Verslag van de vergadering van 2 juni 2026 (2025/2026 nr. 31)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.35 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Talsma i (ChristenUnie):
Voorzitter. Graag begin ik mijn bijdrage met een woord van waardering aan het adres van de verdedigers en hun voorgangers in dit traject en ook aan allen die hen daarbij ondersteund hebben. Het gebruik in deze Kamer om initiatiefwetsvoorstellen altijd plenair te behandelen, is niet alleen maar een teken van inhoudelijke interesse, het is ook een uitdrukking van respect voor de inzet en de soms lange adem die het van Tweede Kamerleden vraagt om op eigen initiatief wetgeving tot stand te brengen. Waardering daarvoor!
In dit geval hebben de verdedigers ook nog eens een onderwerp voor het voetlicht gebracht dat lang onderbelicht is gebleven. En dat terwijl het raakt aan menselijke gevoelens, kenmerken, eigenschappen die tot de meest wezenlijke gerekend mogen worden. Juist daarom behoren ze misschien ook wel tot de meest kwetsbare. In de voorbereiding op dit debat, maar ook vandaag tijdens de petitieaanbieding, zijn onze fracties eens te meer geconfronteerd met en geraakt door de pijnlijke en beschadigende ervaringen van mensen die handelingen hebben moeten ondergaan die erop gericht waren dat hele wezenlijke, dat hele kwetsbare, te veranderen of te onderdrukken. Dat maakt dit debat best ingewikkeld en beladen. Want hoe oprecht en zuiver je hierover ook parlementair wilt redeneren, de kans is best groot dat je onbedoeld mensen kwetst. Dat ontslaat ons niet van de verplichting om dit wetsvoorstel kritisch te bevragen. Maar nadrukkelijker dan anders zet ik wel graag in met het vertrekpunt van mijn fractie. Dat zeg ik dan maar eventjes namens de ChristenUniefractie, omdat ik niet weet of de Fractie-Walenkamp in de Tweede Kamer dat ook zo gezegd zou hebben. Daarom zeg ik dat even expliciet. Dat vertrekpunt is dat de ChristenUnie staat voor een samenleving waarin iedereen in veiligheid en in vrijheid eigen keuzes mag maken, ook als het gaat om datgene waarover we vandaag spreken. Zoals mijn partijgenoot in de Tweede Kamer al zei: "Wie je bent, mag nooit worden verdrukt door anderen. Wij zijn daarom tegen conversietherapie." Het is goed dat tegen conversiehandelingen onder omstandigheden strafrechtelijk kan worden opgetreden. Dat staat wat mijn fractie betreft bij de behandeling en de beoordeling van dit wetsvoorstel niet ter discussie.
Na deze inleidende woorden richt ik mij, mede namens de fractie-Walenkamp, graag op de bespreking van het wetsvoorstel. Tijdens de schriftelijke behandeling heeft mijn fractie een aantal vragen aan de verdedigers voorgelegd. De beantwoording daarvan heeft niet in alle gevallen de helderheid gebracht waarop wij hadden gehoopt. Op enkele punten ontkom ik niet aan een zekere herhaling van zetten.
Dat geldt in het bijzonder voor de vraag welke lacune in het mogelijke strafrechtelijke optreden nu eigenlijk wordt gevuld met dit wetsvoorstel. Met andere woorden: welke strafwaardige conversiehandelingen, die nu nog niet anderszins strafbaar zijn, worden door middel van dit wetsvoorstel onder het bereik van het strafrecht gebracht? Ik gebruik hier met opzet het woord "strafwaardige". Niet elke afkeurenswaardige handeling is immers ook strafwaardig. Uit de beantwoording blijkt dat eigenlijk alle vormen van conversiehandelingen die inbreuk maken op de lichamelijke integriteit, al strafrechtelijk aangepakt kunnen worden op basis van de huidige wetgeving. Ook handelingen die eerst en vooral gekenmerkt worden door mentale beïnvloeding, zoals dwang en bedreiging, zijn al strafrechtelijk aan te pakken.
In hun beantwoording geven de verdedigers aan dat, en ik citeer, "conversietherapie vaak plaatsvindt op een manier die op dit moment in beginsel niet strafbaar is". Gevraagd naar de concretisering daarvan, noemen de verdedigers een serie van stelselmatige gesprekken, waarbij iemand op indringende wijze wordt geïndoctrineerd, of therapieachtige gebedsgenezingssessies, waarbij duivelsuitdrijvingen worden uitgevoerd. Elders gaat het over stelselmatige en zeer indringende gesprekken of over indoctrinatie, over langere tijd en stelselmatig. Naar mijn idee laat dit zien dat de verdedigers zelf ook moeite hebben met de concrete invulling van de normen die zij voorstellen en met het afkaderen van wat daarbij al dan niet strafwaardig zou moeten zijn. Omdat dat juist bij het stellen van strafrechtelijke kaders van fundamentele betekenis is, leg ik de lacunevraag toch nog maar een keer met klem aan de verdedigers voor.
Dat concretisering van strafwaardig handelen, waarvoor dit wetsvoorstel een lacune zou vullen, nog niet zo eenvoudig is, blijkt ook uit het voorbeeld dat de verdedigers zelf aanreiken. Het kwam al eerder in het debat aan de orde. Het gaat dan om een voorbeeld waarbij in een besloten setting met ontzettend veel personen aan duivelsuitdrijving wordt gedaan, waarbij geschreeuwd wordt of op een andere manier ontzettend indringend geacteerd wordt. Dat zijn woorden van de verdedigers, niet mijn woorden. De woorden "besloten setting" en "ontzettend veel personen" zullen bedoeld zijn als elementen van de mate van indringendheid. Dat denk ik, maar dat is meteen de vraag. Waar moeten we aan denken bij "ontzettend veel personen" en bij "ontzettend indringend acteren"? Moeten al die mensen dan ook het oogmerk hebben, zoals in het wetsvoorstel wordt verwoord? In welke mate zijn al die schreeuwende of acterende personen strafrechtelijk aansprakelijk op grond van dit wetsvoorstel?
Dat laatste biedt een bruggetje naar de vraag hoe de verdedigers aankijken tegen de rol van de strafrechtelijke deelnemingsvormen — mede plegen, doen plegen, uitlokking en medeplichtigheid, artikel 47 Strafrecht en verder — in relatie tot dit wetsvoorstel. Bij de strafbaarstelling van illegaliteit bijvoorbeeld, bleek de medeplichtigheid een onvoorziene drempel. Hoe zit dat hier? Waar raken de deelnemingsvormen en het gronddelict aan bijvoorbeeld de vrijheid van godsdienst of de vrijheid van meningsuiting?
Voorzitter. Al eerder vandaag kwam aan de orde dat er in Europees verband gewerkt wordt aan strafbaarstelling van bepaalde conversiehandelingen. In de stukken daaromtrent lezen onze fracties dat een goede, kenbare en voorzienbare strafrechtelijke afbakening ook daar een van de grootste uitdagingen is. Hebben de verdedigers zicht op het tijdpad van zo'n eventueel Europees verbod? Welke lessen hebben zij getrokken uit de wordingsgeschiedenis van zo'n voorgenomen verbod tot nu toe?
Dan enkele meer specifieke vragen. Het voorgestelde artikel 285ba, lid 2 is het resultaat van een amendement. Onze fracties houden daar vragen bij. De bepaling sluit aan bij het oogmerk zoals dat verwoord is in het eerste lid van het voorgestelde artikel 285ba en noemt dan ook zowel het veranderen van de seksuele gerichtheid als van de genderidentiteit. Maar in de concretisering van wat onder dat oogmerk niet begrepen wordt, gaat het alleen over de genderidentiteit. Betekent dit, zo vraag ik de verdedigers, dat het oproepen tot terughoudendheid, voorzichtigheid of reflectie wel strafbaar is als het gaat om seksuele gerichtheid, maar niet strafbaar is als het gaat om genderidentiteit? En als dat klopt, waar zit dat verschil dan in?
Voorts bevat dit bij amendement toegevoegde lid 2 de, voor het overige aan het wetsvoorstel vreemde, term "sociale of medische transitie". Hoe moet deze terminologie in de rechtspraktijk worden uitgelegd en gehanteerd, vraag ik de verdedigers. En is met de woorden "in relatie tot de genderidentiteit" meer of anders bedoeld dan "van de genderidentiteit"? Op dit punt nog even terug naar mijn vorige vraag. Ook bij wat ik maar even noem "een ontluikend of ontwikkelend besef van seksuele gerichtheid" zou sprake kunnen zijn van wat je zou kunnen aanduiden als een sociale transitie. Die wordt in het voorliggende wetsvoorstel strafrechtelijk anders gepositioneerd dan diezelfde transitie waar het gaat om genderidentiteit. Kunnen de verdedigers onderbouwen dat hier sprake is van een gerechtvaardigd onderscheid?
Eveneens bij amendement is aan het voorgestelde artikel 285ba een lid 7 toegevoegd, dat de strafbaarheid ontneemt aan het handelen van een arts of andere zorgverlener die in de uitoefening van zijn beroep handelt in overeenstemming met de voor diegene geldende zorgvuldigheidseisen. Die bepaling doet mijn fractie denken aan artikel 280, tweede lid, onder c, van het Wetboek van Strafrecht, waarin strafbaarheid wordt uitgesloten voor degene die handelt in het kader van zorgvuldige hulpverlening, in dit geval ook aan minderjarigen. Het aantrekkelijke van die formulering is dat die, anders dan in het voorliggende voorstel, niet beperkt is tot een arts of een andere zorgverlener, wat dat laatste dan ook maar precies moge zijn. Ook is die formulering niet beperkt tot het handelen in de uitoefening van een beroep, wat bijvoorbeeld bij conversiehandelingen binnen een religieuze gemeenschap misschien helemaal niet zo snel aan de orde zal zijn. De formulering van artikel 280, tweede lid, onder c biedt de rechter echter wel uitdrukkelijk de mogelijkheid om te toetsen aan zorgvuldigheid. En als ik het goed begrijp, is dat laatste nu juist wat de verdedigers willen en beogen. Dan is mijn vraag of aansluiting bij die andere formulering van artikel 280, tweede lid, onder c niet zuiverder en adequater zou zijn geweest.
Artikel I, onderdeel c, van het wetsvoorstel bevat een wijziging van artikel 286 van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat daarbij om de mogelijkheid iemand bij veroordeling wegens specifiek omschreven misdrijven van bepaalde rechten te ontzetten. Onze fracties hebben hierbij enkele vragen. Om te beginnen lijkt het erop dat er een hiaat zit tussen de tekst die volgens het wetsvoorstel vervangen moet worden en de nieuw in te voegen tekst. In de huidige tekst van artikel 286 van het Wetboek van Strafrecht gaat het om veroordeling wegens een in de artikelen 274 tot en met 282 en in het eerste en tweede lid van artikel 285 omschreven misdrijf. De geciteerde tekst die volgens het voorliggende wetsvoorstel vervangen zou moeten worden, namelijk "en in het tweede lid van artikel 285", komt in de huidige wettekst niet voor. Dat kan natuurlijk een taalkundige omissie in het wetsvoorstel zijn, maar die heeft in dit geval wel tot gevolg dat de verwijzing naar artikel 285, eerste lid, met een vermoedelijk onbedoelde pennenstreek uit artikel 286 verdwijnt. Klopt onze aanname, zo is de vraag, dat dit niet de bedoeling van de verdedigers is geweest, en evenmin van de regering? En als dat het geval is, welke consequentie heeft dat dan?
Ook in breder verband hebben wij vraagtekens bij de voorgestelde mogelijkheid om een veroordeelde van bepaalde rechten te ontzetten. De voorgestelde ontzetting uit het beroep waarin de veroordeelde het strafbare feit heeft begaan, zoals bedoeld in artikel 285ba, zesde lid, kunnen wij in sommige gevallen echt wel begrijpen. Maar waarom zou iemand ook ontzet moeten kunnen worden uit het recht om ambten te bekleden of te dienen bij de gewapende macht? In welk verband staat zo'n bijkomende straf tot het gepleegde feit, zo vraag ik de verdedigers. Ook de proportionaliteit tussen feit en bijkomende straf is een punt waarbij wij vragen hebben. Kijk alleen al naar de overige delicten waarvoor artikel 286 geldt. Dat gaat onder meer over slavenhandel, mensenroof en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dat zijn feiten met een totaal andere strafbedreiging dan hier wordt voorgesteld. Graag een inhoudelijk onderbouwde reflectie op de vraag naar de proportionaliteit van het voorgestelde op dit punt, van zowel de verdedigers als de regering.
Dat brengt mij bij een laatste punt, dat ik graag in deze termijn nogmaals aan de verdedigers voorleg. In de schriftelijke behandeling hebben wij aandacht gevraagd voor de zorg dat met de strafbaarstelling van conversiehandelingen, zoals die nu wordt voorgesteld, verwachtingen worden gewekt die in de praktijk niet nagekomen kunnen worden. Eerder hebben de Raad van State en anderen daar ook aandacht voor gevraagd. Dit is voor onze fracties een oprechte zorg. Uit evaluaties van soortgelijke wetgeving in enkele andere landen lijkt te volgen — ik zeg het met voorzichtigheid — dat die wetgeving niet of nauwelijks is of wordt ingezet, laat staan dat het tot succesvolle strafrechtelijke vervolging leidt. Wat betekent dat volgens de verdedigers voor het argument van de gewekte verwachting? En hoe denken de verdedigers en de regering dit risico te kunnen wegnemen of te matigen?
Onze beide fracties zien met grote belangstelling uit naar de beantwoording. Dank u zeer.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Janssen van de SP.