Verslag van de vergadering van de commissie voor Financiën (FIN) op 19 mei 2026



Deskundigenbijeenkomst

Datum: 19 mei 2026
Aanvang: 17.00 uur
Sluiting: 18.30 uur
Locatie: commissiekamer 1
Voorzitter: Van Ballekom
Griffier: Karthaus
Status: Ongecorrigeerd



Opening

:Verslag van een deskundigenbijeenkomst

De vaste commissie voor Financiën heeft op 19 mei 2026 gesprekken gevoerd over "Fiscaliteit, recht, en overheid" met betrekking tot de Wet werkelijk rendement box 3 (36748).

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van Ballekom i

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Karthaus

Voorzitter: Van Ballekom

Griffier: Karthaus

Aanwezig zijn vijftien leden der Kamer, te weten: Van Apeldoorn, Bakker-Klein, Van Ballekom, Baumgarten, Bovens, Crone, Hartog, Kroon, Van der Linden, Martens, Moonen, Van den Oetelaar, Van Rooijen, Van Strien en Van Wijk,

alsmede:

  • de heer Van den Dool, Nyenrode University;
  • de heer Essers, Tilburg Law School, Tilburg Universiteit;
  • de heer Heithuis, Universiteit van Amsterdam;
  • de heer Jacobs, Vrije Universiteit Amsterdam;
  • de heer Van der Jagt, Nederlandse Orde van Belastingadviseurs.

Aanvang 17.01 uur.


Deskundigenbijeenkomst 'fiscaliteit, recht, en overheid' met betrekking tot de Wet werkelijk rendement box 3 (36.748)

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) (36748).

De voorzitter:

Ik zou nu, voor de goegemeente, iedereen van harte welkom willen heten, in het bijzonder de deskundigen. Permitteert u mij één uitzondering, namelijk om in het bijzonder een oud-collega van mij, de heer Essers, te verwelkomen in een voor hem toch bekende omgeving. Ik zie ook dat hij minder zenuwachtig is dan de anderen. Van harte welkom.

Dit is een project dat heel erg in de publieke belangstelling staat en waarover veel vragen zijn te stellen. Die hebben we al gesteld in een technische briefing. We hebben het departement van Financiën al tal van vragen gesteld. Na de deskundigenbijeenkomst zullen er misschien nog meer vragen richting Financiën worden gesteld. Ik hoop dat we een hele inhoudsvolle avond met elkaar tegemoetzien.

Ik zou willen beginnen door in elk geval de deskundigen het eerst het woord te geven. Ik begin bij de heer Van der Jagt. We gaan van links naar rechts, als u dat goedvindt. Is dat akkoord? Dan hebt u nu het woord.


De heer Van der Jagt:

Dank u wel. Mijn naam is Robert van der Jagt. Ik ben oud-voorzitter van de Commissie Wetsvoorstellen van de NOB, lid van de werkgroep belastingheffing over inkomsten uit vermogen en medeauteur van diverse NOB-uitingen over box 3.

Laat ik beginnen met aangeven dat er geen ideaal stelsel bestaat voor de belastingheffing over inkomsten uit vermogen. Alle alternatieven kennen voor- en nadelen. Wij vinden dat het voorstel dat nu op tafel ligt, een stap in de goede richting is. Het is echter wel slechts een stap. Het stelsel zal na 2028 opnieuw moeten worden aangepast, maar dat is in onze ogen te prefereren boven het nog langer handhaven van het huidige keuzestelsel. Hoe meer wordt aangesloten bij een heffing op basis van daadwerkelijk rendement, hoe breder het draagvlak bij de burger.

Hoewel belastingheffing nooit met gejuich zal worden ontvangen, begrijpt iedere burger dat er belasting moet worden geheven. Het is wel van belang dat er voldoende draagvlak voor bestaat in de samenleving. Draagvlak hangt samen met het tarief en de grondslag, maar ook met het moment waarop wordt geheven, zoals blijkt uit de maatschappelijke discussie over het wetsvoorstel over box 3.

We zien een verschil tussen de vermogensaanwasbelasting en de vermogenswinstbelasting. Het voordeel van de vermogensaanwasbelasting is ontegenzeggelijk dat die eenvoudiger is in de uitvoering, omdat er geen historische kostprijzen vele jaren na dato behoeven te worden bewaard. Dat maakt het voor de Belastingdienst en de burger eenvoudiger. Ook is er geen risico op een zogenoemd lock-ineffect.

Waarom bestaat er in de samenleving dan zo veel weerstand tegen een vermogensaanwasbelasting? Wij denken dat dat allereerst te maken heeft met het ontbreken van een aansluiting op het gepercipieerde inkomensbegrip en op de draagkracht zoals we die kennen. Het inkomensbegrip veronderstelt namelijk ten eerste dat er gelden beschikbaar zijn gekomen en ten tweede dat die uit het vermogensbestanddeel zelf afkomstig zijn.

Een tweede heel belangrijk punt is wederom de uitzonderingspositie die Nederland inneemt in vergelijking tot andere landen als zou worden gekozen voor een vermogensaanwasbelasting, zeker als we kijken naar de voorgestelde brede toepassing van de vermogensaanwasbelasting. De NOB meent dat zelfs indien de vermogensaanwasbelasting, geïsoleerd bekeken, op meer punten beter scoort dan de vermogenswinstbelasting, dit specifieke punt van de internationale vergelijking zeer zwaar moet tellen omdat dit kan leiden tot grote verstoringen. Hiermee doelen wij op dubbele belastingheffing, die zich kan voordoen en die tot een verslechtering van het vestigingsklimaat kan leiden. De vraag is of Nederland zich dit als open economie kan permitteren, zeker als je kijkt naar de afgelopen jaren, waarin Nederland op dit punt al eerder negatief in het nieuws is geweest.

Een derde punt brengt ons op een van de belangrijkste oorzaken van deze discussie, namelijk dat de vermogensaanwasbelasting mede ingegeven lijkt te zijn door de huidige budgettaire regels, die we ons deels zelf hebben opgelegd. Daarmee zijn hele zware piketpalen in de grond geslagen. Daarmee lijkt van meet af aan de vermogensaanwasbelasting al in beton gegoten te zijn geweest. Mogelijk kan een deel van de budgettaire dekking voor een verbetering van het wetsvoorstel worden gevonden in aanzienlijke meevallers in de kosten van de hersteloperatie van box 3, naar aanleiding van het kerstarrest.

Onze waarneming in de praktijk is dat het jaar 2022 voor effecten en 2023 voor vastgoed leiden tot teruggave op basis van het werkelijke rendement en dat in overige jaren de teruggaven beperkt zijn. Juist nu er al een groot aantal OWR-formulieren zijn ingediend, zou een betere schatting van de kosten van de hersteloperatie mogelijk moeten zijn. Zo dit zou uitwijzen dat die kosten veel lager blijken uit te vallen dan waarvan we tot nu toe zijn uitgegaan, zouden deze meevallers moeten worden aangewend voor het verbeteren van het wetsvoorstel dat thans voorligt en dus niet ten gunste van het saldo moeten komen.

Zoals gezegd is de NOB er voorstander van dat we zo snel mogelijk afkomen van de huidige situatie van het forfaitaire systeem met de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling. Wel stellen wij hierbij als ábsolute randvoorwaarde dat er vanaf 1 januari 2028 de mogelijkheid komt van een carry back. Situaties waarin een burger per saldo over een hoger bedrag belasting heeft betaald dan bij een vermogenswinstbelasting moeten worden geëlimineerd. Dit is met name bij het introductiejaar, dus 2028, bij emigratie en ook bij overlijden van belang. Ook hierbij vragen wij aandacht voor de wijze waarop begroot wordt met kostenplaatjes. Wij kunnen namelijk niet goed volgen hoe deze tot stand komen, met name in de situatie dat het jaar 2028 een normaal of goed beursjaar is. Het beroep op een carry back zal dan beperkt zijn en daarmee ook het kostenplaatje.

Als laatste nog het punt van het fictieve inkomen bij vastgoed in box 3. In het nieuwe stelsel wordt een fictief inkomen berekend als een tweede woning ter beschikking staat voor eigen gebruik. Er wordt echter geen inkomen gegenereerd. Er is enkel sprake van consumptief gebruik. Dat gebruik leidt niet tot draagkrachtvermeerdering. Nu al zijn effecten zichtbaar op de markt voor vakantiewoningen. Die signalen duiden op een stijgend aanbod van woningen die in de verkoop worden gezet omdat de kosten niet meer kunnen worden gedragen. Ook melden Nederlandse makelaars in het buitenland een enorme toename van belangstelling uit Nederland. Ook hier, zo blijkt uit het internationaal rechtsvergelijkend onderzoek van de NOB, loopt Nederland behoorlijk uit de pas met hetgeen internationaal gebruikelijk is.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Essers.


De heer Essers:

Dank u wel, voorzitter. Ik ben emeritus hoogleraar belastingrecht aan Tilburg University en oud-lid van deze Kamer. Ik heb zestien jaar mogen dienen, zoals dat heet. Het is voor mij een groot genoegen en ook een voorrecht om vandaag hier aanwezig te mogen zijn.

In een artikel in het aprilnummer van het blad Rechtsgeleerd Magazijn Themis van dit jaar heb ik box 3 aangeduid als een treurspel van gemiste kansen in tien delen, waarvan helaas het einde nog niet in zicht is. Voor dit treurspel van gemiste kansen zijn de drie actoren van de trias politica ieder voor zich, maar ook in hun gezamenlijke interactie verantwoordelijk. Ik heb mij als belangrijkste opdracht gesteld te achterhalen wat we nou kunnen leren van dit proces.

Naar mijn mening heeft de Hoge Raad zich in het kerstarrest van 24 december 2021 en vooral in de arresten van 6 juni 2024 laten verleiden om als plaatsvervangend wetgever op te treden. De wetgever heeft in dezen het initiatief overgelaten aan de Hoge Raad, met alle vertragingen en extra budgettaire kosten van dien. De Belastingdienst en het ministerie van Financiën hebben vooral te lang gewacht met het verbeteren en versterken van de ICT-structuur.

De wetgever heeft zich door het kerstarrest op het verkeerde been laten zetten door ervan uit te gaan dat het tot de invoering van een stelsel van werkelijk rendement mogelijk zou zijn om uit te blijven gaan van een forfaitaire benadering van het werkelijk rendement, mits deze maar was gebaseerd op gemiddelde rendementen uit het verleden en de werkelijke samenstelling van het vermogen, zonder daarbij de mogelijkheid te bieden van een tegenbewijsregeling. De budgettaire en uitvoeringstechnische problemen van het voortijdig volledig loslaten van deze forfaitaire benadering werden op dat moment als onoverkomelijk gezien. Dat leidde een jaar na het kerstarrest, op 21 december 2022, tot de invoering van de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3.

Dit was wederom een belangrijke gemiste kans, want anderhalf jaar later, op 6 juni 2024, haalde de Hoge Raad ook een streep door deze door de wetgever aangenomen overbruggingswetgeving, als zijnde strijdig met het EVRM. Hij schreef een verplichte tegenbewijsregeling voor indien de belastingplichtige kan bewijzen dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Dus voor de tweede keer is het strijdig met het EVRM. De wetgever volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad van 6 juni 2024 op de voet, door invoering van de Wet tegenbewijsregeling box 3, die op 8 juli 2025 door de Eerste Kamer werd aanvaard. Dat is het overgangsregime tot de invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 op 1 januari 2028, waar we nu nog steeds mee te maken hebben.

Het heeft dus tot ruim drieënhalf jaar na het kerstarrest geduurd voordat het overgangsregime werd ingevoerd. Bovendien is het een overgangsregime dat volgens berekeningen van het ministerie van Financiën erg kostbaar is. Er worden 2,4 miljard extra kosten geraamd voor elk jaar dat dit overgangsregime wordt toegepast. Dat komt vooral door de eenzijdig werkende tegenbewijsregeling, die immers op initiatief van belastingplichtigen kan worden toegepast als hun werkelijk rendement lager blijkt te zijn dan het forfaitair rendement, maar in het omgekeerde geval niet tot een bijheffing door de fiscus kan leiden. Als dit overgangsregime door een betere wisselwerking en communicatie tussen de wetgever en de Hoge Raad eerder zou zijn ingevoerd, zou het in theorie goed mogelijk zijn geweest dat de Wet werkelijk rendement box 3 al dit jaar in werking had kunnen treden, in plaats van de thans voorziene ingangsdatum van 1 januari 2028.

Voorzitter. Tot slot van deze korte toelichting verwijs ik nog naar wat ik in mijn positionpaper heb geschreven over het belang van een praktisch empirisch inkomensbegrip, dat de wetgever voor de inkomensbelasting steeds als uitgangspunt heeft genomen. Dit impliceert een inkomensbegrip dat de maatschappelijke opvattingen en de historisch culturele ervaringen en opvattingen van burgers respecteert, en niet alleen door bijvoorbeeld zuiver economische theorie wordt bepaald. Dit pleit naar mijn mening sterk voor een integrale vermogenswinstbelasting, met gerichte wettelijke uitzonderingen voor gevallen van onbedoeld uitstelgedrag.

Voor het overige verwijs ik naar mijn positionpaper.

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Heithuis.


De heer Heithuis:

Dank u wel, meneer de voorzitter. U kondigde ons aan als "de heren deskundigen", waarmee natuurlijk niet gezegd is dat wij ook deskundige heren zijn. Een getuigendeskundige is ook niet altijd een deskundige getuige.

Allereerst wil ik u uiteraard bedanken dat ik hier aanwezig mag zijn om in te spreken. Ten tweede moet ik u mijn verontschuldigingen aanbieden voor het enigszins uit de hand gelopen positionpaper. Mevrouw Gielkens treft geen blaam. Het is goed doorgekomen dat het maar twee à drie pagina's mocht zijn, maar er valt zo veel over te zeggen. Dat heeft u begrepen. Het is een belangrijk onderwerp dat ons allen raakt. Box 3 moet dringend herzien worden. Het is zojuist ook al door collega Essers aangegeven. In 2001 hebben wij keuzes gemaakt. Dat waren toen geen gelukkige keuzes. Nu staan we aan de vooravond van een aanzienlijke verbetering.

Het bekende onderwerp van een VAB of een VWB, om het wat af te korten, is al uit-en-te-na besproken. Ik wil er eigenlijk geen woord meer aan vuil maken. Als ik de nota naar aanleiding van het verslag van de Eerste Kamer van eind april lees, dan is de race volgens mij gelopen en komt er gewoon een integrale vermogenswinstbelasting. Dan zijn we daar klaar mee. Ik snap dat de economen, vooral aan mijn linkerkant, daar minder gelukkig mee zijn, maar ik wil daaraan toevoegen dat het uitstelprobleem dat er in potentie in de VWB zit — dat ontken ik niet — op een vrij eenvoudige manier kan worden getackeld. Ik las het ook terug in de paper van collega Jacobs. Dat kan namelijk door met een gesplitst tarief te werken, waarbij je inkomen dat je jaarlijks geniet, lager belast dan uitgesteld inkomen. Anders gezegd: bij verkoop hef je een hoger tarief. Dan doe je eigenlijk hetzelfde als bij een VAB, want ik heb inmiddels geleerd, uit de betreffende paper van collega Jacobs, dat een vermogenswinstbelasting tegen een hoger tarief ongeveer op hetzelfde neerkomt als een vermogensaanwasbelasting tegen een lager tarief. Het uitsteleffect kan dus vrij makkelijk worden getackeld met een gesplitst tarief. Box 2 heeft dat ook laten zien. Sinds een paar jaar is dat progressief. Ik kan u verklappen dat er in dga-land massaal gebruik wordt gemaakt van de 24,5% over de eerste €68.000 aan box 2-inkomen. Het is dus een vrij makkelijke oplossing.

Ik wil deze inspreekbeurt gebruiken om twee wat meer technische punten aan te kaarten. Andere onderwerpen komen allemaal nog wel langs. Die punten heb ik niet in mijn positionpaper opgeschreven, waar ik na herlezing achter kwam. Het betreft andere raakvlakken binnen de inkomstenbelasting. Ik doel dan met name op de twee regelingen in box 1, over de terbeschikkingstellingsregeling en het lucratief belang. Met name die laatste regeling kan naar mijn smaak vrij eenvoudig worden afgeschaft als we dit wetsvoorstel aannemen. Dat betekent namelijk dat lucratieve belangen verschuiven naar box 3. In box 3 krijgen we dan een heffing tegen 36%. O, wat een toeval! Het was precies het voorstel van het kabinet van afgelopen najaar om door middel van een soort multiplier in box 2 een heffing van 36% tot stand te brengen bij dat lucratief belang. U heeft dat waarschijnlijk ook meegekregen. Door het lucratief belang straks in 2028 af te schaffen in box 1, schuift het vanzelf door naar box 3. Dan geldt vanzelf die 36%. Dan zijn we in de praktijk ook een hoop discussies met de Belastingdienst kwijt over wanneer er nou wel of niet sprake is van een lucratief belang. Dat is namelijk hartstikke ingewikkeld.

De terbeschikkingstellingsregeling ligt ietsje ingewikkelder. Als je die afschaft, verschuift het ook naar box 3, maar dat betekent een tariefdaling. Nu is het tarief in box 1 maximaal 45%. Dat gaat dan naar 36%. Dat is een daling. Aan de andere kant kun je je afvragen hoeveel belastingopbrengst je nou daadwerkelijk mist, want in mijn waarneming komt de tbs-regeling niet zo bar veel meer voor in de praktijk. Het moeilijkste zit 'm met name in de regeling van artikel 3.91, voor de kenner, en niet zozeer in die andere, van artikel 3.92. Die kun je vrij makkelijk afschaffen, want dan is de heffing van box 3 en box 2 vrijwel gelijk. Over een verschil van 36% in box 3 en 38,8% in box 2 kun je wel heen komen. Die andere ligt ingewikkelder, want die schaar je nu onder box 1. Dan is de heffing maximaal ongeveer 45%. Dat is dus wat ingewikkelder.

Tot slot, voordat ik het stokje gauw over geef aan mijn linkerbuurman, wil ik toch nog even de eigen woning in herinnering roepen. U zult zeggen dat die helemaal niet in het wetsvoorstel staat. Dat klopt, maar dat is een groot gemis. Naar mijn stellige overtuiging had die erin moeten zitten, want de eigen woning kan men niet los zien van box 3. Ik verwijs ook even naar het rapport van het ministerie van Financiën van vorige week. Daarin heeft men in ruim 60 pagina's met zeven subvarianten geprobeerd een probleem op te lossen dat niet bestaat. Het is heel bijzonder dat men zo veel tijd en moeite steekt in een niet-bestaand probleem.

Wat gebeurt er namelijk? In 2031 wordt de dertigjaarstermijn van kracht voor een grote groep belastingplichtigen. Dan zegt de rangorderegeling uit de Wet inkomstenbelasting, die in deze discussie natuurlijk heel wezenlijk is, dat die schuld niet meer aftrekbaar is in box 1, maar dat die doorschuift naar box 3. Wij constateren dat wij drie jaar daarvoor een nieuwe box 3 hebben gekregen, waarbij alle renteaftrek, dus ook de consumptieve rente, aftrekbaar is tegen 36%. Daar kan je, denk ik, ook nog een discussie over voeren. Dan verschuift de renteaftrek dus van box 1 naar box 3, terwijl het tarief vrijwel gelijk is: in box 1 is dat maximaal 37,5% en in box 3 is dat 36%. Dat verschil is verwaarloosbaar.

Daarbij ontstaat één probleem, maar dat is wel een heel serieus probleem. Het effect van die vervelende, in 2001 bedachte boxenbenadering — naar mijn stellige overtuiging is dat ook een van de miskleunen die in 2001 is ingevoerd — is natuurlijk dat alleen degenen die vermogen en voldoende inkomsten in box 3 hebben, de aftrek kunnen effectueren. Starters en doorstromers, die dat meestal niet hebben, hebben daar niks aan. Ik zou dus zeggen: laat de eigen woning waar die is, schrap de dertigjaarstermijn en het probleem is opgelost. Het past binnen het systeem. Nu praten over het beperken van de hypotheekrenteaftrek, is volstrekt achterhaald. Dat was twintig jaar geleden misschien nuttig, maar nu niet meer. Ik heb wel een tegenvoorstel, maar ik veronderstel dat u hier voldoende vragen over heeft, dus dat laat ik even tot de vragenronde.

Ik wilde nog wat zeggen over de vastgoedbijtelling, maar ik zie achter mij een spreker van Vastgoed Belang zitten, dus dat komt vanzelf aan de orde. Ik geef het woordje gauw over. Eerst gaan we terug naar de voorzitter, natuurlijk.

Dank u wel.

De voorzitter:

Deze voorzitter is zeer flexibel, dus de heer Van den Dool krijgt van de heer Heithuis het woord.


De heer Van den Dool:

Dank u wel. Het zou kunnen zijn dat ik ter rechterzijde een iets verminderd gehoor heb, maar dat moet u mij dan maar niet kwalijk nemen.

Dank voor de uitnodiging. Ik heb wat dingetjes die eerder al genoemd zijn, maar ik probeer me toch maar aan de tekst te houden omwille van de tijd.

Kort en krachtig is mijn advies aan u om het wetsvoorstel in deze vorm aan te nemen, zonder verder uitstel.

Immers, het huidige forfaitaire rendement is ofwel te hoog, ofwel te laag. De tegenbewijsregeling is bovendien een slecht vormgegeven vermogensaanwasbelasting, omdat verliesverrekening ontbreekt en kostenaftrek niet mogelijk is. De Wet werkelijk rendement is wat dat betreft altijd beter. Een vermogensaanwasbelasting heeft de voorkeur, omdat die leidt tot horizontale en verticale gelijkheid. Belastingplichtigen betalen ongeacht hun inkomens- of vermogenspositie en ook ongeacht de samenstelling van hun beleggingsportefeuille naar evenredigheid van hun inkomen dezelfde belasting over hun vermogensinkomsten.

De vermogensaanwasbelasting levert ook neutraliteit tussen verschillende soorten box 3-bezittingen op. De rente en het dividend worden op dezelfde manier belast als waardeontwikkelingen. Alleen persoonlijke overwegingen rondom de risicobereidheid en het verwachte rendement bepalen dan beleggingskeuzes. Financiële instrumenten en andere trucs die zijn gericht op belastinguitstel verliezen hun nut.

Als toevoeging zeg ik nog dat een vermogensaanwasbelasting wél in overeenstemming is met het inkomensbegrip. We hanteren in Nederland al jarenlang, decennialang, het SHS-inkomensbegrip. Dat omvat ook ongerealiseerde waardemutaties. Alleen konden we dat in 1900 nog niet meten en nu wel.

Er is veel onterechte kritiek tegen het voorstel. Er wordt onterecht gezegd dat de vermogensaanwasbelasting strijdig is met het Europese recht. De Hoge Raad past ook in de tegenbewijsregeling een vermogensaanwasbelasting toe — een gemankeerde, maar toch. Ook onterecht is de kritiek dat de vermogensaanwasbelasting in grensoverschrijdende gevallen tot dubbele belastingheffing leidt. Een vermogensaanwasbelasting verschilt op dat punt niet van een vermogenswinstbelasting. Een eventuele dubbele heffing wordt niet veroorzaakt door het Nederlandse stelsel, maar door een buitenlands stelsel dat geen step-up verleent of te weinig voorkoming van dubbele belasting biedt. Deze dispariteit in fiscale stelsels hoeft Nederland niet op te lossen; dat is aan de andere staat, omdat die zich heffingsbevoegdheid toe-eigent over Nederlands inkomen. Een vermogenswinstbelasting als alternatief voor een vermogensaanwasbelasting vanwege internationale complicaties is een schijnoplossing voor een schijnprobleem.

Een ander schijnprobleem is de kritiek dat een vermogensaanwasbelasting administratief ingewikkeld is. Een vermogensaanwasbelasting is net zo eenvoudig of ingewikkeld als een vermogenswinstbelasting. De administratieve voorwaarden zijn gelijk, maar bij een vermogensaanwasbelasting hoef je het alleen van het afgelopen jaar te berekenen en niet van een periode van misschien wel tien jaar.

Tot slot bestaan liquiditeitsproblemen, anders dan vaak gesteld, niet of slechts beperkt. De cijfers van Financiën laten dat ook zien.

Dan nog een paar opmerkingen meer en détail. Over start-ups is veel te doen. Terecht is daarvoor een vermogenswinstbelasting opgenomen in het voorstel. Waardering van deze belangen in de beginjaren is complex of zelfs onmogelijk. Tegelijkertijd brengt de argumentatie voor de bepleite uitzondering, namelijk het nauwere verband met arbeid van werknemers en het punt dat nadrukkelijk sprake is van een beloning, met zich mee dat dit eigenlijk in box 1 belast zou behoren te worden. Die keuze zou ik dan ook graag voorleggen in plaats van een vermogensaanwasbelasting of een vermogenswinstbelasting in box 3. Laat werknemers daar conform de regeling voor opties gewoon voor kiezen.

Er zijn verschillende verbeteringen mogelijk. Die moeten wat mij betreft niet nu doorgevoerd worden. Die zouden in een komend belastingplan verwerkt kunnen worden, ongetwijfeld tezamen met nog vele andere. Ik denk op dit moment aan de volgende. De vastgoedbijtelling voor eigen gebruik van de beruchte vakantiewoning is te hoog. Deze staat niet in redelijke verhouding tot het daadwerkelijke eigen gebruik in een jaar. Dat is juridisch kwetsbaar, omdat het forfait daardoor te ver afstaat van het werkelijke voordeel van eigen gebruik. Als men het forfait in lijn zou brengen met dat eigen gebruik, blijft uiteindelijk een belasting over ter hoogte van maximaal ongeveer 0,11% van de WOZ-waarde. Dit is zo gering dat mijn voorstel dan zou zijn om dit af te schaffen. Het is voor de investerings- en beleggingszin van Nederlanders belangrijk dat de overheid volledig deelt in de plussen en minnen van beleggingsrisico's. Daar hoort bij dat verliezen zo snel mogelijk tot belastingvermindering leiden. Naast onbeperkte voorwaartse verliesverrekening is achterwaartse verliesverrekening tot wat mij betreft drie jaren dan ook noodzakelijk.

Tot slot zou ik willen pleiten voor een eenvoudige inflatiecorrectie voor het saldo van monetaire bezittingen en schulden. Op die manier wordt voorkomen dat het vermogen uitgehold wordt als er sprake is van inflatievoordelen die worden belast.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot de heer Jacobs.


De heer Jacobs:

Geachte leden van de Eerste Kamer, dames en heren, collega's. Dank voor het eervolle verzoek om hier te komen spreken.

Om met de deur in huis te vallen: een vermogensaanwasbelasting is economisch superieur aan een vermogenswinstbelasting in termen van doelmatigheid, rechtvaardigheid, rechtsgelijkheid, vermogensopbouw en portefeuillekeuzes, en belastingopbrengsten.

Doelmatigheid. Een vermogensaanwasbelasting leidt tot een effectief tarief dat voor alle vermogensbestanddelen altijd gelijk is, maar een vermogenswinstbelasting leidt tot een lager effectief tarief voor vermogensbestanddelen die koerswinst genereren, zoals aandelen en onroerend goed. Door verkoop uit te stellen kan rendement worden behaald op het vermogen dat anders zou zijn wegbelast. Het effectieve tarief wordt daarmee lager naarmate meer vermogenswinst wordt behaald en winstneming langer wordt uitgesteld. Zo worden bijvoorbeeld aandelen in een wereldwijde beleggingsindex na tien jaar niet met 36% belast, maar met 27%. Bij het twintig jaar vasthouden daalt dat tarief naar 21%. Lagere tarieven op beleggingen met vermogenswinst veroorzaken daarom economische schade. Beleggers houden hun aandelen en vastgoed langer aan om puur fiscale redenen. Ze herschikken hun portefeuilles richting aandelen en vastgoed. Ik schat die schade op basis van kwantitatieve analyses op ongeveer 0,5% van het levensinkomen van een belegger. Beleggers timen bovendien de winstrealisatie strategisch in jaren met een laag tarief. Ook zullen er naar mijn verwachting weer beleggingsfondsen komen die dividenden gaan omzetten in lager belaste koerswinsten om zo fiscaal te arbitreren.

Rechtvaardigheid. Vermogenswinstbelasting schendt rechtvaardigheidsprincipes. De gemiddelde belastingdruk daalt namelijk in het vermogen, omdat mensen met meer vermogen juist lager belaste vermogensbestanddelen hebben: onroerend goed en aandelen. Die worden lichter belast dan spaargeld of obligaties.

Vermogenswinstbelasting leidt ook tot rechtsongelijkheid. Een vermogenswinstbelasting schendt op hevige wijze rechtsgelijkheidsprincipes. Bij hetzelfde vermogen heft de vermogenswinstbelasting een hoger tarief op spaarders en obligatiehouders, bezitters van aandelen die meer dividend dan koerswinst genereren, en beleggers die hun aandelen of onroerend goed korter aanhouden.

Critici stellen dat de vermogensaanwasbelasting tot minder vermogensopbouw zou leiden via het rente-op-rente-effect. Ik heb daar onderzoek naar gedaan en ik kom tot de conclusie dat dit een spookverhaal is. Het is een spookverhaal, omdat er door de lagere belastingopbrengsten bij een vermogenswinstbelasting een gat ontstaat in de begroting dat rechtgetrokken moet worden met hogere tarieven, en omdat er niet correct wordt verdisconteerd in de opbrengsten van de overheid.

Een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting geven volgens mijn schattingen beide structureel een opbrengst van ongeveer 10 miljard euro, maar dat is zonder gedragsreacties. De overheid loopt bij een vermogenswinstbelasting bovendien in de transitiefase miljarden euro's mis, omdat niet-gerealiseerde vermogenswinst nog niet wordt belast in de eerste jaren na de invoering. Dit gaat, wederom zonder gedragseffecten, om een bedrag van circa 12 tot 14 miljard euro. Beleggers zullen hun winstneming echter gaan uitstellen. Dat transitieverlies zal daarom toenemen door gedragsreacties. Als de bezitsduur van beleggingen zou verdubbelen, zou het transitieverlies volgens mijn inschattingen oplopen naar tussen de 24 en 30 miljard euro. Dat zijn dan de gederfde belastinginkomsten.

Alle economen en fiscalisten, ook die hier aan tafel, zijn het erover eens dat verschillende fiscale behandeling binnen box 3, en tussen box 2 en box 3, onwenselijk is. Maar dat betekent niet dat de overheid dan overal maar een vermogenswinstbelasting moet invoeren. Het is beter om vermogensaanwasbelasting als uitgangspunt te nemen en eventuele nadelen die ontstaan door een vermogenswinstbelasting, te compenseren met flankerende maatregelen. Het lukt niet altijd om de vermogensaanwasbelasting in te voeren. Daarom is het te billijken dat de overheid besluit om in sommige gevallen vermogenswinstbelasting te heffen, zoals bij onroerend goed en start-ups, maar dan moet wel met flankerend beleid zo veel mogelijk geprobeerd worden om de uitstelvoordelen weg te nemen en om lock-ineffecten en belastingarbitrage te voorkomen.

In mijn paper noem ik een aantal maatregelen. Hier noem ik de belangrijkste. Die is eigenlijk ook al door collega Heithuis aangeroerd. Voer een retrospectieve vermogenswinstbelasting op onroerend goed in. Daarbij corrigeert men achteraf voor het belastingvoordeel dat je hebt genoten als je verkoop langer hebt uitgesteld. Dat kan eenvoudig. De formules staan in mijn paper; u kunt ze opzoeken. Dit scheelt de overheid miljarden aan transitiekosten. Maar belangrijker, de fiscale prikkel om puur fiscaal gedreven winstneming uit te stellen zal worden weggenomen, en dat kan miljarden aan derving schelen. Tot slot zou ik, net als mijn collega Van den Dool, graag zien dat achterwaartse verliesverrekening wordt toegestaan en dat er een inflatiecorrectie in box 3 wordt gemaakt.

Sommigen bepleiten nu een terugkeer naar vermogensbelasting. Ik zou zeggen: dat nooit meer. Het experiment van box 3 moet worden verlaten. Zowel een vermogensaanwas- als een vermogenswinstbelasting is superieur, veel beter dan een vermogensbelasting, om alle redenen die ook in het paper staan. Helaas is de maatschappelijke discussie over een vermogensaanwasbelasting ontspoord, door mythes, drogredeneringen en spookverhalen. Al meer dan een kwart eeuw betalen mensen belasting over papieren winsten. Ik zet "papieren" tussen aanhalingstekens. Ze betalen belasting ongeacht of beleggingen wel of geen rendement opleveren en ongeacht of beleggingen wel of niet verkocht worden. Ik kan dus moeilijk begrijpen waar nu de heisa vandaan komt.

Tot slot. Als het wetsvoorstel niet wordt aangenomen, verwacht ik nog jarenlange chaos bij box 3, met daarbij grote onzekerheid voor burgers, miljardenderving voor de Staat en de zekerheid dat een alternatief stelsel slechter wordt.

Dames en heren van de Eerste Kamer, u heeft een historische kans, een historische kans om het belastingstelsel in de juiste richting te hervormen. Ik wil u daarom dringend adviseren om het wetsvoorstel aan te nemen en de regering te verzoeken om die wet op een aantal belangrijke onderdelen nog te verbeteren.

Ik dank u wel.


De voorzitter:

Dank u wel. Heren, wij gaan beginnen aan de vragenronde. Laat ik beginnen bij de CDA-fractie. Er mag eentje per fractie en, meneer Bovens, dat is mevrouw Bakker en dat bent u niet.

Mevrouw Bakker-Klein i (CDA):

Dank u wel voor de korte toelichtingen en ook voor de interessante position papers die we hebben mogen lezen.

Ik moet zeggen dat die het er niet makkelijker op maken. Ik lees daarin ook verschillende tegenstrijdige opvattingen over wat nu het beste is. De laatste zin die werd uitgesproken was "u heeft nu een historische kans om het wetsvoorstel in de juiste richting te hervormen". De vraag is dus wat dan de juiste richting is, want eigenlijk is alles erop gericht dat er over twee jaar — ik heb in de beantwoording begrepen dat "twee jaar" misschien wel drie, vier of vijf jaar wordt — uiteindelijk toch een volledig vermogenswinstbelastingstelsel komt. Dat lijkt ons de juiste richting, maar daar zijn de meningen van de verschillende sprekers dus verdeeld over.

Mijn vraag is eigenlijk de volgende. We gaan ervan uit dat we over een aantal jaar een eenduidig stelsel hebben. Stel dat we dan nu deze wet als een soort tussenoplossing zouden gaan aannemen. Wat is dan eigenlijk nog de prikkel voor het kabinet om door te ontwikkelen? Dan hebben we namelijk een systeem waarvan misschien toch gezegd wordt: laten we het hier maar een poosje mee doen. Bij alle inbreng die u heeft geleverd, denk ik: tja, dit maakt voor ons het dilemma alleen maar groter, want als we dit doen, gaan we niet de juiste richting op, maar als we het niet doen, schieten we een gat in de begroting. En u bent eigenlijk met elkaar ook verdeeld over wat de juiste richting is. Aan wie zou ik mijn vraag hierover kunnen stellen? Misschien toch maar aan de heer Essers. Zoals u weet, heb ik wel vaker gedacht: ik zal misschien toch eens contact met hem opnemen. Als we uiteindelijk toe willen naar een vermogenswinstbelasting, is dit met deze wet dan op dit moment de juiste stap die we moeten nemen?

De voorzitter:

Dat is een duidelijke vraag. Mevrouw Moonen.

Mevrouw Moonen i (D66):

Ik dank de vijf sprekers ook voor de zeer boeiende papers en toelichtingen. Ik heb eigenlijk twee vragen. De eerste gaat ...

De voorzitter:

Eén vraag per fractie, hebben we afgesproken.

Mevrouw Moonen (D66):

Eén vraag?

De voorzitter:

Ja, kort maar krachtig.

Mevrouw Moonen (D66):

Dan stel ik mijn vraag aan de heer Jacobs. U schrijft dat de vermogensaanwasbelasting doelmatig, rechtvaardig en rechtsgelijk is. Die zaken zijn natuurlijk allemaal belangrijk, voor het ministerie van Financiën, maar ook voor ons als parlementariërs. Het zijn ook zaken waar wij wetten op moeten toetsen. Nu zien we tegelijkertijd enorme maatschappelijke onrust. We krijgen per dag honderden mails van verontruste ondernemers. Als ik uw paper lees, en ook dat van uw buurman, zie ik dat er ook heel veel goede punten in het voorliggende wetsvoorstel zitten, als je het puur rationeel bekijkt. Kunt u dan aangeven of de maatschappelijke onrust is ontstaan door onwetendheid — of mythes, zoals u het noemde — of dat er toch een kern in zit waarvan het goed zou zijn als we er wel naar luisteren? Uw papers geven eigenlijk heel rationeel aan dat de vermogensaanwasbelasting een heel interessant instrument is, sterker nog, dat het zo interessant is dat het een integraal onderdeel zou moeten zijn van de lange termijn. We zouden daar eigenlijk naartoe moeten, schrijft u zelfs. Wat kunnen wij als parlementariërs dan doen om deze kwestie met een duurzaam perspectief te geleiden naar een vermogensaanwasbelasting? Hoe keren we die maatschappelijke onrust dus naar een inhoudelijk duurzame richting, zoals u die in de papers beschrijft?

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Van der Linden.

Mevrouw Van der Linden i (VVD):

Dank u wel, voorzitter. En dank u wel, heren, voor uw boeiende toelichting op uw position papers. Ik had exact dezelfde vragen als mijn collega's hiervoor, over de termijn waarop de vermogenswinstbelasting uiteindelijk kan worden ingevoerd, en over de maatschappelijke onrust, waarvan de heer rechts in het rijtje — dat is de heer Jacobs, neem me niet kwalijk; ik kan de kleine letters niet zo goed lezen — aangeeft dat ... Ik zou graag een vraag willen stellen over de kapitaalvlucht. Ik heb in mijn inbreng ook vragen geprobeerd te stellen namens mijn partij. Hoe voorziet u — ik denk dat ik de vraag dan vooral aan degene van het NOB ga stellen — kapitaaluitwijking en negatieve effecten voor het vestigingsklimaat? Kunt u een inschatting maken van hoe groot deze effecten naar verwachting zijn en op welke termijn zij zich manifesteren? Ook ik ben geadresseerde van de vele ongeruste berichten die mijn collega's en ik krijgen. Daarvan wordt weliswaar gezegd dat ze overtrokken zijn, maar tegelijkertijd hebben we iets verkeerd gedaan als er zo veel moeite wordt gedaan om ons uit te leggen dat mensen zich oprecht zorgen maken en ook stappen aan het nemen zijn om manieren te vinden om hier niet aan te hoeven voldoen. Ik ben daar dus heel benieuwd naar. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Dank u, voorzitter. Twee van mijn collega's hebben net iets gezegd over wanneer we overgaan naar de vermogenswinstbelasting, en hoe. Wat de SP-fractie betreft gaan we dat niet. Mijn fractie is overtuigd van de, zoals professor Jacobs het noemt, economische superioriteit van de vermogensaanwasbelasting, al geldt er dan misschien ook nog zoiets als "maatschappelijke superioriteit". Ik had daarover een vraag aan professor Jacobs. Het wetsvoorstel dat nu voorligt voor box 3 gaat uit van vermogensaanwasbelasting. Wat sommige fracties in dit huis betreft is dat tijdelijk. Nogmaals, wat mij betreft niet, maar daar gaan we het debat over voeren. Er zijn ook uitzonderingen gemaakt voor vastgoed en start-ups. Professor Jacobs ging daar al kort op in, ook in zijn positionpaper. Met name van de kant van start-ups komt die maatschappelijke onrust, zoals het genoemd wordt. Professor Jacobs spreekt van "succesvolle lobbygroepen". Zij hebben gezegd dat de uitzondering, de vrijstelling, niet ruim genoeg is en dat die verruimd moet worden, of dat er in ieder geval meer moet gebeuren. Het kabinet is daar dus mee aan de slag gegaan. Nu komt er mogelijk een novelle. Er wordt ook gesproken over een achterwaartse verliesrekening. Mijn vraag aan professor Jacobs is: als die achterwaartse verliesrekening er komt, is de uitzondering, dus die vrijstelling, die de start-ups in het huidige wetsvoorstel hebben gekregen dan eigenlijk nog wel nodig? Of zou je dan niet ook gewoon een vermogensaanwasbelasting voor iedereen kunnen invoeren, in theorie? Dat zit niet in het wetsvoorstel, maar is het probleem met die verandering niet op een effectievere manier opgelost? Dat was mijn vraag. Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Crone namens de Partij van de Arbeid.

De heer Crone i (GroenLinks-PvdA):

Ja, voorzitter, dank. En ook namens GroenLinks. Wij zijn PRO een nieuw voorstel.

De voorzitter:

Sorry, ik ben nog niet ...

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

Wij zullen geen consistent beleid voeren, dus ik zal niet terugkeren naar het boxsysteem waar ik mede verantwoordelijk voor ben. Mijn excuses. Maar dank voor uw belangrijke papers. Ik zou met elk van u wel een uur kunnen praten. Misschien ga ik dat ook nog wel doen. Stel dat ik voor het rendementssysteem zou zijn, en dus niet voor het aanwassysteem, en eventueel op de langere termijn, hoe gaan we dat dan waarderen? Dat is voor een deel uitvoeringstechniek. Er zit ook een gevolg aan. Uitvoeringstechnisch, zegt de heer Essers: we gaan gewoon iets wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is doen als waarderingsgrondslag. Maar wat is de waarderingsgrondslag van mijn aandelen als ik die tien jaar geleden in een fonds heb gestopt, of wat dan ook? Volgend jaar koop ik Shell, want als GroenLinksvertegenwoordiger koop ik uiteraard alleen Shell. Het jaar daarna koop ik nog meer Shellaandelen. Wat is dan de grondslag van je rendementsverbetering? Dat is een vraag aan Essers, want die zegt dat het maatschappelijk simpel is. Maar dat is het dus niet. Ik hoor van de uitvoeringsorganisaties, met name de banken, dat ze er geen renseignering op kunnen geven. Hoe gaan we dat in godsnaam oplossen? Is voor de NOB, ook qua uitvoering, denkbaar dat we dat eenvoudig kunnen maken? Voor de aanwasbelasting is dat wel simpel, want dat gebeurt ieder jaar opnieuw, van 1 januari tot 31 december. Jaar op jaar is dat dus eenvoudig. Gaan we met een rendementsbelasting dus niet een soort ingewikkeldheid als de tegenbewijsregeling krijgen?

De voorzitter:

Dat is duidelijk.

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

Aanvullend was er de opmerking van de heer Heithuis over het eigen huis. Het is altijd mooi als je hoogleraren hebt die ook adviseur zijn. Adviseert u ook altijd ...

De heer Heithuis:

Hier maak ik toch serieus bezwaar tegen. Ik ben vooral geen adviseur. Ik ben alleen mede verbonden aan een advieskantoor, maar ik ben geen adviseur.

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

Oké. Dan trek ik dat zeker terug. Maar uw opmerking was wel terecht, denk ik. Als je een aflossingsvrije hypotheek hebt, al is het maar de helft van je hypotheek, gaat die schuld dan automatisch, ook nu al, naar box 3? Is dan mislukt wat ooit bedoeld is met eigen huis, box 3 en 30 jaar, als je tenminste vermogen hebt?

De voorzitter:

Akkoord. Ik stel voor dat we na deze vragenronde even de deskundigen het woord geven om te antwoorden. Vervolgens beginnen we aan de tweede helft van de zaal. Ik begin gewoon bij meneer Van der Jagt.

De heer Van der Jagt:

Ik heb twee vragen genoteerd die gericht zijn aan de NOB, van mevrouw Van der Linden en de heer Crone. De vraag van mevrouw Van der Linden was, als ik het goed herhaal en samenvat: wat is de impact als we gaan voor vermogensaanwasheffing, kijkend naar potentiële kapitaalvlucht en de impact op het vestigingsklimaat, en is die te kwantificeren? Die is heel moeilijk te kwantificeren, ook achteraf. We hebben de afgelopen jaren een hele discussie gehad over de 30%-regeling en de inkoopfaciliteiten in de dividendbelasting. Er is heel veel gezegd over de gevolgen daarvan voor het vestigingsklimaat. Bij de vraag of directiekamers besluiten om een investering niet in Nederland maar elders in de wereld te doen, roepen ze ons niet. Dat publiceren ze ook niet. Daar zijn dus geen statistische gegevens van. In mijn inleiding heb ik wel aangegeven dat er nu al signalen van makelaars zijn over de vakantiehuizenmarkt, vanuit het buitenland, maar ook in Nederland. Maar ik kan dat dus niet kwantificeren. Dat is gewoon heel lastig. Het is overigens niet alleen een kapitaalvlucht, maar ook beperking van kapitaal naar Nederland. Denk aan Duitsers die een tweede woning in Nederland kopen. Zij zien ook dat het erg duur wordt. Dat kan ook een beperking hebben. Het gaat dus niet alleen om vlucht, maar ook om beperking van geld dat naar Nederland komt. Het is helaas een beperkt antwoord, maar ik kan er in alle eerlijkheid geen kwantificatie van geven.

De vraag van de heer Crone ging over hoe je na tien jaar bepaalde effecten bepaalt. U noemde het verkopen van aandelen Shell. Hoe bepaal je dan de kostprijs? Ik heb zelf economie gestudeerd. Ik heb toen geleerd dat er in de economische leer drie methodes zijn: fifo, lifo en de Weighted Average Cost Method. Dat is in principe een keuze. Een land als de Verenigde Staten, dat al sinds jaar en dag een capital gains tax heeft op aandelen, laat de keuze aan de belastingplichtigen. Die kunnen kiezen. Als je zelf belegt en in de app kijkt hoe je effecten het doen, zie je dat dagelijks wordt bijgehouden wat je winst- of verliespositie is. Daarbij wordt gewerkt met de weighted average method. Uit de nota naar aanleiding van het verslag van eind april maak ik op dat de ketenpartners, als wordt overgegaan tot een vermogenswinstbelasting, een voorkeur hebben voor de gewogengemiddeldemethode.

De voorzitter:

Oké, dat is duidelijk. De heer Essers.

De heer Essers:

Ik wil graag antwoord geven op een vraag van de CDA-fractie. Hoe hebben we de garantie dat de regering, nadat eenmaal deze wet is ingevoerd, zich houdt aan haar woord om uiteindelijk een vermogenswinstbelasting in te voeren? Die garantie heeft u niet. Maar u zit wel in de positie als medewetgever om daarvoor bepaalde garanties te vragen, althans zo veel mogelijk. Hoe belangrijk vindt de regering het nu om de vermogenswinstbelasting inderdaad op termijn in te gaan voeren? Je zou bepaalde raakvlakken kunnen aanduiden. Je zou kunnen zeggen: we zullen waarschijnlijk flankerende maatregelen moeten invoeren om constructies, gericht op het lock-ineffect zo veel mogelijk te beperken. Dat zijn constructies gericht op het omzetten van snel renderende vermogensbestanddelen richting waardestijging. Hoe gaan die constructies eruitzien? Hoe gaan de tegenmaatregelen eruitzien?

Verder kunt u natuurlijk ook vragen wat nou de ervaringen zijn in de jaren die er nu aan gaan komen, op het terrein van bijvoorbeeld start-ups. Dat is een andere vraag die gesteld is. Belangrijk is: het perfecte stelsel bestaat niet. Welk systeem je ook invoert, er zullen altijd bezwaren blijven. Het gaat er alleen om welk stelsel het beste aansluit bij de huidige systematiek en de minste bezwaren oplevert, ook gelet op de huidige systematiek. Er wordt gesproken van een historische kans. Dat is ook wel zo, maar u bent wel actief binnen één box van de Wet op de inkomstenbelasting. Als we nou weten dat voor de andere boxen en voor de vennootschapsbelasting een vermogenswinstbelasting geldt, dan moet je toch proberen om toch niet een zodanig nieuw systeem in box 3 in te voeren dat je een grote transitie gaat realiseren ten opzichte van het huidige systeem. Ook daarover zou je bepaalde uitspraken van de regering kunnen vragen.

Tot slot de opmerking van de heer Crone: hoe bepalen we nou de historische kostprijs? Ook dat is geen nieuw probleem. Een onderneming kan ook bij afrekening geconfronteerd worden met historische kostprijzen. Daar hebben we methodes voor bedacht. Dat is niet eenvoudig en de banken klagen erover. Maar het lijkt mij toch sterk dat ze niet in staat zijn om dit goed administratief weer te geven. Het is allemaal niet simpel, maar het is wel oplosbaar.

De voorzitter:

Akkoord. De heer Heithuis.

De heer Heithuis:

Ik ben er wat genadig van afgekomen, begrijp ik. Ik heb maar één vraag, van meneer Crone. Dat kan twee dingen betekenen, natuurlijk. Ik heb het heel erg duidelijk uit de doeken gedaan, of ik heb zo veel onzin uitgekraamd dat u zegt: laat die man maar lullen. Ik vrees het laatste, maar dat terzijde. Dan de vraag wat betreft de eigenwoningschuld. Of het al mislukt is toen in 2001 bedacht werd om na 30 jaar de renteaftrek uit te sluiten? Ik zou het niet mislukt willen noemen. Het systeem dat we nu kennen, is toen ingevoerd en toen bestond de rangorderegeling ook al. Die bestond zelfs daarvoor al. Het is een van de wezenskenmerken van onze inkomstenbelasting. Ik mag toch aannemen dat, toen in 2001 door het kabinet, toenmalig minister Zalm en staatssecretaris Vermeend, de dertigjarentermijn in de eigenwoningschuld is ingevoerd, men zich heeft gerealiseerd dat de schuld automatisch naar box 3 zal gaan als die termijn afloopt, wat voor het eerst op 1 januari 20231 gaat plaatsvinden. Je moet natuurlijk teruggaan naar die tijd, en in die tijd had box 3 een lager tarief, namelijk 30%. Box 1 was 52% max. Dus dat is al een groot verschil. De aftopping van de eigenwoningrente tot 37,5 is pas van relatief recente datum. Dat was het toen niet. Toen was het 52%. Dat zou dus naar 30% gaan. We hadden toen maar een forfaitair rendement van 4%. De echte hypotheekrentestand was destijds vele malen hoger dan die 4%. Dus het zou wel degelijk een vermindering hebben opgeleverd van de renteaftrek, als je het in retrospectief plaatst van 2001. In de loop der jaren is het natuurlijk allemaal veranderd en nu anno 2026 constateer je, aan de vooravond van het nieuwe stelsel, dat het niet zo bar veel meer uitmaakt of het box 1 of box 3 wordt. Maar dat was destijds natuurlijk wel heel anders. Dat was ook wel beoogd, denk ik. Ik zou het dus niet mislukt willen noemen.

De voorzitter:

Meneer Van den Dool.

De heer Van den Dool:

Volgens mij zijn aan mij geen vragen gesteld.

De voorzitter:

U wilt ook niet reageren? Dan de heer Jacobs.

De heer Jacobs:

Dank voor de vragen die zijn gesteld. Ik heb een vraag gekregen van mevrouw Van der Linden van de VVD over de kapitaalvlucht, althans die heb ik gehoord. Dat is bij de belasting van inkomsten uit vermogen, maar ook op vennootschapsniveau, altijd een discussie waar je serieus rekening mee moet houden. Ik moet eerlijk bekennen dat ik denk dat het huidige tarief van 36% in box 3 ongeveer op het maximum zit van wat je kunt doen in de sfeer van inkomstenbelasting op vermogen, zeker als je rekening houdt met de integratie van de vennootschapsbelasting, waar al belasting wordt geheven over de rendementen op aandelen. Op persoonlijk niveau gebeurt dat nog een keer en dat leidt dan tot een behoorlijke belastingdruk. Dus de primaire knop waar politici aan moeten draaien voor het concurrerend houden van het belastingsysteem is de effectieve belastingdruk; de combinatie van ib- en vpb-tarieven. Daar zie ik ook een probleem in het Nederlandse stelsel. Dat is niet alleen in Nederland zo, maar in bijna alle westerse landen, namelijk dat er geen integratie is van de ib en de vpb. Er is dus dubbele belastingheffing op rendementen, op aandelen in vennootschappen. Je zou kunnen overwegen om te kijken naar Australië of Nieuw-Zeeland, waar een verrekening plaatsvindt van de reeds afgedragen vbp, om dubbele belastingheffing te voorkomen. Ik denk dat dit een zinvol idee kan zijn om een "weeffout" in het belastingsysteem te corrigeren.

Daarnaast speelt inflatie een rol. Inflatiecorrectie zou je voor een deel kunnen toepassen. Dat leidt namelijk ook tot een hogere belastingdruk. Natuurlijk is het zo dat in efficiënte financiële markten nominale rentes omhooggaan als de verwachte inflatie stijgt. Beleggers, mensen met vastgoed, mensen met aandelen, worden sowieso gecompenseerd met hogere nominale rendementen als de verwachte inflatie stijgt. Dit betekent nog steeds dat de reële belastingdruk toeneemt, omdat de belasting over nominale rendementen en niet over reële rendementen wordt geheven, dus daar kun je een correctie op toepassen.

Dit lijken me allemaal suggesties om iets te doen aan het vestigingsplaatsbeleid. Als je dan nog iets wilt doen in de sfeer van stimulering van ondernemerschap, start-ups en scale-ups, doe dat dan met expliciete instrumenten en niet met generieke instrumenten via het belastingsysteem. Want dan introduceer je allerlei additionele complicaties.

Dat brengt mij bij de vraag van de heer Van Apeldoorn van de SP. Hij vraagt of de uitzondering voor start-ups eigenlijk wel nodig is om ervoor te zorgen dat je voldoende voorwaartse en achterwaartse verliesverrekeningsmogelijkheden hebt. Ik denk dat dit grotendeels klopt. Als die achterwaartse verliesrekening ook wordt toegestaan — dat is een advies, niet alleen van mij maar ook van mijn buurman — denk ik dat het heel moeilijk is om goed te onderbouwen waarom je een aparte uitzondering zou moeten maken voor start-ups. Ik denk dat er dan voldoende mogelijkheden zijn voor belastingplichtigen om alles wat ze eventueel aan belasting hebben betaald over winsten die ze niet hebben verkregen terug te krijgen van de Staat. Cruciaal is dus achterwaartse verliesrekening mogelijk maken. Dan denk ik dat je die uitzondering behoorlijk kunt dichtschroeien.

Dat brengt me bij een volgende vraag, van mevrouw Moonen van D66, over hoe de onrust in de samenleving weg te nemen. Dat weet ik niet. Ik word namelijk ook belaagd, dag in, dag uit, door mensen die mij voor van alles en nog wat uitmaken. Dat is kennelijk iets van deze tijd. Ik weet niet precies wat hieraan te doen. Wel wil ik u een hoop moed en wijsheid toewensen en proberen u te verleiden om vooral te blijven luisteren naar rationele, onderbouwde argumenten in plaats van naar allerlei mensen die met megafoons en hun onderbuik in de weer zijn. Dat is namelijk wel wat ik zie. Ik zie ook een iets minder vrolijk verhaal, namelijk dat mensen als Elon Musk, of Jeff Bezos via de editorials van de Washington Post, zich menen te moeten bemoeien met Nederlands belastingbeleid. Dat heeft niet zozeer te maken met hun oprechte zorgen over het vestigingsklimaat of de innovatiekracht van de Nederlandse economie, maar dat heeft alles te maken met hun eigen portemonnee. Op het moment dat zij in Nederland zouden zien dat een aanwasbelasting zou kunnen werken, is de belangrijkste loophole waardoor deze mensen nauwelijks belasting betalen, mogelijk verdwenen. Dan ontstaat er in de VS een discussie over de vraag of je een aanwasbelasting zou moeten invoeren of niet. Daar waar Nederland in de afgelopen 25 jaar, sinds de invoering van box 3, een fiscaal curiosum had geïntroduceerd, iets dat met goede redenen nergens ter wereld werd gedaan, hebben we met de aanwasbelasting nu een voorstel dat elders ter wereld navolging zou vinden, denk ik.

De voorzitter:

Dank u wel. Nu is het woord aan de heer Martin van Rooijen namens de partij 50PLUS.

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Dank voor de inleidingen. Ik heb een vraag aan professor Heithuis. Ik dacht toen hij begon — hij had een heel duidelijk openingsstatement — even dat we gauw klaar zouden zijn vanavond. Hij zei namelijk: ik wil eigenlijk niet ingaan op de discussie tussen vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting, want er komt een integrale vermogenswinstbelasting. Toen dacht ik: dan kan ik eigenlijk wel naar het asieldebat gaan, maar dat natuurlijk terzijde.

Ik wil erop wijzen dat als box 3 in dit wetsvoorstel zou worden aanvaard, er geen enkele druk meer is, ook niet vanuit de politiek — die roept dat dan misschien nog wel, maar doet het niet meer — om te stoppen met de vermogensaanwasbelasting. Professor Heithuis heeft heel duidelijk aangegeven dat hij die een onding vindt, zeg ik even heel kort door de bocht. Het kan als box 3 eenmaal wet wordt, naar mijn gevoel wel jaren duren om een wet die er is weer terug te draaien. Dat gebeurt eigenlijk zelden. Ik ga geen andere voorbeelden noemen, maar ik loop al een tijdje mee.

De voorzitter:

Hij is oud-staatssecretaris Fiscaliteit.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ja. Mijn vraag aan professor Heithuis is dan ook als volgt. U vindt de vermogensaanwasbelasting onjuist en u bent blij dat die dadelijk weg is, maar we zitten mogelijkerwijs nog wel vijf jaar met die in uw en mijn ogen onjuiste vermogensaanwasbelasting. Die is dan ook nog vijf jaar lang schadelijk voor het investeringsklimaat, ook vanwege de dubbele belasting. Mijn vraag is: vindt u niet dat de vrees terecht is die mijn collega van het CDA ook al noemde, dat we eenmaal aanvaard nog jaren met die wet zitten, een wet waarvan u eigenlijk vindt dat die heel snel van tafel moet en dat we die algemene winstbelasting moeten hebben?

Ik wijs er met name ook nog op — misschien kunt u dat ook meenemen in de afweging, en ik kijk ook even naar uw collega professor Jacobs — dat als we die vermogensaanwasbelasting eenmaal hebben, de overstap naar de vermogenswinstbelasting budgettair ook leidt tot het gat van de lock-in, het uitstel van belastingheffing. Dat is een extra reden om misschien die vermogensbelasting niet in te voeren, want anders ontstaat er een groot budgettair gat. Dat is mijn vraag aan u en ik heb dadelijk nog een vraag aan uw collega Jacobs, of mag ik die ook stellen?

De voorzitter:

U mag er twee stellen, bij hoge uitzondering.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ja, voorzitter, dank u wel. In de analyse van professor Jacobs ontbreekt naar ons gevoel de te verwachten reactie van beleggers. Men gaat immers aandelen verkopen, net zoals, wat ook van de kant van de NOB door de heer van der Jagt werd gezegd, er nu vakantiehuizen worden verkocht. Zo werkt de markt nu eenmaal. De gemiddelde aandelenbezitter heeft weinig op met uw theoretische verhalen. De belastingopbrengst wordt niet gevormd door uw modellen, maar door de praktijk van alledag, met een risico van toenemende emigratie.

Voorzitter. Erkent de heer Jacobs dat belastingheffing meer is dan economie? Het gaat immers om recht. Erkent hij dat hij eigenlijk als enig argument voor de vermogensaanwasbelasting de hogere opbrengst in de beginjaren aanvoert?

De voorzitter:

Duidelijke vragen. Namens de BBB de heer Kroon.

De heer Kroon i (BBB):

Dank u wel, voorzitter, en dank aan u allen voor uw betoog en uw stukken. Ik heb een vraag in het verlengde van dit voorstel, over de verbinding met de inkomstenbelasting. Iemand van u zei het al: dit voorstel staat eigenlijk op zichzelf en wordt niet integraal bekeken met de andere belastingsystemen die we hebben. Heel concreet: dit voorstel zegt feitelijk dat we rente op consumptief krediet in de toekomst weer volledig aftrekbaar maken. Maar hadden we twintig jaar geleden niet bedacht dat een overvloed van consumptief krediet ongezond was voor onze economie en het risicoprofiel van beleggers? Jaagt dit voorstel consumptief krediet en grote beleggingsportefeuilles met geleend geld aan? Wat betekent dat dan voor de stabiliteit van de economie en voor de belastinginkomsten van de Staat?

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Baumgarten.

De heer Baumgarten i (JA21):

Ik heb een hele gerichte vraag aan meneer Van den Dool. Ik hoor in hem een pleitbezorger voor de vermogensaanwasbelasting. Daar heeft hij, denk ik, goede argumenten voor. Eén ding vind ik toch wel ingewikkeld. Is de kern van de vermogensaanwasbelasting niet dat je, en gaat het daar dus misschien mis, wordt aangeslagen voor niet-gerealiseerd rendement? Dan is de achterliggende vraag: hoe fair en rechtvaardig is dat? Je wil namelijk als burger toch eigenlijk niet aangeslagen worden voor niet-gerealiseerd rendement? Vormt de aanslag op niet-gerealiseerd rendement juist niet een voedingsbodem voor rechtszaken? Dat is mijn vraag.

De voorzitter:

Duidelijk. Meneer Van Strien.

De heer Van Strien i (PVV):

De vraag die ik aanvankelijk had willen stellen, is al gesteld door mevrouw Van der Linden. Die is beantwoord. Dat biedt mij de mogelijkheid om daarop een vervolgvraag te stellen. Ik constateer een zekere vaststelling dat vermogensaanwasbelasting internationaal een vreemde eend in de bijt is en dat die in ieder geval tot kapitaalvlucht gaat leiden, met uiteraard ook gevolgen voor de economie. Ik hoor van de heren dat we eigenlijk niet kunnen inschatten hoe groot die kapitaalvlucht en die gevolgen zijn. Ik denk dat ik mijn vraag het beste kan stellen aan de heer Essers. Hij heeft hier per slot van rekening de meeste politieke ervaring. Moeten we het risico van het kiezen voor een vermogensaanwasbelasting in tegenstelling tot een vermogenswinstbelasting aandurven, als we weten dat dat grote of behoorlijke gevolgen gaat hebben? De terugweg is waarschijnlijk een hele moeilijke. Dank u wel.

De voorzitter:

Duidelijk. Meneer Hartog.

De heer Hartog i (Volt):

Heel veel van de discussie gaat ten principale over het kiezen tussen de vermogensaanwasbelasting en de vermogenswinstbelasting. Mijn vraag gaat eigenlijk over de delta binnen de huidige vermogensaanwasbelasting en de toekomstige vermogensaanwasbelasting. We hebben nu vermogensaanwasbelasting. Volgend op de heer Baumgarten zeg ik dat er nu al belasting wordt geheven over papieren winsten en dat er al een probleem is met liquiditeit. Mijn vraag over de delta is: waarom is de nieuwe nou zo veel erger dan de oude? Het bestaat namelijk al. Die vraag heb ik ook aan al die mensen gesteld die ons e-mails sturen. Ik heb er zes of zeven teruggeschreven. "Kunt u me nou eens uitleggen waarom het nu wel werkt en in de toekomst niet?" Er is niemand die antwoordt, maar goed, dat is een ander probleem. Daarom stel ik de vraag maar aan de heer Van der Jagt: wat is nou precies de delta tussen het huidige systeem en het nieuwe systeem?

De voorzitter:

De heer Van den Oetelaar.

De heer Van den Oetelaar i (FVD):

Ik dacht heel even dat de heer Van Strien mijn vraag voor mijn neus wegkaapte, maar hij is net een tintje anders. Dank aan de insprekers. Het kabinet raamt dat deze wet structureel circa 2 miljard euro extra zal opleveren ten opzichte van het huidige stelsel. Het lijkt misschien eenvoudig om beleggers en huizenbezitters zwaarder te belasten, maar er is nu al sprake van een kapitaalvlucht, zoals de heer Van der Jagt al terecht aangaf. Mevrouw Van der Linden vroeg zojuist om een schatting van die verwachte kapitaalvlucht, maar een precies antwoord is logischerwijs niet te geven. Daarom wil ik de vraag graag omdraaien. Achten de sprekers deze wet geslaagd als de werkelijke opbrengst uiteindelijk lager uitvalt dan nu het geval is in het huidige stelsel? Is de schade door kapitaalvlucht en het verlies aan vertrouwen van beleggers en ondernemers in de overheid dan niet groter dan de eventuele opbrengst?

De voorzitter:

Ik ga het rijtje af. Iedereen die zich aangesproken voelt om een vraag te beantwoorden, beantwoordt een vraag. Meneer Van der Jagt.

De heer Van der Jagt:

De heer Hartog vroeg: wat is nou de delta tussen het oude box 3-systeem en het voorgestelde systeem, voor het grootste deel vermogensaanwasbelasting met een deel vermogenswinstrealisatieheffing? Dat is een terechte vraag. In de beginjaren, zeg maar de eerste vijftien jaar, was iedereen happy met box 3. Zoals Zalm al zei: je bent een idioot als je geen 4% rendement behaalt. Maar de problemen zijn ontstaan en de weerzin en het verzet tegen box 3 zijn vooral gekomen toen de rente op spaargelden enorm ging dalen. Dat heeft uiteindelijk geleid tot het kerstarrest en het maatschappelijk verzet tegen en het gebrek aan draagvlak voor box 3.

Met de eerste arresten van de Hoge Raad is dat gestaffeld en al een beetje aangepast; met name voor spaargelden is het een stuk beter geworden. Als we kijken naar het wetsvoorstel zoals het nu voorligt en als we dat vergelijken met het oorspronkelijke forfaitaire rendement van vast 4% voor alles, dan zie je wel degelijk een heel groot verschil, omdat de belastingheffing op spaartegoeden in het wetsvoorstel dat voorligt, gewoon de daadwerkelijke rente belast. Dat is een daadwerkelijk verschil met de forfaitaire rente van pak 'm beet 4%, die je in het verleden had, met een hele lage rente. Dat leidde ertoe dat je over een hoger rendement werd belast dan je daadwerkelijk had behaald. Daar zit dus wel een heel groot verschil in.

De heer Hartog (Volt):

Mijn vraag ging meer over liquiditeit. Je moet nu ook aandelen verkopen als je ...

De voorzitter:

Straks in de tweede ronde is er wellicht nog ruimte.

De heer Essers:

Ik wil graag reageren op de opmerkingen van de heer Van Rooijen en de heer Van Strien. Om te beginnen met de kapitaalvlucht: moeten we dat risico nemen? Ik vind van niet. Dat is een politiek antwoord. Ik kan het niet helemaal wetenschappelijk onderbouwen, maar het is wel een politiek antwoord. Het is niet voor niks dat je in het buitenland niet of nauwelijks systemen ziet zoals die worden voorgesteld door mijn collega's links van mij. Dat is niet voor niks, omdat men de gevaren ziet van kapitaalvlucht en van andere problemen die er zijn. Dus ik zou dat risico niet nemen als Nederland alleen. We hebben destijds in 2001 ook een risico genomen door een systeem in te voeren, box 3, dat uniek was in de hele wereld. Op dat moment waren we er heel blij mee, totdat er een kredietcrisis kwam en de rente negatief werd. Toen waren we er minder blij mee en zagen we wat voor problemen dat veroorzaakte. Het is dus helemaal geen schande, vind ik, om je toch zo veel mogelijk aan te passen en te kijken naar de ervaringen in het buitenland.

De vraag "waarom heeft men in het buitenland geen integrale vermogensaanwasbelasting?" vind ik dan wel een heel relevante vraag. Ingaand op de opmerking van de heer Van Rooijen het volgende. Hij zei: het voordeel van de vermogensaanwasbelasting is dat je in de beginperiode een hogere opbrengst hebt. Maar je kunt ook te maken krijgen met verliezen, doordat je moet waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarna krijg je een tegenvaller. Ik noem maar iets: de eigen woning die in één keer in waarde daalt. Dan zou ik toch niet graag in de schoenen van de minister van Financiën willen verkeren, want dan heb je wel de verliezen te accepteren. Dus dat is ook wel een effect dat je in aanmerking kunt nemen. Dat moet je heel erg terughoudend maken als het gaat om vermogensaanwasbelasting.

De voorzitter:

Meneer Heithuis.

De heer Heithuis:

Eerste Kamerlid Van Rooijen stelde mij de vraag wat de Eerste Kamer zou moeten doen om ervoor te zorgen dat die vermogenswinstbelasting er uiteindelijk toch gaat komen. Volgens mij kunt u die vraag beter zelf beantwoorden dan ik, want u bent de politicus in de zaal en ik niet. Maar volgens mij is het antwoord simpel: niet aannemen. Elk jaar dat dit voorstel niet wordt ingevoerd, kost de minister van Financiën 2,4 miljard. Mij dunkt dat u dan een behoorlijke stok achter de deur heeft om nu als een speer aan de slag te gaan om gelijk op 1 januari 2028 al de nieuwe vermogenswinstbelasting integraal in te voeren. Ik begrijp ook eerlijk gezegd niet zo goed wat hierover in de nota naar aanleiding van het verslag staat. Het ministerie doet namelijk voorkomen alsof daar enorme wetgevende operaties voor nodig zijn. Volgens mij is dat helemaal niet zo, want we hebben die vermogenswinstbelasting al in box 2. Dat ligt wetgevingstechnisch dus gewoon klaar. Box 3 hebben we dus ook al deels, voor onroerende zaken en start-ups en scale-ups. Die wetteksten liggen ook klaar. Volgens mij zit in elk tekstverwerkingsprogramma, zoals Word, de functie "zoek en vervang". Ik snap dus eerlijk gezegd niet waarom dat heel veel tijd zou moeten kosten en we nog weer minimaal twee jaar moeten wachten op die nieuwe vermogenswinstbelasting. Als u druk op de ketel wilt houden, is de beste manier natuurlijk om die gewoon niet aan te nemen. Ik moet wel zeggen dat ik heel graag snel af zou willen van de huidige ellende van box 3. Van het forfaitaire stelsel en het tegenbewijs zoals we het nu hebben, wordt niemand gelukkig. De praktijk is er ook helemaal klaar mee, kan ik u vertellen. Maar als u druk op de ketel wilt houden, is het gewoon simpel: niet aannemen. Dan moet de minister van Financiën aan de slag. Hij moet dan die 2,4 miljard per jaar gaan oplossen. Een beter argument kun je niet geven, denk ik. Dat is één.

Over het budgettaire gat heeft collega Essers het al met u gehad.

Meneer Kroon had een vraag over de consumptieve rente. Ik vind dat een lastig issue. Consumptieve rente is in het huidige voorstel vanaf 2028 gewoon aftrekbaar. Het heeft mij wel verrast dat daar in de Tweede Kamer met geen woord over gerept is. Dat is heel verrassend, want in 2001, toen box 3 er kwam, is er uitgebreid gediscussieerd over consumptieve schulden die aftrekbaar werden in het toenmalige box 3-systeem, tegen 4% maal 30%. Daar is in de politiek uitgebreid over gediscussieerd. Nu is het tot mijn verbazing muisstil gebleven rondom dat onderwerp. Ik zeg niet dat we consumptieve rente zouden moeten uitsluiten van aftrek. Laat ik het anders zeggen. Ik snap dat u zegt: als we die aftrek toelaten, dan stimuleer je geldleningen. Dat is duidelijk. Je stimuleert mensen om financieringsschulden aan te gaan.

De heer Kroon (BBB):

En je stimuleert ze om te beleggen met geleend geld.

De heer Heithuis:

Ja, dat gevaar zit er natuurlijk in. Dat hebben we voor 2001 ook gezien. Maar ik zie de praktijk alweer op me afkomen. Ik ben dan wel geen adviseur, maar ik heb wel enige praktijkfeeling. Een probleem is dat je dan te maken krijgt met de afbakening tussen wat nou consumptieve rente is en wat geen consumptieve rente is. Dat klinkt makkelijk, maar dat is het niet. Er ontstaat ook een gedragseffect bij burgers; ze gaan op andere manieren hun vermogen herschikken. Dan zeggen ze: aandelen zijn niet consumptief dus die gaan we met geleend geld financieren, en de boot doen we dan met eigen geld. Eigenlijk ben je het dus alleen maar aan het verschuiven binnen box 3. De renteaftrek blijft hetzelfde. Hij valt nu in een ander vakje, maar blijft binnen box 3. Ik ben dus wat terughoudend met zeggen dat we die consumptieve rente in aftrek moeten gaan beperken. Ik moet zeggen dat ik mij er wel zeer over verbaasd heb dat daar gewoon geen discussie over gevoerd is. Het lijkt mij namelijk zeer terecht als u die discussie wel zou voeren.

Als de voorzitter het mij toelaat, wil ik toch nog even reageren op de opmerking van collega Jacobs van zojuist dat er in ons belastingstelsel geen integratie zou zijn tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting. Dat is niet zo; die is er wel. Die zit namelijk in box 2. Het box 2-tarief is niet voor niks maar 24,5% tot 31%. Dat is het geval omdat er al vennootschapsbelasting is geheven. Dat samen leidt tot maximaal 48,8%. Dat is bijna hetzelfde als box 1. Dat is ook steeds de bedoeling geweest. In 2001 lag het tarief tussen de 52% in box 1 en de 51,25% cumulatief, dus de vennootschapsbelasting plus box 2, in box 2. Je zou dus kunnen zeggen dat de vennootschapsbelasting op een wat makkelijkere, forfaitaire manier is verdisconteerd in het box 2-tarief.

Nog even reagerend op het voorstel om dan toch iets te gaan doen met de integratie van vennootschapsbelasting: de Engelsen hebben dat jaren geleden gedaan met de Advance Corporation Tax. De Duitsers hebben het ook met een verschillend tarief gedaan, net als de Fransen. Die zijn allemaal gesneuveld. Waardoor sneuvelen die dan? Dat verklap ik u alvast: Nederland heeft er geen zin in om zijn vennootschapsbelasting te gaan verrekenen met een inkomstenbelasting aan andere landen, waar die andere landen dan profijt van hebben. Nederland kan dat wel doen, maar ik zie niet in waarom Nederland dat zou moeten doen. Het buitenland is hier altijd het grote probleem. Nationaal kan het; daar heeft collega Jacobs helemaal gelijk in. Nationaal kun je dat keurig afregelen. Maar in het buitenland gaan wij dan dus iets opgeven, iets geven aan andere landen, terwijl die daar dan profijt van hebben. Een paar jaar geleden zou de dividendbelasting worden afgeschaft, weet u nog wel? Dit was een van de pijnpunten die toen speelden: ja, maar profiteren de andere landen daar dan niet van? Ja, natuurlijk is dat zo. Want als wij geen dividendbelasting heffen, gaan ze daar inkomstenbelasting heffen, extra. Overall blijft het hetzelfde voor de belastingplichtige, maar er verschuift van alles. Waarom zou Nederland dat moeten doen? Dat is altijd het bekende probleem bij verrekeningsstelsels, dus ik zou daar inderdaad geen voorstander van zijn.

De voorzitter:

Dat is duidelijk. De heer Van den Dool.

De heer Van den Dool:

Dank u wel, voorzitter. Ik permitteer me even de vrijheid om een paar dingen mee te pakken. Eén, het vestigingsklimaat. Als je allerlei onderzoek, internationaal, gaat bekijken, dan draait dat … Er zijn een beetje discussies over, maar over het algemeen is dat een tariefdiscussie: hoe lager het tarief, hoe aantrekkelijker een land is voor internationale ondernemingen om zich te vestigen. Dat verklaart ook een klein beetje waarom die vermogenswinstbelasting aantrekkelijker is dan een vermogensaanwasbelasting, want, zoals Jacobs al terecht aangaf, die vermogenswinstbelasting leidt ertoe dat het effectieve tarief in the end veel lager ligt dan onder een vermogensaanwasbelasting. Tegelijkertijd menen wij beiden dat een vermogensaanwasbelasting een lager tarief zou kunnen opleveren en daarmee dus ook aantrekkelijker is dan een hoger statutair tarief onder de vermogenswinstbelasting. Dat is één. Twee. Een ander belangrijk aspect waar het gaat om het vestigingsklimaat, is verliesverrekening. Als de staat gewoon meedeelt in verliezen van ondernemingen, dan is dat erg belangrijk voor ondernemers. Het risico neemt relatief af. Dat is gewoon staand onderzoek. Dus op het moment dat in Nederland sprake is van een effectieve verliesverrekening, voorwaarts of achterwaarts, dan draagt dat wel degelijk bij aan een positieve invloed op het Nederlandse vestigingsklimaat.

Dan de vermogenswinstbelasting in een internationale context. Ik volsta maar even met verwijzen naar de passages in de nota naar aanleiding van het verslag. Daarin wordt ingegaan op de OESO-commentaren dienaangaande en de problemen die ook andere landen op dat punt hebben. Dus die vermogenswinstbelasting is zeker niet optimaler dan een vermogensaanwasbelasting. Het is wel een hele stap voor de gemiddelde burger om over je ongerealiseerde waardestijgingen belasting te gaan betalen. Dat zal ik zeker erkennen. Dan kom ik bij uw vraag. Tegelijkertijd is het ook zo dat dat in heel veel gevallen volkomen liquide vermogen is. Als je gewoon vertelt wat de achtergrond is, dan kun je mensen — dat is in ieder geval mijn ervaring als ik op een zeepkist klim — echt uitleggen waarom een vermogensaanwasbelasting beter is dan een vermogenswinstbelasting. Sterker nog, als u naar de Albert Cuyp gaat en daar op die kist gaat klimmen, krijgt u de gemiddelde AOW'er of de gemiddelde mens met een minimumloon niet uitgelegd waarom zij wel belasting betalen over hun spaargeld en iemand anders geen belasting betaalt over zijn vermogensaanwas onder een vermogenswinstbelasting, want dat zit pas in de verre toekomst en dan zal ook nadrukkelijk — dat zien we ook in alle literatuur; daar kan jij misschien nog wat over zeggen, Bas — dat uitsteleffect gewoon absoluut aanwezig zijn. Dat zie je ook in Nederlandse data van het CPB bijvoorbeeld.

Dan ben ik het niet eens — maar wanneer zijn we dat wel? — met collega Heithuis waar het gaat om die integratie. Althans, ik denk dat de heer Jacobs — maar jij moet voor jezelf spreken, Bas — terecht al aangaf dat 36% eigenlijk het maximale tarief is dat je zou moeten hebben in Nederland. Het zou eigenlijk lager moeten zijn en het zou zeker voor aandeleninkomsten lager moeten zijn vanwege eerder geheven vennootschapsbelasting. Dat dat internationale complicaties kan oproepen, ben ik uiteraard met Heithuis eens. Maar als je het zou hebben over vestigingsklimaat, kies dan voor een laag tarief voor aandeleninkomsten en voor een hoger tarief voor bijvoorbeeld spaargeld en obligaties, want dat is uiteindelijk een bijdrage die je levert aan het ondernemings-, het vestigings- en het beleggingsklimaat. Misschien kunnen we nog ideeën opdoen in het Deense stelsel, waar een bepaalde vrijstelling geldt voor het risicoloze rendement. Daar krijg je een aftrekpost op je vermogensinkomsten. Die aftrekpost wordt dan lager belast en alleen voor het meerdere geldt het reguliere tarief.

Mijn slotsom is: uiteindelijk is het tarief het echte aandachtspunt waar het gaat om vestigingsklimaat. Dat zie je overal terugkomen. Dat moeten we zeker niet verhogen. Ik zou nog wel durven beweren dat als we dit stelsel met de modificaties waar we het over hebben gehad zouden invoeren, uiteindelijk die vermogensaanwasbelasting weleens een keer heel positief zou kunnen uitpakken, gewoon vanwege de effecten die Jacobs ook heeft uitgerekend, de neutraliteit van vermogensbestanddelen et cetera.

Dank.

De voorzitter:

Meneer Jacobs.

De heer Jacobs:

Dank. Ik wil graag reageren op de heer Van Rooijen. Hij suggereert ten onrechte dat het mij alleen om de belastingopbrengsten zou gaan. Ik wil dat in alle bewoordingen tegenspreken. Het gaat hier ten principale over wat ik denk dat het beste stelsel voor Nederland zou zijn, ongeacht de opbrengst die je uit dat stelsel genereert. Het is aan u, de politiek, om te bepalen hoeveel het moet opbrengen. Het is niet aan mij, aan de wetenschap, om dat te bepalen. Dat gezegd hebbende, kom ik tot de slotsom dat een stelsel met vermogensaanwasbelasting dezelfde opbrengst genereert met veel minder schade voor de economie, veel minder schade in de risico- en kapitaalallocatie, veel minder rechtsongelijkheid en zonder degressief effect op de vermogensverdeling. Dat zijn allemaal andere overwegingen dan opbrengst die, denk ik, voor u als politicus relevant zouden moeten zijn. Als u mijn paper echt goed leest, denk ik dat die overwegingen allemaal terugkomen. Dit in reactie op de heer Van Rooijen.

Dan wil ik graag nog even terugkomen op kapitaalvlucht. Er wordt gezegd: het nieuwe stelsel zal leiden tot grootschalige kapitaalvlucht. Ja, het is onzeker, maar iedere tariefverhoging leidt tot verplaatsingen. Het is zo — dat blijkt ook uit mijn eigen berekeningen — dat de opbrengst uit box 3 naar schatting 2 miljard omhooggaat. Op een bestaande opbrengst van structureel 8 miljard is dat een opbrengsttoename, een hoger effectief tarief, van 25%. Nogmaals, het staat de politiek vrij om de tarieven te verlagen als ze denkt dat die tarieven te veel negatieve consequenties hebben. Nogmaals, dat staat los van de vraag welk systeem je zou moeten hebben, wat de minste schade toebrengt aan de economie en alle andere overwegingen die je bij belasting hebt, zoals rechtsgelijkheid, rechtvaardigheid, uitvoerbaarheid en ga zo maar door. Kapitaalvlucht is dus iets waar je rekening mee moet houden, maar het gaat voor mij uiteindelijk om de keuze hoe hoog je de belastingen wil zetten en niet om het systeem dat daarbij hoort.

Ik ben in de verleiding om te reageren op een aantal dingen die collega's hebben gezegd, maar dat zal ik niet doen. Behalve dan …

De voorzitter:

Behalve dan?

De heer Jacobs:

Ik wil teruggaan naar de vraag van de heer Hartog: wat is de delta van het bestaande systeem met het voorgestelde nieuwe systeem? Die is groot, want in tegenstelling tot wat mijn collega Essers beweert, was vrijwel geen enkele econoom of fiscaal jurist blij met het stelsel zoals dat in 2001 werd ingevoerd. Ik heb een kleine persoonlijke anekdote. Ik schreef mijn proefschrift in 1997. In 1998 kregen we een discussie over de invoering van het box 3-systeem. Ik was in opleiding tot macro-econoom en ben geswitcht naar openbare financiën, omdat het hele box 3-systeem mij een doorn in het oog was. Dat is de reden dat ik hier nu voor u zit als hoogleraar overheidsfinanciën.

De voorzitter:

Dat is een hele verstandige keuze.

De heer Jacobs:

We moeten nooit meer terug willen naar dit systeem, want de delta is dat we in een systeem van aanwas- of winstbelasting — dat is om het even — over werkelijk genoten inkomsten belasting heffen in plaats van over verzonnen rendementen. Dat is superieur, want de overheid deelt in de pech en het geluk van beleggers. Het is superieur, want de inkomstenbelasting op vermogen is niet meer degressief — dat betekent dus meer rendement met een lagere gemiddelde druk — maar op z'n minst proportioneel. Het is superieur, omdat je de belastingen meer over het bovennormale rendement, over de risicopremie, over de buitenkansen en over het superieure beleggingsinstinct heft, waardoor je de belastingen ophaalt met veel minder schade voor de economie dan met een vermogensbelasting alleen. Een belasting op inkomen uit vermogen is bovendien superieur, omdat je niet de conjunctuuruitslagen versterkt, zoals de box 3-heffing nu doet. De overheid heft als mensen negatieve inkomsten hebben. De overheid heft relatief veel minder als mensen klappers maken op de beurs of met een huis of met wat dan ook. De inkomstenbelasting stabiliseert veel beter dan een vermogensbelasting. Daarom, om deze vier redenen, moeten we nooit meer terug naar dat oude systeem. Het is dus om het even of het nou aanwas- of winstbelasting is, maar we moeten nooit meer terug naar het forfaitairrendementsysteem.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik had gehoopt dat het allemaal wat korter zou kunnen. We moeten om 18.30 uur afsluiten, dus een tweede ronde zit er jammer genoeg niet meer in. Nee, meneer Crone, een tweede ronde ... Meneer Van Rooijen wil ook een tweede ronde. Of we moeten zeggen: we gaan niet eten in de kantine. Dat vind ik ook best. Nee? Oké, dan is er geen tweede ronde.

De heer Van Rooijen is er de tweede helft niet bij en ik hoor dat hij één vraag niet beantwoord heeft gekregen. Heel kort dan, meneer Van Rooijen.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ja, dit kan heel kort. Wat zijn de te verwachten reacties van de beleggers? Men gaat immers verkopen, net als in de huizenmarkt. Het lijkt me toch een hele indringende vraag.

De heer Jacobs:

Dat ben ik niet met u eens. Als beleggers namelijk in het systeem van aanwas zouden gaan verkopen, zou dat volgens uw redenering onder het huidige systeem allang tot massale kapitaalvlucht hebben geleid. Het huidige systeem belast namelijk niet alleen papieren, maar ook verzonnen rendementen. Het systeem belast, ongeacht of mensen verlies maken en ongeacht of mensen hun aandelen verkopen. Het huidige systeem is vele malen erger dan een aanwasbelasting. U denkt dat het nieuwe systeem tot grootschalige kapitaalvlucht gaat leiden. Als dat waar is, had dat dus allang gebeurd moeten zijn in de afgelopen 25 jaar.

De voorzitter:

Mag ik de deskundigen van harte danken voor hun inbreng en toelichtingen? Het is aan mijn collega's om na de pauze met een tweede deskundigenbijeenkomst voort te zetten. Ik hoop dat ze er wat aan hebben bij een tweede schriftelijke vragenronde. Mocht dat niet zo zijn, kunnen ze u wellicht altijd nog bilateraal benaderen. Daar is niks mis mee. We hebben jammer genoeg geen tijd voor een tweede ronde. Dat is nu eenmaal zo. Ik dank u van harte dat u tijd heeft vrijgemaakt om hier uw inbreng te leveren. Ik sluit de vergadering. Wij heropenen om 19.30 uur.


Sluiting

Sluiting 18.27 uur.