proces ook zien.

De heer Van Hattem i (PVV):

Ik ben het met de vorige spreker eens dat je bepaalde prioriteiten kunt stellen als decentrale overheid of als gemeente. Ik zou het volgende toch van mevrouw Moonen van D66 willen horen. Ik hoor haar terecht zeggen dat het onderhoud van de wegen in gemeentes een groot probleem is. Daar zijn te weinig middelen voor. In het vorige debat heb ik het punt van de fysieke infrastructuur aangehaald ten aanzien van de provincie. Toen kwam de reactie van de minister dat hij daar niet direct over ging en dat het niet op zijn bordje lag. Nu hoor ik D66 vragen om daarnaar te kijken vanuit gemeentelijk perspectief. Ik zou mevrouw Moonen de vraag willen stellen of zij het met mij eens is dat wij als Rijksoverheid kritisch zouden moeten kijken naar de wijze van financiering en de besteding van middelen ten aanzien van de opcenten bij de motorrijtuigenbelasting. Die worden door provincies nu nadrukkelijk voor andere doelen gebruikt dan alleen voor de fysieke weginfrastructuur. Daar is natuurlijk ook een stuk gemeentelijk wegennet aan gekoppeld, waar de provincie vaak cofinanciering op pleegt. Kan mevrouw Moonen aangeven hoe zij daartegen aankijkt?

Mevrouw Moonen (D66):

Ik zal kort antwoorden. Ik zie het als volgt. De provincies zijn verantwoordelijk voor de N-wegen. In het vorige debat ging het daar ook over. In principe geldt dat er in het provinciefonds genoeg middelen zouden moeten zitten om de N-wegen goed te onderhouden en te renoveren. Er is de parallel met het gemeentefonds. Daar moeten voldoende financiële middelen in zitten om goed onderhoud te plegen op de gemeentelijke wegen. In die zin is het vergelijkbaar.

De heer Van Hattem (PVV):

Om misschien een kleine misvatting weg te nemen: niet iedere N-weg is een provinciale weg. Daar zitten ook vaak rijkswegen bij, en soms gemeentelijke wegen. Misschien is dit een detail, maar hier worden vaak vergissingen in gemaakt. De N65 tussen Den Bosch en Tilburg is bijvoorbeeld een rijksweg.

Het punt is als volgt. Bij de bestedingen voor wegen is het van groot belang dat er op dit moment al veel meer binnenkomt aan opcenten op de motorrijtuigenbelasting dan wat er door provincies gebruikt wordt voor de fysieke weginfrastructuur. Als wij dit met z'n allen vaststellen, waarbij er sprake is van provinciale cofinanciering voor gemeentelijke wegen, is mevrouw Moonen van D66 het dan met mij eens dat de noodzaak ertoe dwingt, gelet op het gebrekkige wegenonderhoud, om te kijken of we van die opcenten misschien toch weer een doelbelasting moeten maken?

Mevrouw Moonen (D66):

Ik vind dat een interessante kwestie. Ik heb me wat minder verdiept in de vraag of je voor 100% moet correleren dat de opcenten en de belasting allemaal daarnaartoe gaan. Dat kan ik niet helemaal overzien. Ik vind het ook heel belangrijk dat Provinciale Staten daar met elkaar over gaan. Ik ben zelf Provinciale Statenlid. Het lijkt mij iets voor het college van GS en PS om in je eigen provincie de hoogte van de heffing en de besteding daarvan te bepalen. Ik wil eigenlijk niet dat hier vanuit de Eerste Kamer gezegd wordt hoe dat zou moeten. Ik vind dat iets voor het decentrale bestuur.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Maar wij kunnen natuurlijk wel als Rijksoverheid, waarbij ik nadrukkelijk het initiatief wil leggen bij de Tweede Kamer en het kabinet, kijken naar hoe zoiets is georganiseerd. Dat is in 1981 ook gebeurd. Toen is er gezegd dat het als algemene heffingsgrond bij de provincies kwam te liggen. Ik moet gewoon heel kritisch gaan kijken naar de heffingsgrondslagen en als we merken dat er op de fysieke infrastructuur … Ik heb in het vorige debat over het provinciefonds ook al het rapport van de Boston Consulting Group aangehaald. Er is gewoon een heel groot probleem met de bekostiging van onze infrastructuur, wat ten koste gaat van onze welvaart. Is het dan niet zo dat wij ook als Rijksoverheid hier in Den Haag de vraag zouden moeten stellen of we niet eens landelijk moeten gaan herzien of het nodig is dat er een doelbelasting moet worden geheven voor wegeninfrastructuur, in plaats van de huidige opcenten motorrijtuigenbelasting als algemeen heffingsmiddel?

Mevrouw Moonen (D66):

Dat is wat de PVV betoogt. Ik betoog eerder: zorg ervoor dat er in het gemeentefonds en het provinciefonds voldoende middelen zitten om je wegonderhoud en je ondergrondse onderhoud goed te kunnen doen. Ik zie nu, zoals ik net zei, de beweging dat het naar achteren schuift, dat het niet genoeg prioriteit krijgt. Straks wordt de rekening alleen maar duurder, nog los van mogelijke ongevallen en verkeersonveiligheid die dit gaat opleveren. Daarom vraag ik aan de minister: wat is hierop zijn reactie?

Verder hebben de Raad voor het Openbaar Bestuur en de VNG belangwekkende adviezen geschreven over de balans tussen taak en financiën. De collega's hebben er ook al veel over verteld. Er is een nieuwe verdeelsystematiek bekendgemaakt van de rijksgelden die naar de gemeenten gaan via het gemeentefonds. Maar recent — en de heer Lievense en mevrouw Fiers spraken er ook al over — is er een brief aan de Kamers gestuurd waarin deze voorgestelde herverdeling van het gemeentefonds naar de verschillende gemeentes weer is bevroren. Collega's zeiden het ook al: dit helpt niet. Ik ben het eens met collega's die aangeven dat de gemeentes juist voorspelbaarheid nodig hebben, langetermijnzekerheid. Ik hoor van een aantal gemeentes terug dat ze hadden geanticipeerd op de laatste verdeelsystematiek. Die krijgen even later een brief dat het wordt bevroren, maar die hebben natuurlijk al ramingen en investeringsplannen gemaakt voordat die brief over de bevriezing kwam. Ik noem dat eigenlijk "een soort jojobeleid met financiën". Het is precies het omgekeerde van wat ze vragen. Ik kan het ook heel goed begrijpen, want ik was zelf dijkgraaf. Je moet juist langetermijninvesteringen kunnen doen. Het zijn vaak ook langjarige aanbestedingen om al het werk goed weg te zetten in de markt, dus je wil juist voorspelbaarheid als het gaat om je financiën.

Daar gaat ook mijn vervolgvraag over aan de minister. Kan hij aangeven waarom hij tot deze bevriezing is overgegaan? Misschien zijn er redenen; ik zie ze niet, maar ik kan niet alles overzien. Vandaar deze vraag aan de minister. En is hij van plan, zoals de VNG bepleit, om niet de volgende adviezen van de ROB af te wachten, maar alvast proactief tot oplossingen te komen? Zo ja, hoe is hij van plan dat te gaan doen?

Dan, voorzitter, kom ik aan het eind van mijn betoog. Ik wil eindigen bij de inwoners van de gemeenten. Dat zijn we immers allemaal. Het is belangrijk dat je blij wordt van de voorzieningen van je eigen gemeente en dat de gemeente de kwaliteit van je dagelijks leven verbetert. Hier doen de gemeentes het ook allemaal voor. Om dat te kunnen bewerkstelligen pleit ik dus voor langetermijnduidelijkheid en voorspelbaarheid op het gebied van financiën. Dat zal bijdragen aan het vergroten van de leefkwaliteit van burgers en alle inwoners van gemeenten.

Ik dank u wel en ik zie uit naar de beantwoording van de vragen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Janssen van de fractie van de SP, mede namens de Fractie-Visseren-Hamakers.